Dries gebruikte die zondag in Gorkum om nog eens rustig de gebeurtenissen van de afgelopen weken te overdenken. Er waren verschillende dingen gebeurd die hij niet kon begrijpen, waar hij geen reden voor kon bedenken waarom het gebeurd was.
Neem nu alleen al het feit dat vader vermoord was. Dries kon absoluut niets bedenken waarom vader werd omgebracht. Wist vader iets van die Juan la Vrestra? Had hij vanuit de opkamer soms gezien dat hij van kleding verwisselde met de marskramer? Maar al had hij dat gezien, die Juan moest op de boerderij zijn. Hij liep immers als marskramer het erf op. Dit kon toch geen reden zijn om iemand te vermoorden?
Waarom zat die brief die aan Juan la Vestra gericht was in de mars? Waarom was de mars blijven staan? En nog belangrijker, waar was de moordenaar gebleven? Niemand had hem gezien. Men had de marskramer opgepakt in Wingerden.
En daar was het ineens, in een flitst schoot het door Dries heen. De kramer was opgepakt en niet Juan la Vrestra. De persoonsverwisseling was dus weer ongedaan gemaakt!
Dries was opgesprongen van de boomstam waarop hij had gezeten. Hij was na het noenmaal naar de Waterpoort gewandeld en langs de rivier was hij op een omgevallen boom gaan zitten. Het was wel wat fris in het bleke zonnetje maar hij genoot van het uitzicht over het water. Met zijn handen in zijn zakken liep Dries nu langs de vloedlijn, diep in gedachten. Honderd passen naar links en honderd passen weer terug. Zo lieten zijn gedachten zich wat ordenen. De marskramer vertrekt als Juan la Vrestra en wordt gearresteerd als marskramer. Dit gegeven is steeds over het hoofd gezien. Waar en wanneer hebben de kramer en Juan elkaar weer ontmoet? En waarom bleef de mars achter op de boerderij? Dat de mars niet was gevonden kon hij nog verklaren, de schapen werden 's avonds gevoerd met wat hooi en 's morgens werd de mest verwijderd. Geen mens was in het hok geweest. Had dan niemand de hond gemist, geen mens het luik horen klapperen?
Dries liet zich moedeloos neer op de omgevallen boom, steunde met zijn kin op zijn hand en tuurde over het water. Er moet een goede reden zijn voor die mars. Was hij blijven staan zodat deze moest worden gevonden? Of stond hij nog daar en moest hij later worden opgehaald? Dit laatste leek erg onwaarschijnlijk omdat de knechten en ook een van de meiden vader op ieder moment van die middag hadden kunnen vinden. Dus al was het vooraf bedacht dat de mars moest blijven staan dan zouden vanzelfsprekend ook de brieven worden gevonden. En wat wilde men dan dat er met de brieven zou gebeuren?
Uiterst ingespannen probeerde Dries de vele vragen die naar boven kwamen te beantwoorden. Hij kon geen antwoord bedenken wat de bedoeling kon zijn dat anderen dan de geadresseerden de brieven lazen. Dus bleef er over dat de mars niet moest worden gevonden noch later op moest worden gehaald. Er moest iets tussen gekomen zijn zodat Juan snel moest vertrekken zonder dat hij kans zag de mars mee te nemen. Per slot van rekening is een mars niet iets wat je achteloos over je rug slingert als je de vlucht neemt.
Nogmaals ging Dries de gangen na van zijn thuiskomst op die bewuste avond. Het water kwam die avond met bakken uit de lucht hij hoorde weer het loeien van de storm, het klepperen van het luik en …... het niet aanslaan van de hond. Hij had dit nog niet in verband gebracht met de vlucht van de dader. Alleen in verband gebracht met de aanval van Juan op vader. Hij was er vanuit gegaan dat de aanvaller de hond verwond had toen deze zijn baas wilde verdedigen. Maar wat nu als de hond eens buiten was toen Juan vader aanviel en dat de hond pas later in actie was gekomen, zou Juan door de hond op de vlucht zijn gejaagd en hem toen hebben verwond?
Weer stond Dries op en liep heen en weer langs het water. In gedachte zag hij Juan door een kier van het stalluik kijken of de weg vrij was naar de weilanden. Hierlangs ontsnappen met meenemen van de mars zou een mogelijkheid zijn. Dan kon hij langs de Achterdijk in de richting van Wingerden komen en de mars weer verruilen tegen zijn kleding en hoed. Vandaar zou de marskramer zijn weg weer kunnen vervolgen en ook Juan la Vrestra. Dit zou een oplossing kunnen zijn van het raadsel. De hond had hem aangevallen toen hij door het luik naar buiten kwam en er was een worsteling ontstaan. De hond was naar binnen gesprongen en verdedigde het luik zodat Juan geen kans meer zag de mars mee te nemen.
Dit zou ook verklaren waarom de mars daar achter in de stal lag. En zo zou dit ook verklaren waarom er nog een brief in de mars lag die gericht was aan deze Juan la Vrestra. De ontmoeting tussen Juan en de marskramer was dus niet vooraf gepland. De marskramer had de brief in een van de laden gereed gelegd voor Juan en zou hem mogelijk die dag aan hem geven. Anders was de brief ook nog in het geheime vak verstopt. Maar door de onverwachte ontmoeting was de kramer dit zeker vergeten te zeggen tegen Juan anders had hij de brief wel gegeven en niet zijn mars meegegeven om hem zelf de brief er uit te laten nemen. Nee, het meegeven van de mars had een andere bedoeling. Zou die moeten dienen als afleiding zodat, als er iets mis zou lopen in het plan, de marskramer als schuldige zou worden aangehouden?
Hoe Dries ook probeerde hij kon geen andere mogelijkheid bedenken wat de aanwezigheid van de mars kon verklaren. Als hij weer op de Hogendijk is kan hij nog trachten te ontdekken of er iemand die middag via de weilanden en de Achterdijk naar Wingerden was gelopen.
Dit probleem leek te zijn opgelost. Al bleven er ook nog vele onbeantwoorde vragen over, Dries hoopte dat hij daar het antwoord nog op zou kunnen vinden.
Nu even niet denken aan de gebeurtenissen van de afgelopen weken maar een fikse wandeling gaan maken langs de muren die de stad Gorkum omsloten. Hier, bij het kasteel “De Blauwe Toren”, kon je in de verte slot Loevestein zien liggen, Daar was de haven aan de uitmonding van de Linge. Aan de muren was deze zomer hard gewerkt, zand, stenen en hopen aarde lagen nog naast en zelfs op de muur. Ook aan torens werd hard gewerkt. Het was ook wel erg nodig want sinds de stad is overgegaan in Hollandse handen leek het er op dat er jaren weinig werk aan de verdediging van de stad was uitgevoerd. Toch leek het er niet echt op dat deze werken al een grote stap in de goede richting waren om tot goede verdedigingswerken te komen. Daarvoor moest er nog te veel aan de muren worden opgeknapt.
Na een wandeling van een paar uur kwam Dries weer aan bij de herberg in de stad. De waard had een voortreffelijke maaltijd bereidt en Dries liet dit goed smaken. Met een kroes bier voor zich keek hij uit het venster en kon daar vandaan precies zien wie er over de westelijke brug de stad binnen kwam. Op deze zondag waren er maar weinig koetsen en wandelaars op pad. Wel trokken enkele visserslui erop uit om hun bootje klaar te maken om morgen weer te gaan vissen. De vis die gevangen werd hier op de rivier was van prima kwaliteit en werd alom geroemd. Ook zag Dries een aantal vrouwen door de poort de stad in komen waarschijnlijk op weg naar de Grote kerk. Je kon aan hun kleding zien dat deze vrouwen niet uit deze streek afkomstig waren. Ze droegen grote witte kappen op hun hoofden en een bezoeker die aan een andere tafel zat en ook nieuwsgierig de straat in keek wist te vertellen dat deze groep vrouwen familie waren van de stadschirurgijn Nicolaas Blum. Deze was vorige week overleden en de familie was vanuit Zeeland overgekomen. Dries die deze dracht nog nooit gezien had verbaasde zich over de verschillen in kleding tussen deze Zeeuwse vrouwen en de vrouwen die de bezoeker aanwees als zijnde schoonzusters van de overleden chirurgijn.
‘Ja kerel,‘ zei de man en nam plaats aan het tafeltje bij Dries, ‘als je nog niet verder geweest bent dan alleen de Waard of in het Gelderse dan staat er nog een hele wereld voor je open. Ik ben sinds vorige week thuis van een reis naar de Oostzee. Als je dan aan de wal komt in de Deense havens of een van de havens in Noorwegen, dan verbaas je je iedere keer weer hoe de mensen zich daar kleden. Typische mutsjes en petten worden daar gedragen maar ook de jassen en broeken verschillen wezenlijk van hier. Ik kan je vertellen dat als je nog meer naar het oosten vaart en handel doet, je ook verbaasd zal staan van de gebouwen en huizen. Men bouwt er op een heel andere wijze dan hier in Holland.’
Zo raakt Dries aan de praat met deze zeeman die al menig reis naar de streek rond de Oostzee heeft gemaakt.
Het werd zo een gezellige avond maar na een paar uur wenste Dries een goedenacht en vertrok naar zijn slaapplaats op de bovenverdieping.
De volgende morgen werd er markt gehouden rondom de grote kerk. Ook de beide knechten die Dries had meegekregen vanuit Zaltbommel maakten zich gereed om met hun waren naar de markt te gaan. Omdat ze niet als kooplui in Gorkum waren ingeschreven moesten ze bij de marktmeester een vergunning gaan halen. En na een goed uur liep Dries langs de beide mannen die aan weerszijde van hun karren stonden en hun waren, groenten, kazen en graan, aanprezen. Hun paarden stonden vastgebonden aan een hek naast de kerk. Dries liep langs de mannen heen alsof hij hen niet herkende. En paar straten verder aan de linkerkant stonden aan aantal boeren die hij wel kende. Ze moesten vroeg vertrokken zijn want er waren er bij die van Giessendam kwamen. Op de Varkensmarkt werden goede zaken gedaan. Met soms rode hoofden sloegen handelaar en boer de handen op elkaar bij het bepalen van de prijs. En als er moest worden afgerekend werd dat steevast gedaan in de dichtst bij zijnde herberg. Hier zag de gelagkamer blauw van de rook die opsteeg uit de vele witte pijpjes die er werden gerookt. Een gewoonte die met de Spanjaarden naar Holland was meegekomen. Dries had nooit kunnen wennen aan de prikkelende tabaksrook in een lokaal terwijl hij het roken van een pijpje op de stee wel prettig vond. Hij had leren roken bij oom Willem in Schoonhoven. Daar stond ook de tabakspot op tafel. Oom Willem mocht dan wel een van de grotere pijpmakers van Schoonhoven zijn het was niet zijn gewoonte om zoals hij dikwijls lachend opmerkte, zijn geld als rook de lucht in te laten gaan.
Dries begroette de boeren en ging bij het groepje staan.
‘Zo Dries,‘ zei een van de boeren, ‘heeft je vader je naar Gorkum gestuurd om een paar vette zeugen te verkopen?’
De stilte die viel was bijna tastbaar. De boer keek verwonderd het kringetje rond en vroeg verbaast: ‘Het lijkt wel of ik wat verkeerds heb opgemerkt, heeft je vader je soms terug gestuurd naar Schoonhoven?’
Niemand durfde de spreker aan te kijken of een blik te werpen op Dries. Het was duidelijk dat deze boer die ergens achter Ottoland boerde nog niets vernomen had van de gebeurtenissen van de laatste maanden.
‘Boer Arendse, ik vermoed dat je de laatste maanden te druk aan het werk geweest bent om de praatjes uit het dorp te vernemen,’ zei Dries en legde zijn hand op de schouder van de oudere man.
Vervolg Hoofdstukken


