Onze Facebook pagina
Peinzend keek Willen Dries aan. Wat moest hij hier mee aanvangen? Zou hij de jongen op zijn plicht wijzen als boer? Hem wijzen op zijn verantwoordelijkheden als boer tegenover de knechts en de meiden? Wat zou er gebeuren als Krelis de verkeerde beslissingen zou nemen?  Hij overdacht het probleem dat zich onverwacht aandiende.
‘Dries,‘ zei hij, ‘heb je dit wel goed overdacht alvorens je dit mij voorlegde? Is dit plan wel overwogen? Je hebt de laatste maanden wel wat meegemaakt. Ik voorzie dat je een lange tijd wegblijft, je hebt het niet gezegd maar ik voel dat er meer is dan je ons verteld hebt. Ik ben bereidt om Krelis te helpen met raad en eventueel ook met daad. Als hij hulp nodig heeft kan hij bij ons aankloppen. Maar besef wel, Dries, er kan van alles gebeuren als je weg bent. De tijd is onrustig. De Spaanse soldaten trekken door het land en het zijn rabauwen. Er is in de afgelopen weken veel aanloop geweest van Spaans sprekende heren bij de pastoor in het dorp. Ik verwonder mij waarom er in een klein dorp als Giessendam zoveel vreemde heren rond lopen. De schout heeft gisteren de marskramer overgebracht naar Dordrecht. Er waren Spanjaarden bij die het transport  begeleiden. Waarom konden de rakkers van de schout niet de gevangene bewaken? Ik bedoel hier mee te zeggen, we leven in een uiterst onzekere tijd. Maar als je wel overwogen je beslissing hebt genomen, ga dan gerust. Krelis en ik zullen zorg dragen voor have en goed. Maar nog een ding, Dries, wat regel je voor de nacht. Je kunt niet de hofstee onbewoond laten. Er moet laat nog gevoerd worden en de mensen hebben zo in de gaten dat er niemand is.’
Hier had Dries nog niet bij stil gestaan. Ja, hoe moest het ‘s nachts? Er moest iemand aanwezig zijn in de boerderij. Er kon van alles gebeuren als er geen toezicht zou zijn. Misschien nog niet de eerste weken maar toch over enkele maanden zullen de eerste schapen lammeren en worden de eerste kalfjes geboren.
Hier schoot Krelis hem te hulp. ’Ik zou aan Janus, mijn oudste zoon kunnen vragen of hij ‘s nachts op de stee wil slapen. Als er wat is met de beesten dan kan hij helpen of mij roepen. Je weet Willem, wij wonen een paar minuten verder richting Slydrecht. Janus is 20 jaar en zou dit gemakkelijk aan kunnen. Als Anna ook blijft slapen is er niets aan de hand.’
Dries had nog wel wat bezwaar. ’Is het wel vertrouwd om Janus er te laten slapen. Wat gebeurt er als zijn boer hem laat roepen als er iets met zijn beesten is?’
Maar Krelis wees dit bezwaar van de hand. ’De eerste knecht van zijn boer woont naast de boerderij en als de boer Janus wil laten roepen dan is hij een half uur onderweg. Nee, Dries zit daar maar niet over in. En als het zich eens voordoet dan kan hij mij toch roepen als hij naar zijn boer gaat? Die woont verder op richting Slydrecht.’
Hier kon Dries niets tegen in brengen en stemde dan ook na enig aarzelen toe. Willem die het aangehoord had vond dit een goede oplossing.
‘Je bent toch niet van plan om maanden weg te blijven,‘ zei hij, ‘beloof me dat je over uiterlijk vijf weken terug bent dan kun je zie hoe de welstand is van je hofstee en de dieren. En blijf je langer weg laat dan even wat weten, hier of op de stee.’
Dit beloofde Dries en na een hartelijk afscheid vertrokken ze beiden in de richting van de Hogendijk. Krelis stapte zwijgzaam voort, vol gedachten aan de toekomst. Dries en Willem hadden vertrouwen in hem. Hij zou ze laten zien dat een knecht even goed de verantwoording kon dragen over het vee en de stee, even goed als een boer van wie het vee is. Dries had dit nu geërfd van zijn vader maar hij, Krelis had er al dertig jaar gewerkt. Hoeveel kalfjes had hij niet groot zien worden, honderd, tweehonderd misschien? Misschien het dubbele aantal aan lammeren. En hij was het geweest, wanneer het tijd was dat de schapen zouden lammeren, die ‘s nacht in de stal de wacht hield terwijl Wout lag te slapen. En als hij dan de gehele nacht was wakker geweest dan mocht hij niet eens na het middageten even een uurtje gaan liggen. Maar, kom dacht hij, nu is de tijd veranderd. Dries is zijn vader opgevolgd op de stee. Mogelijk zou alles nu anders gaan. De eerste lammeren zouden over een paar maanden geboren worden. En bij de gedachte dat hij dan zelf bepaalde of hij, na het eten, een uurtje in de stoel zou slapen, schoot hij hardop in de lach.
‘Wat loop jij nu te lachen,‘ vroeg Dries hem, ’is er iets wat ik gemist heb of is er iets anders?’
Krelis durfde hier op geen eerlijk antwoord te geven en zei daarom, ‘ik denk opeens aan de pastoor. Wat moet die man in de rats gezeten hebben toen we dreigden hem in de Giessen te gooien.’
Ook Dries moest hier om lachen. Hij kon het zich precies voorstellen hoe de pastoor er uit zou hebben gezien als hij daadwerkelijk in de Giessen was beland.
’Ik weet het niet, ik denk dat het muisje nog wel een staartje zal krijgen. De schout en de pastoor laten het hele gebeuren niet langs zich heen gaan. Misschien moet jij je maar even niet inlaten met de gebeurtenissen van die dagen.’
Ondertussen waren ze bij de splitsing gekomen bij de Dam. Dries wilde nog even naar de zadelmaker en zei tegen Krelis, ‘ga jij even naar de wagenmaker en vraag of hij vanavond die nieuwe mestkar wil brengen. Zeg hem dat hij de bles kan ophalen bij de smid, ik loop straks via de buitendijkse polder weer terug naar huis.’
Zo loopt Dries de Hogendijk op in de richting van de Kapel. Even wordt hij opgehouden voor een praatje door een schipper die vertelt dat hij wacht op de verladers. Hij is die morgen aangekomen met zijn schuit vanuit Dordrecht. Zijn schip is geladen met hout en stenen die hier gelost moeten worden. De goederen zijn bestemd voor de bouw van een nieuwe hofstede in Slingerland, zoals het buurtschap aan de Giessen wordt genoemd. Aan de andere zijde van de dam ligt een schuit al te wachten om het bouwgerei in ontvangst te nemen voor het verdere vervoer, maar er is geen mens bij de schuit te bekennen.
Als Dries bij de zadelmaker zijn nieuwe zadel heeft bekeken en gezien heeft dat de zadelmaker een mooi stuk werk heeft gemaakt geeft hij de man opdracht het zadel en tuig vandaag nog af te laten leveren bij de wagenmaker. Dries had enkele weken geleden de man opdracht gegeven een tuig, zadel en zadeltas te maken. Het tuig dat hij thuis in de schuur gevonden had was oud en verweerd doordat het in jaren niet was gebruikt en onderhouden. Dries hield ervan om te paard door de polder te trekken en had zich een goed zadel en betrouwbaar tuig aangeschaft. De vos, die nu als koetspaard werd gebruikt, zou als rijpaard dienst doen. Het was een jong en vurig paard van drie jaar oud. Nu hij had besloten op reis te gaan zou dit nieuwe tuigwerk goed van pas komen.

Volgende hoofdstuk                    Hoofdstukken