


Dries zette zijn kraag wat hoger op zijn jas, hij voelde een kleur opkomen. Krelis heeft gelijk dacht hij, ik heb haar weggekocht. De boer wilde haar niet laten gaan. Hij had gezegd dat hij, Dries Romeijn, niet moest denken dat hij met het vele geld en bunders land dat hij had geërfd van zijn vader, zo maar de eerste de beste stoepmeid bij haar boer vandaan kon halen. Hij had de koppige boer bijna moeten smeken de meid te laten gaan. Je kon langs de dijk best aan een andere meid komen had hij gezegd, er zijn meiden genoeg te krijgen nu het wat slechter met de boeren gaat. Gelukkig was de man bezweken voor de goudstukken die hij op tafel had gelegd. Neem die meid dan maar gelijk mee had de boer gezegd en direct had hij de goudstukken gepakt en opgeborgen in zijn geldkist onder de bedstede.
‘Je moet niet alles direct voor waar aannemen,‘ zei Dries, ‘Krelis, je weet hoe hier op de dijk gekletst wordt. Ik heb er een goede meid aan op de stee.’
Zo liepen ze beide door in de richting van de Dam. Een ieder met hun eigen gedachten, Dries dacht aan Anna die in de afgelopen weken veel voor hem betekend had. Hij dacht terug aan hun gesprek op die avond in de keuken toen ze vroeg of hij een vrouw op het oog had. Krelis dacht ook aan Anna, zijn dochter uit zijn eerste huwelijk. Anna die steeds meer ging lijken op Sijgje, zijn eerste vrouw, die een jaar nadat Anna was geboren, gestorven was aan de pokken. Anna was nu zo oud als Sijgje toen ze trouwden. Hij had gezien hoe ze soms naar Dries keek, hem volgde met haar ogen als Dries na het eten naar de stal liep. Hij had haar betrapt met tranen in haar ogen nadat Dries hun verteld had dat hij naar de vriend van Hendrik zou gaan om raad te vragen, hij had gezien hoe blij ze was geweest toen Dries had gevraagd of ze bij hem op de stee wilde komen. Ze zou zich toch niets in haar hoofd halen, zij een dochter van een daggelder, een boerenknecht die enkele weken geleden nog zonder werk was en moest leven van wat hij kreeg van de goedheid van de medemens uit de buurt. Hij nam zich voor om haar er over te onderhouden, zich niets in het hoofd te halen.
‘Kijk,‘ zei Dries, die een aanleiding zag om over iets anders te praten, ‘bij de Korevaers zijn ze begonnen met de kap van de nieuwe stee. Het riet voor het dak wordt juist gelost, in de Giessen ligt een schuit uit Kampen. Ik heb horen vertellen dat de rietdekker, het riet laat aanvoeren vanuit de streek rond Zwolle en Meppel. Het schijnt dat het riet wat daar groeit beter is voor de daken dan het riet van de overkant van de rivier.’
Een man, die ook op de dijk stond, hoorde de laatste woorden van Dries en sprak Dries aan.
’Ja Romeijn, je weet niet wat men tegenwoordig niet verzint. Aan de overkant van de rivier staan hele velden met riet. De hele waard heeft er eeuwen lang de boerderijen en huizen mee gedekt, nu ineens zou dat riet niet goed zijn. Weken heeft het geduurd voor die schuit van Zwolle naar hier gevaren is. Ik had daar even een praatje met de schipper. Die vertelde dat hij zelfs wel eens riet van Meppel naar Bergen op Zoom gebracht heeft.’
‘Dat doet de streek hier geen goed,’ merkte Krelis op, ‘er werken veel Giessendammers aan de overkant van de rivier in de grienden en op de rietgorzen. Als ze daar in ‘t Overijsselse maar niet in griendhout beginnen. Straks komt daar ook nog de klad in. De houtbazen betalen toch al zo weinig aan het werkvolk.’
Vele generaties werkten aan de overkant van de rivier. Van de vroege maandagmorgen tot de zaterdagmiddag. Voor een loon dat veel lager was dan van een boerenknecht. Krelis had de afgelopen maanden verschillende keren aan griendbazen gevraagd of ze nog werkvolk konden gebruiken maar steeds weer was hij onverrichter zake weer op huis aangegaan. Geen werkvolk nodig dat boerenknecht is geweest, was steevast het antwoord. We weten dat die lui toch weer terug willen naar de dijk. Een paar weken had hij gewerkt in de hoepmakerij van Nelis de Bruijne. Dagen had hij stokken staan schillen. Het werken aan de martelpaal, zoals men het schilijzer noemde aan de dijk, was hem bar slecht bevallen. Hij was blij dat hij terug kon komen bij Dries en trots over het voorstel dat Dries aan hem gedaan had. Hij was benieuwd naar het gesprek dat ze zouden hebben met de broer van Wouter, de oom van Dries.
‘Kom Dries,’ zei hij, terwijl de mannen in een druk gesprek verwikkeld waren over prijzen van riet en rijshout, ‘we moeten nog verder.’
‘Laat jij je gezeggen door je knecht,‘ vroeg Korevaer die er ook bij was komen staan. ’Ik zou zo’n kerel direct van mijn erf jagen. Je vader had hem beter in de gaten dan jij, Dries. Hij heeft een veel te grote mond. Je vader heeft er goed aan gedaan hem van zijn erf te jagen. Ik snap niet dat jij hem terug genomen hebt. Jij bent veel te mild denk ik.’
‘Wij hebben samen iets te doen en ik wil niet dat je zo minderwaardig over mijn werkvolk praat, Adriaan. Ik ben goed bij machte om zelf mijn volk uit te zoeken en wat betreft het wegjagen van het werkvolk. Mijn vader heeft mij ook als een hond van zijn erf gejaagd dus ik weet precies wat dat is.’
Verwonderd over de plotselinge uitval van Dries mompelde Adriaan: ‘nou dan moet je het zelf weten. Ik vertrouw de vent niet en ook niet zijn dochter. Volgens mij zijn ze allebei niet van de zuivere leer. Bekijk het maar, ik heb je gewaarschuwd.’ Meteen draaide hij zich om en liep terug naar zijn nieuwe stee.
‘Bedankt Dries,‘ zei Krelis toen ze verder liepen, ‘Ik heb het je nog niet zo verteld maar we zijn je dankbaar dat je mij teruggenomen hebt. Ook voor wat je ons gisteren voorstelde. Ik had hier nooit van kunnen dromen.’
Na een half uur stevig door te hebben gelopen kwamen ze aan bij de hofstee van Willem Romeijn. Een grote stee met vele bunders land die Willem had geërfd van de zijde van zijn vrouw, al achtentwintig jaar geleden.
‘Kijk daar eens,‘ begroette Willem de beide mannen, ‘daar komen Dries en Krelis aan. Waar heb ik dit bezoek aan te danken, zo midden in de week?’
Willem stak de spade met een ferme duw in de grond en liep de groentetuin uit en schudde de beide mannen hartelijk de hand.
’Kom mee naar binnen, er zal wel wat warms te drinken zijn. Ik kan wel wat warmte gebruiken, het is een dunne wind vandaag. Ik denk dat de winter vroeg invalt dit jaar. Veelal na een herfststorm volgen er strenge winters.’
Binnen in de grote boerenkeuken vertelde Dries dat hij op stap ging naar Utrecht. Hij liet doorschemeren dat hij wel enkele weken op pad wilde om vee en nieuw gerij te kopen en niet precies wist wanneer hij terug zou komen.
‘Ik geloof dat je geen zin hebt in het boerenbedrijf,‘ zei Willem, die het verhaal aan hoorde, ‘jij bent meer koopman dan boer. Ik herinner mij het verhaal nog wat je vader mij eens heeft verteld. Je wilde handelaar worden, voor alle boeren in Giessendam koeien gaan kopen in Utrecht en uit je verhaal nu, proef ik de koopmansgeest.’
‘U raadt het, ik ben niet in de wieg gelegd voor boer. Ik wil eerst wat meer zien van het land en nu ik de stee van vader heb geërfd kan ik niet meer doen wat ik graag zou willen. Ik had zo gedacht dat Krelis de stee voor mij moet beheren. Ik wil hem de verantwoording geven en kwam U vragen om hem een handje erbij te helpen.’
Vervolg Hoofdstukken