De beide vrienden vonden hun paard en het koetsje terug bij de boer in Schelluinen. Op hun vraag wat de kosten waren van de stalling wilde de boer daarvan niets horen.
‘Het is een plicht je naasten te helpen,’ zei de boer. ‘Jullie vertelden me dat het door omstandigheden was dat je niet voor sluitingstijd binnen de poort zou kunnen zijn. Jullie zijn geholpen en ik heb mijn goede daad voor vandaag weer gedaan,’ grapte de man en wuifde de beide vrienden na toen ze het erf afreden.
‘Dat zie je niet alle dagen,‘ zei Riens terwijl hij de paarden aanspoorde om in draf over te gaan. ’Het is gemeen koud aan het worden Janus, ik hoop maar dat het flink gaat sneeuwen als we thuis zijn dan komt de kou wat uit de lucht. Ik kan anders goed tegen de kou maar deze oostenwind snijdt bijna de oren van je hoofd.’
Samen bespraken ze hun belevenissen in Gorkum. Janus, die niet veel meer van de Waard had gezien als Giessendam en de kermis in Slydrecht, was nog steeds verbaasd over de drukte die heerste in Gorkum. Riens die veel meer had gereisd in zijn leven als schippersknecht bij zijn oom kon de verbazing van Janus goed begrijpen.
‘Ik ben eens met mijn oom in Kleef geweest, daar was het nog drukker dan op de markt in Gorkum. Hij vertelde mij dat er altijd iets is dat nog groter, nog kleiner, nog lelijker of nog mooier is dan wij weten. Zo zal het ook wel zijn met druk en drukker.’
Zo pratend over wat ze in Gorkum hadden gehoord van Dries en over de plannen die Dries had gemaakt en welke rol zij erin konden spelen naderden ze al snel het centrum van hun dorp.
‘Wat een mensen zijn er toch veel op straat,’ zei Riens verbaast waarop Janus grapte: ’het kunnen er altijd meer zijn.’
Maar nu ook Janus hier op lette viel het hun beide op en hielden ze halt bij het eerste groepje mensen dat stond te praten nabij de wiel op het beneden eind van Hardinxveld.
‘Goeie middag mensen,’ zei Janus, ‘we verbaasden ons dat er ondanks de koude oostenwind er op de middag zoveel volk op de dijk staat. Is er iets bijzonders aan de hand?’
In geuren vertelden dit groepje vrouwen over de vermissing van de Spaanse soldaten en de ontvoering van de pastoor.
‘De huismeid van de pastoor heeft verteld dat er drie gemaskerde mannen het huis zijn binnengedrongen en onder bedreiging van pistolen de pastoor uit het huis hebben gesleurd. Ze zouden hem vreselijk hebben geslagen en geschopt toen hij weerloos op de straat lag. Nu is het laatste wat we hebben gehoord dat de Spaanse soldaten de pastoor naar Den Bosch hebben gebracht. Hij zou zich bij de bisschop moeten verantwoorden voor de vervolging van de ketters in ons dorp. Hij zou niet streng genoeg zijn opgetreden tegen de nieuwe leer van die Duitse monnik.’
Janus schoot in de lach waarna de vrouwen hem verbaasd aankeken.
‘Geslagen en geschopt en dan naar de bisschop? Wat een vreemd verhaal. Als hij niet voldoende achter de ketters zou aanzitten, hoeft hij toch niet eerst mishandeld te worden voor hij bij de bisschop verschijnt? Ik denk dat dit echt weer een dorpsroddel is van vrouwen die niets anders te doen hebben.’
Snel reed Riens door langs de kapel naar de Hogendijk. Op het juiste moment had hij het paard aangeraakt met een tik van de leidsels.
‘Jij durft zeg,‘ zei hij tegen Janus, ‘ik dacht even dat er ten minste drie vrouwen in staat waren je aan te vallen. Kijk maar uit anders wordt jij nog beschuldigd de hand te hebben in de ontvoering. Ik zet je, met de duiven, af bij de boerderij van Dries dan breng ik even het gerij thuis en kom ik terug naar jou. Dan kunnen we ons verhaal vertellen tegen je vader. Ik ben benieuwd wat hij of iets Anna kunnen vertellen over de Spekken en de pastoor’
Terwijl ze de manden met duiven uit de kar haalden hoorden ze vanaf de overzijde van de dijk een zacht gefluit.
‘Pst, jongens, niet kijken maar ik sta hier bij Kee in de schuur. Ik kom straks naar de hofstee en wil jullie beiden spreken.’
Zonder op te kijken of ook maar naar de schuur of de overzijde van de dijk te kijken antwoordde Janus zacht dat Riens eerst het gerij ging thuisbrengen en met een half uur weer op de stee terug zou komen.
Berent die nog geen half uur geleden was teruggekomen van zijn bezoek aan Wingerden had eerst even gekeken of alles nog in orde was bij Kee. Hij had de pastoor aangetroffen zo als hij hem had verlaten. Krelis was verschillende malen de dijk overgestoken om met zijn donkere stem enkele woorden te wisselen met Kee. Dit was voldoende geweest om de pastoor rustig te houden. De soms ijselijk koude manier van spreken van Berent, die hij soms afwisselde door met een vriendelijke stem vragen te stellen had ook de pastoor erg in verwarring gebracht. Hij leek zich te schikken in zijn lot en hield zich daarom erg rustig.
Zo zaten alle betrokkenen die middag aan de keukentafel op de hofstee van Dries Romeijn. Daar werden die middag de ervaringen van de afgelopen dagen met elkaar gedeeld. Berent vertelde haarfijn wat er was voorgevallen in Dordrecht. Janus en Riens over hun bezoek aan Dries en over de conclusies die hij getrokken had over de voorvallen hier op de hofstee. Ook konden ze nu de verschillende vragen beantwoorden die in de afgelopen weken waren komen boven drijven. Berent had Krelis opgedragen een knecht op de zolder op de uitkijk te zetten. Deze knecht die bekend stond als een fel tegenstander van het katholicisme had post gevat in een kamertje dat aan beide zijden was voorzien van een klein dakraam. Van daar kon hij de hele dijk overzien zowel van uit het dorp maar ook uit de richting van Slydrecht. Hij moest hen waarschuwen als er verdachte personen als soldaten de hofstee zouden naderen. Janus vond het wat overdreven van Berent om een knecht op de uitkijk te zetten en hij vroeg: ‘ben je bang dat er wat gaat gebeuren? Ik heb vanmiddag gehoord dat de pastoor is ontvoerd en Spaanse soldaten op een raadselachtige manier zijn verdwenen.’ Ook Riens keek de anderen bezorgd aan. Berent glimlachte raadselachtig en keek Janus en Riens aan.
‘Voor de pastoor hoeft niemand bang te zijn die ligt als een hond aan een ketting geketend en wel dichterbij dan jullie vermoeden.’
Berent vertelde nu ook de jongens van zijn avontuur van afgelopen nacht en over het voorlopige verhoor van de pastoor.
‘Dan wordt het tijd dat hij meer gaat vertellen,’ zei Janus die opsprong. ’Vertel me waar die gluiperd zich bevind dan zal ik hem eens echt met een hete haardpook gaan kietelen.’ Hij werd door Riens bij zijn trui gegrepen en teruggetrokken in zijn stoel. Hij wist welk een heethoofd zijn kameraad soms kon zijn.
‘Ja Riens, je hebt gelijk, we moeten eerst een goed plan maken voordat we overhaaste dingen gaan doen,’ zei Berent. ’Ik ben van plan de pastoor te vragen waar ik deze Juan la Vrestra kan vinden. Dit lijkt mij toch de belangrijkste man die we moeten proberen uit te schakelen. Ik zou eigenlijk willen dat Dries hier was. Als we achter deze Juan aan willen gaan moeten we zien te voorkomen dat er iets uitlekt over onze plannen, de uitvoering ervan maar we moeten ook voorkomen dat we elkaar in de wielen rijden. Het zal niet de eerste keer zijn dat dit soort plannen mislukken omdat we onvoldoende weten van de bewegingen van onze eigen mensen.’
Krelis had weer de tabakspot naar zich toegehaald en stopte een pijpje waarin hij de brand stak met een houtspaander.
’Het moet toch niet gekker worden. We gaan naar Gorkum of we komen er vandaan. Jullie vertelden, Janus en Riens, dat Dries vandaag een afspraak zou hebben met een heer die er op gebrand was de heer van Savenhent op te laten pakken. Heeft Dries jullie ook verteld wat zijn plannen zijn na die afspraak? Kunnen we hem vanavond of morgen vroeg hier verwachten?’
Berent schoot in de lach en schudde zijn hoofd. ’Echt niet Krelis, Dries is niet eerder thuis dan morgenmiddag of morgenavond. We hebben vanmorgen je dochter naar Gorkum gestuurd met een brief die ze moest afgeven in het logement waar Dries verbleef. Janus en Riens zijn hier weer terug dus…’
Als door de hond gebeten sprong Krelis op.
’Wat wil je hiermee zeggen?’ schreeuwde hij woest en balde zijn vuisten. Zijn stoel vloog tegen de muur en met een sprong stond hij voor Berent die met de armen over elkaar gekruist op zijn stoel zat. Hij glimlachte en maande Krelis tot rustig nadenken.
’Echt Krelis, je ogen zitten nog dicht. Wij allen hebben gezien hoe je dochter reageert als er over Dries wordt gesproken. Dit is helemaal niet erg, er zijn slechtere schoonzoons denkbaar dan Dries Romeijn.
Als een uit graniet gehouwen standbeeld stond Krelis nog steeds voor Berent.
’Natuurlijk heb ik gezien hoe ze naar Dries keek toen hij vertrok naar Zaltbommel. Natuurlijk heb ik dat gezien en ik heb naar haar geluisterd toen ze mij vertelde dat Dries zelf tegen haar had gezegd dat hij van haar hield maar ik ben een boerenknecht en zij, mijn dochter, moet zich niets in haar hoofd halen. Maar wat jij suggereerde is helemaal uit den boze.’
Met deze woorden verdween Krelis de stal in. Berent en Riens keken elkaar eens aan en proesten het uit van de lach.
‘Wat zit de wereld toch soms moeilijk in elkaar Riens,’ zei Berent. ’Een vader die alles eens zelf heeft meegemaakt, is vergeten hoe het is als twee mensen verliefd zijn op elkaar. Misschien is het wel gelukkig dat ik de ware liefde nog niet ben tegengekomen. Afijn, laten we het maar even afwachten, na het melken praten we wel verder over wat moet gebeuren.’
Samen besloten ze Krelis te volgen en hem te gaan helpen met melken en het voeren van het vee.
Volgende hoofdstuk Hoofdstukken


