


Nu moet ik naar Brussel, ik kan er zelf geen leiding aan geven en wil jou opdragen goed rond te kijken en te informeren waar deze man, Juan la Vrestra genaamd, voor het laatst is gezien. Jij hebt als voordeel dat je van goeden huize bent en vrij rond kan reizen met een knecht, zogenaamd op zoek naar vee om je veestapel te vergroten’. Hier stopte Dries met zijn verhaal.
’Anna wil jij de tabakspot eens aangeven en de standaard met pijpen dan steken we eerst een pijp op voor we verder gaan. Ik lust ook wel een kroes bier, ik heb dorst gekregen van al dat vertellen,’ zei Dries. Even later zaten de mannen genoeglijk te roken. Krelis, die het nog niet zo gewend was zoog met kleine trekjes de rook naar binnen.
’Wat ben jij toch anders dan je vader,’ zei Krelis, ‘je vader was zo zuinig, op het gierige af’. Anna stootte haar vader aan en schudde geërgerd haar hoofd. 'Vader! Laat de doden rusten.'
’Dat komt waarschijnlijk omdat ik naar mijn moeder aard’ grapte Dries, ‘tante Jannigie zei dat altijd tegen mij, je moeder was de goedheid zelve’.
‘Maar laat ik verder gaan met mijn verhaal het wordt al laat en ik moet straks nog even naar de dam voor melkenstijd.'
‘Ik kreeg van Hendrik een buidel met goudgeld voor de eerste onkosten en hij schreef in de herberg nog een brief voor een goede vriend van hem. Daar kan ik, als het nodig is, om hulp, raad en geld vragen. De naam van deze heer mag ik echter niet noemen. Ik heb dat Hendrik beloofd. Toen ik mijn vader in de gang gevonden had, vond ik nog iets in de gang dat er niet thuis hoorde. Ik heb dat niet tegen de schout verteld. Die avond vond ik een brief die gericht was aan Juan la Vrestra. Je kunt wel begrijpen hoe ik schrok. Nooit had ik van de man gehoord en dan, amper vierentwintig uur later vond ik een brief gericht aan deze Juan. Bij het lijk van mijn vader, een boer die niets van reformatie moest hebben, die juist een groot voorstander was van de katholieke religie. Wat moet een handlanger nu hier op de Hogendijk doen bij een katholieke boer. Ik heb de laatste dagen mij afgevraagd of de pastoor er iets mee te maken zou hebben. Hij stelde mij tijdens het onderzoek naar de moord op mijn vader zulke vreemde vragen. Vragen als: ‘Waar heb je de mars van die kramer gelaten. Heb je wel eens contact met Spanjaarden? Ken jij ene Juan?’ Vragen over een man, waar ik nog nooit van had gehoord voor dat Hendrik mij er over vertelde. Nu blijkt ineens dat de eenvoudig Giessendamse dorpspastoor, de leider van verschillende Spaanse onruststokers bij naam kende. Toen hij mij in de nor onder aan de Dam opsloot, omdat ik verteld had dat ik niets van een mars afwist, toen begreep ik dat er iets niet pluis was. Gelukkig dat jullie en de andere boeren zulk een stampij hebben gemaakt bij het huis van de schout en de andere dag bij de pastoor. Het leek wel een volksopstand zo gingen jullie te keer. Ik weet niet wie de pastoor in de Giessen heeft willen smijten? Het is maar goed dat dit niet gebeurd is. Echt, ik dacht dat het op nog meer moorden uit zou lopen. Soms was ik in die donkere nor bij de Dam wel eens bang dat het verkeerd af zou lopen. Ik dacht er aan om maar te vertellen dat ik toch een mars had gevonden. Deze stond namelijk achter de koeien bij het mestluik en in die mars vond ik die brief’.
‘Dus er is wel degelijk sprake van een mars,‘ zei Krelis verbaasd. ’Ik wist niet dat je die mars had gevonden. We wilden je bevrijden. Een ieder was er van overtuigd dat jij niets met die marskramer te maken had. Jij bent me ook een mooi figuur. Er breekt een complete volksopstand uit om je vrij te krijgen, we waren er van overtuigd dat de schout en ook de pastoor het bij het verkeerde eind hadden. Bijna hadden we de pastoor verzopen in de Giessen terwijl hij het bij het rechte eind had.’
‘Bijna hadden we de pastoor verzopen?’ sprak Anna haar vader na. ’Wat is dat voor praat? Ik zou bijna denken dat je een protestant bent. Een goed katholiek praat zo niet over zijn geestelijke leider, vader.’
Ongemakkelijk keek Krelis zijn dochter aan. Hij wist het niet onder woorden te brengen. Zou hij het haar vertellen dat hij stiekem naar de samenkomsten ging van de protestanten?
‘Ik geloof dat niet alleen ik bekentenissen afleg deze avond’, zei Dries, ‘maar jullie ook, vooruit Anna, vertel je vader hoe jij over de nieuwe leer denkt. Ik weet zeker, want dat heeft je vader mij toevertrouwd, dat je voor een verrassing komt te staan. Praten jullie maar verder, ik ga naar de stal. De koeien worden zo onrustig, ik ga ze nog wat voer geven en ga dan naar de dam.’
Met deze woorden verdween Dries de stal in.
Volgend hoofdstuk Hoofdstukken