


De koets waarmee Anna van Pinkeveer naar Gorkum reed was precies op tijd vertrokken. Als er geen oponthoud zou zijn op de verdere reis kon ze omstreeks het Angelusluiden in Gorkum zijn. Ze was al in vier jaar niet meer in de stad geweest en ze hoopte dat de herberg, waar Dries volgens Berent zijn intrek had genomen, in de buurt zou zijn van de herberg waar deze koets zou stoppen. Berent, die vaker in Gorkum was geweest heeft haar zo goed als mogelijk de weg en juiste richting verteld hoe ze van de ene naar de andere herberg zou moeten lopen. Haar vader had haar echter op het hart gedruk niet lopend te gaan maar een wagentje te bestellen om te voorkomen dat ze in het donker, wanneer het gespuis te voorschijn kwam, zou worden lastig gevallen. Een van de vrouwen die al in de koets zat toen Anna instapte in Pinkenveer had aan een andere reiziger verteld dat deze koetsier geen halt hield bij andere herbergen in Gorkum. Ze had het gesprek aangehoord maar er zich niet in gemengd. Zo kon ze leunend in het hoekje van de koets eens rustig alle onverwachte gebeurtenissen van de afgelopen weken overdenken. Steeds weer verwonderde ze zich hoe de loop van die dingen haar leven heeft kunnen veranderen. Haar vader en stiefmoeder konden vier weken geleden hun kinderen bijna niet meer voeden. Bedelend liepen haar broertjes en zusjes langs de weg om te proberen wat eetbaars te bemachtigen. Hoe snel kon het veranderen, nu was haar vader weer in een vaste betrekking op zijn oude stee. Ook haar opa en diens vader hadden ook al gewerkt op de hofstee van Dries zijn voorouders. Haar vader had nu de hele leiding van de stee als Dries niet aanwezig was en hoewel de buren in het buurtschap hun benijden kon hij weer met opgeheven hoofd over de Hogendijk lopen. En er werd veel gepraat in de buurt. Zij, Anna was zo maar voor het eind van het jaar vertrokken bij haar boer in Oud-Alblas en als een boerin aan het werk gezet op de stee. Daar waar vier weken geleden Wout Romeijn geen vreemde mensen en laat staan, ketters duldde. Ja, er was veel gebeurd in deze laatste weken waardoor ze een andere kijk kreeg op de mensen in haar omgeving. Kijk moeder nu eens, als vrouw van een ontslagen boerenknecht, toch een van de minsten in de ogen van veel mensen in het dorp kon ze nu ook met opgeheven hoofd haar vroegere schuldeisers weer in de ogen kijken. Dries was nadat hij met vader naar Oom Willem was geweest in hun huisje onder aan de dijk aangegaan. Hij had aan moeder verteld van zijn plannen met Krelis en haar en had moeder gezegd dat hij niet wilde dat er mensen zouden kunnen zeggen dat een man wiens vrouw schulden had bij de diverse kooplui in Giessendam, niet de capaciteit had om een hofstee als die van Dries te besturen.
Hij had zijn beurs genomen en twee gouden Carolussen voor haar op tafel gelegd. Tranen waren haar in de ogen geschoten en snikkend had ze gestameld dat ze met een halve Carolus haar schulden ook zou kunnen aflossen. Dries had het geld in haar handen gestopt en gezegd dat ze de rest maar goed moest bewaren. De tijd zou het leren of ze deze soms nog eens moest aanspreken.
Bijna was Anna weggedommeld in het hoekje van de koets toen het klepje, dat de koetsier kon openen om zo contact te houden met de inzittende van de koets, open ging.
’Zijn er nog passagiers die willen uitstappen bij de Westpoort. Het is veel te koud om het hele eind weer terug te lopen,’ vroeg de koetsier die blijkbaar toch niet de boeman was zoals de vrouw had doen geloven.
‘Graag koetsier, ik moet in de herberg nabij de westelijke brug zijn,’ zei Anna.
De koetsier keek nogmaals naar binnen en antwoordde, ‘komt voor elkaar jongedame, in een kwart uur zijn we binnen de poort. Maak je maar alvast gereed voor het uitstappen, ik wil geen tijd verliezen.’
‘Je treft het maar goed,’ zei de dame in de andere hoek van de koets, ‘dezelfde koetsier stopte niet voor een heer toen we drie weken geleden, voordat we Gorkum binnen reden, bij de bouwplaats van het nieuwe kasteel in Schelluinen langs kwamen. Misschien stopt hij alleen voor knappe jongedames.’
Verscheidene passagiers die de hele rit niet hadden gesproken en soms zaten te knikkenbollen schoten in de lach en Anna voelde dat ze een blos op haar wangen kreeg. Gelukkig was het al aardig donker in de koets anders hadden de anderen ook daar weer opmerkingen over kunnen maken.
‘Ik denk dat de postkoets toen te laat was, vrouwe.’ zei Anna bits. ’Ik zie niet in wat anders de reden zou kunnen zijn waarom hij het nu wel vraagt en drie weken geleden niet. Toen zat er mogelijk ook een jongedame in de koets zo als er nu ook een oude vrouw bij de Westpoort had mogen uitstappen.’
Nogmaals schoten de passagiers in de lach en een van de mannen zei: ’Een dame die niet op haar mondje is gevallen. Is er kans op, juffrouw dat er in Uw logement nog plaats is voor een heer?’
‘Ik weet niet wie U hier als heer wilt aanspreken, maar ik weet wel dat de logementhouder geen van de mannen vanuit de koets in zijn herberg durft te laten overnachten. Hij heeft het niet zo op gespuis.’
Gelukkig stopte op dat moment de koets en met een flukse beweging opende Anna het portier van de koets en sprong behendig naar buiten. Ze hoorde nog juist de vrouw in de hoek lachend zeggen: ’Ja mannen, je moet vroeger opstaan om haar de mond te snoeren’
Anna pakte haar tas aan die boven op het rek van de postkoets stond en bedankte de koetsier hartelijk voor de moeite die hij had genomen om haar hier voor de herberg te laten uitstappen.
Ze trok haar kraag wat hoger op. De wind was koud en blies straf om de hoek van de herberg. Ze drukte de knop van de deur naar beneden en opende hem, benieuwd of ze Dries hier zou aantreffen.
Volgende hoofdstuk Hoofdstukken