De volgende morgen nadat Dries de knechts en de meiden aan het werk had gezet, riep hij Krelis en Anna bij zich in de grote keuken. Hij wilde deze morgen de mars onderzoeken en had daarom de knechts het weiland in gestuurd om te gaan sloten. Ze hadden wel vreemd gekeken en gevraagd of ze dat niet in de winter moesten doen. Zijn vader liet ook altijd in de winter sloten en baggeren. Dan konden ze zich goed warm werken, zei hi danj. Dries had met Anna afgesproken de meid met een boodschap naar Slydrecht te sturen.
‘Wil je even mee lopen Krelis’ vroeg hij en deed de deur van de deel op slot door de balk in de haken te leggen. ’Zo dan kan niemand ons storen. Hier, tussen de hooiberg en de buitenmuur heb ik de mars verstopt,‘ zei Dries en wurmde zich in de nauwe holte. Handenvol met hooi trok hij er uit.
‘Ja, hier heb ik de mars te pakken. Trek jij aan deze band dan komt hij wel, ik til hem over de rand.’
Met de zware mars tussen zich in liepen ze naar de andere zijde van de stal.
’Hou jij de stoep in de gaten Anna. We kunnen beter de mars in de kaaskelder zetten. Daar is genoeg licht en als er iemand van de stoep komt kan Anna ons waarschuwen. Wacht ik haal eerst de balk er weer af, het staat zo raar als er iemand aan de deur komt en deze is midden op de dag gesloten.’
Samen maakten ze de mars open. Er zaten verscheidene laden en kastjes in. De spullen die er uit kwamen legden ze op de kaasplanken. Er was niets bijzonders bij, gewone alledaagse dingen als gespen, knopen, lappen stof en enkele tabakspijpen maar ook een paar mooie stukken kant van Vlaamse makelij. Ook messen en lepels. Spullen die alle marskramers bij zich hebben op hun weg langs de huizen.
‘Ik snap niet waarom de schout en de pastoor zoveel belangstelling hadden voor de mars, ‘zei Krelis. Dries onderzocht de kastjes nogmaals om zich ervan te overtuigen dat er niets meer in de mars was achter gebleven. Toen ze de spullen weer in de kastjes terug wilden leggen kon er een klepje niet gesloten worden. Een steel van een tabakspijp stak uit het kastje.
‘Wat is dat nou, ‘bromde Krelis, ‘daar net paste het er in en nu zou het niet dicht kunnen. Een pijp wordt toch niet langer?’
‘Laat mij eens kijken, ‘zei Dries en boog zich over de mars.’Ik zie het al, dit onderste kastje is wat minder diep, vandaar dat de pijp er niet inpast. Kijk maar, in het kastje er boven past het wel en daar heb ik het daarstraks ook uit gehaald.’
‘Wie maakt er nu twee verschillende kastjes in een mars. Verschillend in hoogte kan ik nog begrijpen maar verschillend in diepte dat vind ik maar raar, ‘zei Krelis die enkele lappen stof in het onderste kastje terug legde.
‘Ik zou alle ruimte benutten in de mars en zeker niet een extra plankje achter in de mars maken zodat het kastje kleiner wordt.’
Dries trok de lappen stof weer uit het kastje en zei: ‘Misschien kan de achterste plank er wel uit genomen worden en zit er een ruimte achter.’
Voorzichtig met een punt van een mes probeerden ze de plank los te maken.
‘Dat is onmogelijk, Krelis, kijk maar de plank loopt langs de bodem heen, door naar beneden.’Ze draaiden de mars om en vonden aan de onderkant een klein koperen stripje, vast gezet met een nagel.
‘Draai eens aan dat stripje, Dries, het lijkt wel of de binnenste plank er aan de onderkant uit geschoven kan worden, ‘zei Krelis. Even later had Dries de plank uit de kist getrokken en achter de valse wand vandaan vielen nog enkele brieven op de grond. Vlug ruimden ze de spullen op die uit de mars gekomen waren en verstopten de mars weer tussen de muur en de hooiberg.
‘Die ruimen we later nog wel eens op, ‘zei Dries en ging, met de brieven in zijn hand, naar de keuken gevolgd door Anna en Krelis.
’Laten we eens kijken wat we gevonden hebben,‘ zei Krelis en legde de brieven op de keukentafel.’
‘Wacht even,‘ zei Dries, ‘dan pak ik de brief die ik al had gevonden er ook even bij.’ Hij pakte de brief uit een boek dat op de schouw lag.
‘Kijk, ‘zei hij, ‘hier is zo’n zelfde brief als die nu uit de mars gevallen zijn. Deze was zeker niet zo belangrijk. Ik vond hem in het bovenste laatje. Al deze brieven hebben als afzender Don Franca. Zou dat de naam zijn van die marskramer?’
‘Wat zullen we er mee doen,’ vroeg Anna, ‘zullen we ze openmaken, dan kan jij ze lezen Dries en misschien wordt er dan iets duidelijk.’
Dries dacht er over na. Was het wel een goed idee om de brieven open te maken. Niemand, behalve Anna en Krelis, wisten iets af van de mars en van de brieven. Zou hij hen kunnen vertrouwen? Zouden ze iets loslaten als de schout of de pastoor ze het vuur aan de schenen zouden leggen. Hij wist een ding wel, de pastoor wist meer van de marskramer af dan hij had laten blijken tegen over hem. En wie zou die andere man geweest zijn die bij het verhoor aanwezig was geweest. Die had bijna niets gezegd, nee, eigenlijk helemaal niets, als hij wat tegen de pastoor zei dan deed hij het fluisterend. Het was een onguur type, lange zwarte haren, een door de zon bruinverbrand gezicht en er liep over zijn kin een lichter gekleurd litteken. Soms vertelde de pastoor dan ook iets fluisterend tegen de schout, die daarop weer een vraag stelde aan Dries. Er bekroop hem een benauwd gevoel. Nee, hij zou de brieven niet openen. Dan konden Anna en Krelis ook niet te weten komen wat er in stond en zo niets verraden als de schout of de pastoor hun het vuur aan de schenen zouden leggen. Dries huiverde als hij dacht aan wat kon gebeurden als de schout en zijn rakkers iemand tot een bekentenis dwongen.
‘Ik geloof dat het beter is dat ik naar de vriend van Hendrik ga en hem de brieven laat zien. Dan moet hij maar beslissen of hij ze leest of niet,‘ besloot Dries. ’Overmorgen ga ik op weg, als er iemand vraagt waar ik naar toe ben, dan zeg je maar dat ik dat niet verteld heb.’
‘Dan doe ik wel alsof je iets gezegd heb over koeien kopen bij je oudoom in Utrecht,‘ zei Krelis, ‘je vader ging daar om de paar jaar ook een week of drie naar toe. Hij zei dan dat hij vers bloed wilde gaan kopen. En hoewel hij daar veel om uitgelachen werd denk ik dat hij daar niet verkeerd aan deed. Jij hebt nu de mooiste koeien van de waard.’
‘Goed, laten we dat afspreken,‘ zei Dries, ‘jullie weten niet waar ik naartoe gegaan ben. Misschien naar Utrecht, misschien naar Schoonhoven, laat het maar in het midden. Morgen gaan we samen naar Willem Romeijn, de broer van mijn vader, die langs de Giessen woont binnen de Dam. Ik wil met hem afspreken dat jij, zolang ik weg ben, de zorg draagt over de stee hier. Bij hem kan je altijd om raad gaan als er iets is. Ook zullen we met de meiden en de knechten afspreken dat jij, Krelis, hier dan de lakens uitdeelt.‘
Na de boterham vertrokken Dries en Krelis de volgende morgen naar Willem Romeijn. Ze namen de bles, het grote werkpaard mee en brachten die bij Jan, de smid.
‘Kijk daar komen de oproerkraaiers van Giessendam aan,‘ begroette de smid Dries en Krelis, ‘ik heb begrepen dat het daar op de Hogendijk een broeinest geworden is van ketters.’
Dries zag aan het lachende gezicht van de smid dat deze het niet meende wat hij zei. Op de vraag van Dries hoe het mogelijk was dat hun geheim was uitgelekt fluisterde de smid met een twinkeling in zijn ogen de beide mannen toe: ‘Je zult het wel niet graag horen, Dries maar mijn knecht heeft een oogje op die mooie dochter van Krelis en die meid heeft zaterdagavond alles aan hem in een donker steegje verraden.’
Woest stoof Krelis op, ‘wat verraden, wat een oogje op mijn dochter, je staat maar wat te zwetsen. Ik weet goed genoeg wat mijn dochter doet en laat. Ze zou zich niet uitlaten over de meningsverschillen tussen ketters en katholieken. En al zou ze een scharrel hebben aan die knecht van jou dan zou ik het allang gehoord hebben van haar.’
’Dries en Jan schoten in de lach om de woeste blik op het gezicht van Krelis.
‘Man,‘ zei Dries, ‘laat je toch niet beetnemen. Je weet toch hoe Jan de smid is. Hij kan het niet laten om de boel op te stangen. Kom laten we maar gaan. Jan, ik vraag aan de wagenmaker of hij vanavond de bles ophaalt want hij moet nog een nieuwe mestkar komen brengen.’
Met een paar flinke klappen op het aambeeld nam Jan van Meerkerk afscheid van de beide mannen.
‘Je mag je wel gelukkig prijzen met een dergelijke dochter,‘ zei Dries toen ze even later weer op de dijk liepen, ‘ze kan goed brood bakken en het warme eten dat ze in de afgelopen weken klaar gemaakt heeft smaakt mij prima. De man die haar trouwt heeft er een beste vrouw aan. Ik ben blij dat ze haar dienhuis heeft willen opzeggen toen ik het haar vroeg kort na de begrafenis van mijn vader. Ik begrijp nu waarom Dirk de Kluister, die boer is op ‘De Vier Linden’ er zo op tegen was toen ze het aan hem vroeg. Maar ik waardeer het wel van hem dat hij haar tussentijds liet gaan. Hij had haar immers kunnen houden tot na de volgende hooimaand.’
‘Ik heb iets anders gehoord,‘ zei Krelis, ‘er zou geld gegeven zijn aan Dirk anders had hij haar niet laten gaan. Ik heb het gehoord van de schoonzoon van die Wingerdse boer. Hij vertelde er zelfs nog bij dat jij het was geweest die Dirk omgepraat zou hebben. Het lijkt wel of je haar hebt weggekocht.’

Vervolg                                                                Hoofdstukken
Onze Facebook pagina