’Inderdaad ben ik door vader terug naar Schoonhoven gestuurd toen we wat onenigheid hadden. Ik heb bij Oom Willem en Tante Jannigie in Schoonhoven een andere opvoeding gekregen dan hij ooit heeft gekregen en dat botste nog al eens de laatste maanden. Ook heb je niet gehoord van de dood van mijn vader mag ik aannemen anders had jij deze vraag niet gesteld’
Verschrikt keek de boer Dries aan. ’Wat vertel je mij daar? Is Wout in’t Romeijn overleden? Ik ben inderdaad de laatste weken niet veel in het dorp geweest, vanmorgen zijn we na drukke zomermaanden weer eens naar Gorkum gereden om een en ander te kopen.’
Ondanks dat er een bleek zonnetje scheen was het daar op de hoek van de Varkensmarkt erg koud. Een dunne wind sneed door de kleren.
’Kom mee naar de herberg “De Markt” Arendse, dan vertel ik je het hele verhaal.’
Dries nodigde de andere ook mee naar binnen waar een flink vuur in de haard brandde. Op verschillende tafels brandde er een kaars zodat het er in de herberg gezellig uitzag. Hier vertelde Dries, aangevuld door verschillende andere dorpsbewoners de toedracht van de dood van zijn vader.
Arendse, die getrouwd was met de zuster van een van de boeren van de Hogendijk, Jan van Kabouw, die ook bij dit gezelschap zat, was verwonderd dat hij niets van dit alles had vernomen. De laatste keer dat hij Dries had ontmoet was op de bruiloft van een nicht, een dochter van Kabouw. Dit bleek, na berekening, drie weken voor de dag te zijn geweest dat Dries door zijn vader was weggestuurd. En nadien verklaarde Arendse had hij niets meer uit Giessendam vernomen.
‘Nu moet je in deze tijd ook niet teveel naar praatjes luisteren. Het lijkt een gevaarlijke tijd te worden je gangen worden nagegaan, men kijkt zelfs bij ons in Ottoland of je wel trouw naar de mis gaat en of je regelmatig ter biecht komt. De pastoor is tegenwoordig meer gevreesd dan de schout met zijn rakkers, zelfs meer dan de Specken,’ zo merkte een van de boeren op. ’Ik heb begrepen dat ook Dries niet veel met de pastoor van Giessendam op heeft, zijn vrienden dreigden zelfs de beste man in het water van de Giessen te gooien.’
Zo ging het gesprek de richting in die Dries graag wilde. Voorzichtig informeerde hij of alle pastoors er zo de wind onder hadden in de dorpen van de Alblasserwaard. Het bleek uit de gesprekken dat de nieuwe leer hier aan de zuidrand van de Waard een gewillig oor had gevonden maar ook dat de pastoors uit alle macht dit probeerde te verhinderen. Ook merkte Dries dat zijn tafelgenoten wel veel vertelden en wisten van de geschillen tussen katholieken en mensen van de nieuwe leer maar dat er geen een was die er rond voor uit kwam wat zijn geloof was.
‘Ik geloof dat de pastoors en kapelaans van hogerhand gedwongen worden de bevolking te controleren. Als nu de bevolking zich eens wilde bundelen en een protest liet horen bij de bisschop zou die dan bevestigen of ontkennen, dat zij het zijn die het volk onderdrukken?’ sprak Kabouw. Een van de anderen dacht niet dat de lagere leiders van de katholieke kerk er schuldig aan waren maar dat van bovenaf de knoet over de landen ging.
‘De grootouders van Keizer Karel zijn er mee begonnen,’ zei Dries die voelde dat hij in goed gezelschap was. Mensen uit de Waard die zich niet lieten ringeloren door de leiders van de kerk en die er ook niet bang voor waren om hun mening bekend te maken onder geloofsgenoten.
’Ik heb eens een verhaal gehoord van een heer die kwam van Overlek. Die vertelde dat aan het eind van de vorige eeuw de vervolging van de Moren in Spanje, die daar als heidenen worden gezien, verschrikkelijk moet zijn geweest. Eerst hadden zij de Joden daar gedwongen zich te bekeren tot het christendom en diegenen die dit weigerden werden gedwongen te vertrekken uit Castilië en uit Aragón. Er zijn toen tussen de 100.000 en 400.000 joden vertrokken naar andere landen. Ook zijn daar honderdduizenden doden gevallen omdat deze Ferdinand van Aragón en Isabelle van Castilië zich hadden voorgenomen dat een ieder katholiek moest worden. Keizer Karel was het daar later ook mee eens en nu Filips onze leenheer is zouden wij dus allemaal katholiek moeten blijven. Of we worden zoals toen de Joden en de Moren, vervolgd als ketters met alle gevolgen van dien’
Dries nam een slok van het glas wijn dat de waard kwam brengen. De boeren zaten gespannen te luisteren naar zijn verhaal.
‘Je vertelde dat het de grootouders waren van Keizer Karel,’ merkte Arendse op, ‘maar wie waren dan de ouders van de Karel V?’
Dries vertelde verder: ’Dat waren Filips de Schone en Johanna de Waanzinnige zoals zij genoemd werd. Filips verbleef lange tijd aan het hof in Mechelen en Johanna woonde nog steeds in het zuiden bij haar ouders. Lang bleef zij daar niet wonen. Verteerd door jaloezie reisde zij naar haar man en veroorzaakte door haar onevenwichtige gedrag veel heibel aan het hof. Omdat haar moeder was overleden en Johanna de wettige erfgename was van Aragón vertrokken Johanna en Filips de Schone naar het zuiden. Steeds kreeg Johanna tegenstand van haar man Filips de Schone die aan haar geestelijk vermogen twijfelde. Hij eiste van haar dat hij haar zou opvolgen maar zover is het nooit gekomen. Filips overleed en dit maakte dat Johanna de controle verloor over haar handelen. Ze liet haar echtgenoot balsemen en liet hem in een loden kist op haar slaapkamer plaatsen. Daar maakte ze iedere morgen de kist even open om te zien of haar geliefde weer tot leven zou zijn gekomen. Aan haar verstandelijk vermogen werd openlijk getwijfeld, ze nam de kist met het lijk met zich mee op reis door het land. Pas na lang aandringen van haar vader liet Johanna het stoffelijk overschot begraven en liet hij Johanna gevangen zetten in een kasteel. Zelf nam hij de regering van het land op zich. Hierbij vergat ook hij niet om de Joden en Moren te blijven vervolgen. Ik behoef jullie niet uit te leggen waarom Johanna de bijnaam De Waanzinnige heeft gekregen.’
Na een slok wijn te hebben gedronken uit de beker die de waard opnieuw voor hem had vol geschonken ging Dries verder: ’De vervolging werd later overgenomen door Keizer Karel die met grote ijver probeerde de ketters te vuur en te zwaard te bestrijden. Kijk maar eens om ons heen wat een angst hij niet in de afgelopen jaren ook in onze gewesten heeft gezaaid. In 1525 was Jan de Bakker de eerste protestant die ter wille van zijn geloof in ’s Gravenhage op last van de toenmalige landvoogdes tot de brandstapel werd veroordeeld. Velen zijn hem gevolgd. Ik heb wel vernomen dat in Vlaanderen mensen om hun geloof werden opgehangen aan de dichtst bij zijnde boom. Daar in het Zuiden werden de mensen vervolgd door de leiders van twee verschillende groepen. De ene keer waren het de katholieken die de ketters vermoorden, de volgende jaren waren het de mensen van de nieuwe leer die de katholieken ophingen aan de dichtstbijzijnde boom. Werkelijk rijen met lijken hingen daar langs de laan die naar het dorp voerde. De mensen vluchten uit hun huizen weg omdat het daar zo verschrikkelijk stonk. Ik vrees dat nu zijn zoon de Heer der Nederlanden is hij het werk van zijn vader met onverminderde kracht wil voortzetten. Er gingen maanden geleden al geruchten rond als zou Filip II zijn halfzuster Margaretha van Parma als landvoogdes willen aanstellen. Hij heeft een hekel aan dit koude kikkerland zo als hij Holland noemt.’
Hier stopte Dries zijn verhaal en keek zijn toehoorders aan.
’Gelukkig zijn we maar met enkele vertrouwde mensen in de gelagkamer anders had ik jullie dit verhaal niet durven vertellen. Ik heb een en ander gehoord op het kasteel van de heer van Brederode in Vianen. Daar kwam ik vaak toen ik in Schoonhoven woonde. Oom Willem ging altijd zelf de bestelling van kleipijpen wegbrengen in het kasteel. Dat liet hij zijn knechten niet doen, hij nam mij dan meestal mee en ik genoot dan werkelijk van de prachtige verhalen die Brederode kon vertellen. Soms, als het over de ketters en de inquisitie ging liepen de koude rillingen over mijn rug. Zo intens kon je meeleven met zijn verhalen.’
Kabouw klopte zijn pijpje uit tegen de tafelpoot en zei: ’Het is een mirakel Dries dat jij zulke mooie verhalen kan vertellen. Ik hoop dat je eens bij mij komt buurten van de winter. Naar zulke mooie verhalen luisteren is een mooi tijdverdrijf.’
Arendse sloeg zijn zwager op de schouder en lachte: ’Een manier om je tijd te verdrijven zeg je? Het is nu klaarlichte dag en je zit hier terwijl er misschien wel een serieuze koper bij je varkens staat te wachten’
Samen bedankten ze Dries voor het mooie verhaal en liepen weer de markt op. De andere boeren volgen al snel, ze waren immers hier om varkens te kopen of te verkopen.

Dries betaalde zijn gelag en volgden de boeren naar buiten. Hij wandelde langs de kerk waar de knechten van de heer van Savenhent hun waren trachten te slijten. Herbert, de oudste van de beide knechten liet met een hoofdbeweging merken dat hij Dries wilde spreken. Met zijn handen in zijn zakken liep Dries het steegje in dat uitkwam op de gracht. De knecht volgde hem op een afstandje. De plek langs de gracht werd veel gebuikt om een kleine boodschap te doen en het leek er dan ook op alsof het tweetal die boodschap gingen doen.
`We hebben beet Dries,´ zei Herbert, ´er kwam een heer langs die reageerde op ons verhaal als zouden wij onze heer een hak willen zetten´
Dries had zondagmiddag met de beide mannen het plan bedacht om zich voor te doen als rebelse knechten van de heer van Savenhent. Hij zou de nieuwe leer zijn toegedaan en zou ketters een ander prijs voor hun handelswaar laten betalen dan de katholieken. De oprechte katholiek is daardoor duurder uit dan de ketter. Omdat zij zich onder de laatste schaarden wilden ze hun heer een kool stoven en waren verder van Zaltbommel gegaan om hun waren te verkopen.
Deze heer zou contacten hebben met de pastoor van Zaltbommel en die is er fanatiek mee bezig om de ketters die daar voet aan de grond lijken te krijgen, uit te bannen. Hij zou de heer van Savenhent zien als een van de grootste onruststokers in zijn parochie. We hebben nu afgesproken dat we hem overmorgen zouden treffen in de Agnietensteeg naast het klooster. Ik heb afgesproken dat we dan met zijn drieën zouden zijn. Er zou nu een knecht ziek in de bedstee van de herberg liggen. Zo kan jij als zogenaamde knecht van de heer van Savenhent er ook bij zijn.´
´Dat heb je goed verzonnen Herbert. Maar vertel eens, hebben jullie de plaats afgesproken waar we elkaar zouden treffen of is dat op voorspraak van die heer?´
‘Wat maakt dat nu uit Dries, is het belangrijk wie de plaats van afspraak maakt, hij of ik,’ vroeg Herbert verbaast.
‘Dit is juist heel erg belangrijk,‘ legde Dries geduldig aan Herbert uit, ‘hij zou eventueel maatregelen kunnen treffen om ons af te luisteren als we op hem staan te wachten of ons te volgen wanneer we daar weggaan. Misschien wat hulptroepen verbergen en deze achter de hand houden. Ik hoop dat je niet verteld hebt waar je verblijft.’
‘Zo had ik het niet bekeken, en nee, ik heb ons verblijf niet verraden en zal er terdege op toezien dat niemand ons volgt als we naar de herberg terug gaan.’
‘Ik denk zelfs dat het maar beter is dat jullie nu al je boeltje pakken en spoorslags terug rijden naar Zaltbommel, vertel jullie heer de wetenswaardigheden van de afgelopen dagen en kom dan per paard terug, drie uur voor de afspraak hier in Gorkum. Dan ontmoeten we elkaar weer hier in deze steeg. Laten we nu snel de steeg verlaten voordat men argwaan krijgt.’
De knecht verdween om de hoek van de steeg en Dries volgde even later. Hij liep direct naar de herberg waar hij verbleef en liet de waard een warme maaltijd brengen.

Volgende hoofdstuk                    Hoofdstukken
Onze Facebook pagina