Voor hen zagen ze een donker bos waar in het witte besneeuwde veld ervoor de resten stonden van een afgebrande hoeve en in het veld ernaast een hoeve waar rook uit de schoorsteen kringelde. Hier stuurde Herbert de koets op aan toen bleek dat de beide ruiters Tijmen en Janus de oprit naar de hoeve inreden. Het leek er op dat de hoeve niet geplunderd was. De bijgebouwen leken ongeschonden en de hooitas was tot de nok toe gevuld. Ze stopten bij het gesloten hek en Tijmen sprong van zijn paard en liep op de hoeve toe hij klopte met het heft van zijn dolk op een zijdeur. Uit een van de bijgebouwen kwam een vrouw te voorschijn die hen vragend aankeek.
‘Heren, waarmee kan ik jullie van dienst zijn?’ vroeg ze terwijl ze beurtelings van Tijmen naar de koets keek die voor het hek stond.
‘Vrouw, wij komen van Holland en zoeken onderdak voor een paar dagen omdat we twee gewonden bij ons hebben. We zijn een paar uur geleden overvallen in het bos aan de oostzijde van de stad. Kunnen we de boer van de stee spreken?’ vroeg Tijmen die zijn hoed af zette en zo de vrouw groette.
De vrouw zette de twee houten emmers naast zich neer waarmee ze uit de schuur was gelopen en plaatste haar handen op haar heupen.
‘Antje, Geertrui, Fien,’ riep ze en vanuit de stal die tegen het woongedeelte stond aangebouwd kwamen drie jonge meiden te voorschijn. Vijf grote honden volgden hen uit de stal en bleven naast de vrouwen staan.
’Vertellen jullie deze heren eens waar de boer is en waar jullie broers zijn,‘ zei de vrouw die de beide emmers beet greep, zich omkeerde en terug de schuur in liep.
De drie meiden kwamen op Tijmen toelopen en stopten naast elkaar op twee passen afstand van hem. Ook zij plaatsten net als de wat oudere vrouw de vuisten in de zij en de oudste vroeg: ’Waarom willen jullie dit weten?’ Verwonderd keek Tijmen naar de honden die als op commando achter de vrouwen stopten en zonder het minste teken van hen zich op de grond neerlegden met de kop op de voorpoten.
Opnieuw vertelde Tijmen dat ze uit Holland kwamen en waren overvallen waardoor twee van hun kameraden in de koets moesten plaats nemen vanwege hun verwondingen.
’We wilden de boer vragen of we hier de paarden op stal konden zetten en voor onze vrienden een warme slaapplaats konden vinden. Maar als de boer er niet is en jullie alleen op de hoeve zijn willen we jullie niet tot last zijn. Misschien kunnen jullie ons een verblijfplaats aanraden voor een paar dagen zonder dat men ons het hemd van het lijf vraagt.’
Zonder antwoord te geven liepen de drie meiden naar de koets en trokken de deurtjes open. Na even te hebben rondgekeken in de koets maar ook onder het dekzeil van de kar vroeg de jongste plotseling: ’Van welk geloof zijn jullie?’
Tijmen en Riens keken elkaar aan en riepen Janus en Herbert er ook bij.
‘Deze meid wil weten wat ons geloof is,’ zei Tijmen. ’Ik spreek voor mezelf, mijn geloof is, dat mensen elkaar onnodig veel pijn doen door zich openlijk uit te spreken over iets wat ze niet eens zeker weten, maar wat ze denken te weten. Iets wat ze van hun ouders hebben meegekregen van kinds af aan. Kort en bondig: Vrijheid van geloof.’ Als in koor antwoorden de vrienden: ‘Vrijheid van geloof’.
Het was de volgende morgen vroeg toen Janus wakker werd van het loeien van koeien, het piepen van een pomp en het kalmerend toespreken van de dieren. Hij had prima geslapen die nacht in de hooiberg die bijna tot het dak van de schuur was opgetast. Vlug trok hij zijn trui aan die over een van de dakbalken hing en liet zich naar beneden glijden zonder zijn kameraden wakker te maken
Hij had gisteravond in de gesprekken met de vrouwen wel begrepen dat er niet veel melkvee meer was op de hofstee. Ze hadden tot laat in de avond met elkaar rond de keukentafel gezeten bij het brandend haardvuur. De vrouwen hadden hun verhaal verteld over het leven rond deze stad in de laatste maanden.
Ze hadden het gisteren wel goed gezien toen ze aan kwamen rijden. Hier had de oorlog huisgehouden. Hoeve na hoeve was geplunderd, veel huizen waren in brand gestoken door plunderende soldaten maar ook door streekgenoten. Het was een aaneenschakeling van overvallen. De ene keer door de katholieken met hun Habsburgse soldaten de volgende maand door de ketters aangevuurd door hun fanatieke leiders.
Ze hadden de vorige avond de wond van Berent schoongemaakt en besloten om de volgende dag de chirurgijn van de stad te verzoeken om langs te komen. Die zou dan ook kunnen kijken naar het hoofd van Dries. Dries was aan het eind van de middag wel bijgekomen maar bleef klagen over hevige hoofdpijn.
Janus had ondertussen met een plens water zijn laatste slaap uit de ogen gespoeld en liep de stal in waar achter de koeien een lantaarn was opgehangen. Antje de oudste van de drie meiden, melkte een zwartbonte koe.
‘Goedemorgen Janus, je bent er vroeg bij?’ begroette ze hem. ’Er staat nog een melkblok bij de pompbak. Ik denk dat je niet stil kan zitten als er moet worden gemolken,’ grapte Antje die Janus een schone lap opgooide.
’We werken hier netjes zonder viezigheden. Bij de pompbak staat ook nog een emmer met lauw water. Maak de lap goed nat en neem een scheut warm water mee. Goed de uier schoonmaken voor je begint met melken, we willen geen problemen met kaasmaken.’
Zo ontspon zich tijdens het melken een gesprek over de nieuwe dingen die steeds meer intrede deden ook op de hoeven hier in de zuidelijke Nederlanden. Janus vertelde over hun manier van werken in de Alblasserwaard en over de nieuwigheden die Dries als eigenaar van een der grootste kaasmakerijen ook toepaste en uitprobeerde. Fientje kwam na een uur ook de stal in en voerde de koeien met blad van kool die ze op het bouwland had geplukt.
‘Het is gewoon zonde om dit voedsel dat ze in de stad goed zouden kunnen gebruiken nu op te moeten voeren aan het vee,’ zei ze. ’Nu is het beste er van af maar enkele weken geleden, voor de vorst goed doorzette zag je soms nog wel wat mensen op de velden zoeken naar rapen en kolen.’
Janus verwonderde zich weer over de kordaatheid waarmee deze vier vrouwen zich door de moeilijke jaren heen sloegen. De eerste gedachte van de vrienden was dat dit een moeder was met drie dochters. Toen ze er de vorige avond naar vroegen vertelden ze de ware toedracht van hun samenwonen op deze boerderij. Twee jaar geleden woonde de oudere vrouw hier met haar man en hun zoon Gillis van toen vierentwintig jaar oud. Het was de aanstaande man van Geertrui. Hun ouders hadden al jaren geleden overeenstemming bereikt over hun beider plannen. De grootvader van de zoon was een neef van de grootmoeder van de dochter, hun landerijen grensden aan elkaar en ook de kinderen konden goed met elkaar opschieten zodat als vanzelfsprekend deze zouden trouwen als ze de leeftijd zouden hebben bereikt. Toen was de onrust begonnen in het land. Grootvader was een trouw aanhanger van het katholieke geloof terwijl de grootmoeder van de dochter nauwe contacten onderhield met de nieuwe leer. De wederzijdse ouders maar ook de zoon en Geertrui stonden op het standpunt dat een ieder voor zich maar moest uitmaken welk geloof men aanhield. Alles leek goed te komen en toen de ouders van Geertrui te kennen gaven zich terug te willen trekken van de hoeve en plaats te maken voor de jeugd werd er een trouwdatum gepland. Dit werd de eerste aanleiding in de omgeving van de stad om elkaar in de haren te vliegen. Waar en door wie moest het huwelijk worden bezegeld. Op een nacht is het tot een uitbarsting gekomen toen Gillis openlijk in de dorpstaveerne had verklaard dat hij niets moest hebben van de nieuwe leer noch van de paters en pastoors uit de stad. Hij zou wel voor zichzelf zorgen. Het huwelijk was immers goedgekeurd door hun ouders en daar zou geen geestelijke met zijn bemoeienissen tussen komen. Dit was een openlijke verkondiging van ketterij zou de pastoor die volgende zondag van de kansel hebben verkondigd en riep de geloofsgenoten op om met hem, na de mis, de ketters op te pakken. Hij stookte die morgen zijn parochianen op en zo kon het gebeuren dat er een groep van ongeveer zestig mannen gewapend met hooivorken en dorsvlegels op de hoeven kwamen aanlopen voorafgegaan door de pastoor. De zoon van de boer had echter zijn maatregelen getroffen. Hij had als liefhebberij het fokken van grote honden die hij verkocht als trekhond en als honden voor de jacht. Het waren grote, donkere, ruigharige honden die hij perfect kon africhten. Hij stond ver in het Vlaamse land bekend om de gehoorzaamheid van zijn dieren. Hij verkocht geen hond of hij moest perfect zijn afgericht. Hij had zelfs enkele honden verkocht aan edelen die in Brussel verbleven. In de loop van de jaren waren de twee hoeven als het ware naar elkaar toegegroeid zodat er rond de beide hoeven een door hagen en sloten afgesloten weiland was dat maar op twee manieren kon worden betreden. Door de poort van de ene hoeve of langs de oprijlaan bij de andere hoeve. Hier had Gillis gebruik van gemaakt toen een van de knechten die morgen vertelde wat de pastoor van plan was. Vliegensvlug reed de zoon naar de dichtstbijzijnde poort en gooide die in het slot. Ook de ander poort werd afgesloten en de bewoners gewaarschuwd voor de komst van de pastoor en wellicht de schout en zijn rakkers en de negen honden die rond de hoeve liepen werden losgelaten. Op commando van de zoon zaten deze honden in een cirkel rond de ene hoeve waar nu ook de boer, zijn vrouw Geertrui en haar jongere broertje waren aangekomen.
Na een half uur kwam inderdaad de pastoor via het bospad naar de beide hoeven toe. Met een knuppel in de hand eiste hij toegang tot de hoeve maar hij kreeg geen enkele reactie vanuit het huis of een van de vele bijgebouwen. Toen men onder luid geschreeuw met stokken probeerde de poort te vernielen gaf Gillis de honden een commando waarop ze als een pijl uit de boog op de groep herriemakers toeschoten en links en rechts enkele geduchte knauwen uitdeelden. Zo snel als de honden er waren en over de haag sprongen, om zich heen beten, even zo snel waren ze ook weer vertrokken.
Zonder dat er ook maar iemand een commando had gehoord namen ze hun plaats weer in rond de hoeve, de parochianen achterlatend in verwarring. Nog enkele malen vielen de honden aan en steeds weer brachten ze verwondingen toe zodat de groep na een paar uur afdroop zonder dat men ook maar iemand van de bewoners van de beide hoeven had gezien of gehoord. De pastoor heeft daarna hulp gekregen van een groep soldaten die met pistolen trachten de honden dood te schieten. Verschillende keren vielen ze de hoeven aan en na weken waren er inderdaad twee honden dood en een paar gewond geraakt. Zo kon het gebeuren dat op een nacht een van de hoeven werd overvallen toen de mannen van vermoeidheid lagen te slapen. Mogelijk zijn er stukken vlees met gif over de haag gegooid waarvan de honden hebben gegeten want ze hadden niet op tijd alarm geslagen. De soldaten hebben alle mannen van beide hoeven in koelen bloede vermoord en zonder er naar om te kijken achtergelaten. Ook het jongere broertje van Geertrui waaraan duidelijk te zien was dat dit kind niet bij zinnen was hadden ze omgebracht. De ene hoeve is dezelfde avond in brand gestoken. De beide moeders zijn binnen het jaar gestorven van verdriet zodat alleen Geertrui overbleef. Een oudere vrouw op een hoeve in de omgeving had van dit drama gehoord en is naar Geertrui toegegaan.
’We kunnen ons verdriet samen delen. Ook ik ben mijn man en zoon kwijt geraakt. Ook ik ben mijn vader en moeder verloren, zij zijn beide gestorven van verdriet. Kom laat mij je troosten en laten we proberen verder te leven, laten we deze idioten met hun geestelijke voorkeuren bestrijden zodat ons grote verlies en verdriet niet voor niets is geweest.’
Janus schrok op uit zijn gedachten toen hij een hand op zijn schouder voelde. Hij keek in de lachende gezichten van Berent en van Dries.
‘Je bent weer helemaal opgeknapt?’ vroeg hij aan Dries terwijl hij hem onderzoekend aankeek.
‘Ook jij ziet er beter uit dan gisteravond,’ zei Janus die van de pompbak afsprong waarop hij, in gedachten verzonken, had gezeten.
’Ik zat in gepeins, wat een wonderlijk stel vrouwen is dit. Als ik een pet op had zou ik hem afnemen.’
Ook Dries vertelde dat hij die nacht veel had nagedacht over dit wonderlijke viertal vrouwen. Zo verschillend op het eerste gezicht maar wanneer je hun verhaal had gehoord wist je dat ze allen een ding gemeen hadden namelijk het verdriet wat hen was aangedaan door anderen. Hij had veel bewondering voor de jongste van de drie meiden. Ze had gisteravond verteld van de moeilijkheden die hun gezin waren overkomen toen een dorpsgenoot aan de pastoor had verteld dat het gezin naar samenkomsten ging van de ketterse leer. Zonder ook maar iets na te vragen of uit te zoeken of het verhaal klopte waren er op een zaterdagavond een vijftal soldaten hun huisje binnen gevallen en hadden het gezin gesommeerd naar buiten te komen. De vader, moeder en twee jongere broers van Fientje zaten nog verstijfd op hun stoel aan de eettafel waar ze juist begonnen waren aan het karig avondeten toen soldaten de deur intrapten en brulden dat een ieder naar buiten moest. Op het erf stond de pastoor met in zijn hand een groot bronzen kruisbeeld waarmee hij zwaaide en de gezinsleden maande tot spoed. Toen de familie dicht bij elkaar stond en elkaar vasthield en omarmden gaf de pastoor opdracht om aan te vallen. De soldaten staken er op in met ponjaards en dolken en binnen een oogwenk was het bloedbad een feit. Vader, moeder en de oudste van de twee broers waren op slag gedood. Zonder maar om te zien naar de slachtoffers vertrokken de soldaten met de pastoor, terug naar het dorp. Fientje die op het moment van de aanval weg wilde rennen struikelde over een boomwortel en kreeg een steek van een dolk in haar bovenarm. Ze herinnerde zich later nog dat ze hard met haar hoofd tegen de boomstam sloeg en verloor het bewustzijn. Dit was haar redding omdat de soldaten niet controleerden of allen gedood waren. Buren die wel het gegil hadden gehoord maar niet direct durfden te gaan kijken ontfermden zich over het jongste broertje van Fien die hevig bloedend uit een wond in zijn borst bij hen het erf op was gevlucht.. Nadat zij het kind hadden verzorgt en geen geluid meer vernamen van uit de richting van het dorp kwamen ze kijken of er nog hulp kon worden geboden. Fientje was de enige die nog ademde, haar ouders en haar broer gaven geen enkel teken meer van leven. Ze namen Fientje mee naar hun huis en verzorgden haar arm die niet ernstig verwond was. Na een aantal uren kwam zij weer bij haar positieven en kon ze het verhaal vertellen van wat hen was overkomen.
‘De pastoor riep dat wij woensdagavond naar de samenkomst zouden zijn geweest bij boer Vande Bemden,’ vertelde Fientje aan haar buurvrouw. ’Dat is helemaal niet waar, alleen mijn vader is die middag na het melken naar die boer geweest omdat het zoontje van deze boer zijn been had bezeert en hij bijna niet kon lopen. Het kereltje was op de mestwagen van zijn vader gekropen zonder dat de knecht het had gezien. Toen de jongen zag dat de knecht wel erg ver van huis reed is hij van de kar gesprongen en bezeerde hij zijn enkel. Mijn vader zag hem hinkelend lopen en heeft het jongetje opgepakt en hem in zijn sterke armen naar de hoeve gedragen. Hij heeft daar met de boer een kroes bier gedronken en is daarna rechtstreeks naar huis gekomen.’
Verontwaardigd reageerden de omstanders die zich rond het huis van de buren hadden verzameld. Ook een van de knechten van boer Vande Bemden stond in de kring van de omstanders en kon het verhaal van Fien bevestigen.
‘Het is zelfs zo dat er die avond helemaal geen samenkomst is geweest. De schout kan het ook bevestigen want die is die avond op de hoeve geweest over een geval van diefstal. Er zijn enkele schapen verdwenen waarvan de boer iemand uit de stad verdenkt.’
Met veel gemor en gemopper verspreiden de mensen zich die in een uur tijd rond het huis waren verzameld en in opdracht van de pastoor uit elkaar moesten worden gedreven. Later, enkele dagen na de begrafenis van de gezinsleden is de buurman met Fien naar het gerecht gestapt in de stad en heeft zijn beklag gedaan bij de hertog namens Fien. Haar broertje lag met hoge koortsen in bed en zou later die week komen te overlijden aan de wond in zijn borst.
Zo bleef Fien alleen over van het gezin dat ten onrechte verdacht was geweest en zonder ook maar enige vorm van hoor en wederhoor door de pastoor was veroordeeld. Hij liet de straf die op dit soort overtredingen stond dan ook direct uitvoeren, het hele gezin werd uitgemoord.
Dat dit geen uitzondering was blijkt wel uit het gegeven dat de hertog van Aarschot maatregelen trof om herhaling van dit soort uitwassen te voorkomen. Natuurlijk kon de hertog geen regels opleggen aan de pastoor maar toch werd deze geestelijke zo onder druk gezet dat herhalingen tot een minimum konden worden beperkt.
Dries wreef met zijn hand door zijn haren en plukte daar enkele hooisprieten uit.
‘Dit is ook een van de reden dat de vrouwen nu ongestoord hier op de hoeve kunnen verblijven zonder dat men hen lastig valt,’ zei hij. ’Natuurlijk is er het ontzag voor de honden van Geertrui. Het verhaal over het beleg en de moordpartij die er op volgde heeft zich natuurlijk over het hele gewest Brabant maar ook in de omringende gewesten verspreid en men spreek nu met ontzag over deze vrouwen die altijd bereid zijn andere te helpen.’
Dries vroeg aan Janus of die nog iets had gehoord van Antje. Zij had de vorige avond stil in een hoekje gezeten bij de schouw en alleen maar geluisterd naar de verhalen van haar vriendinnen. Janus vertelde aan Berent en Dries dat ze die morgen alleen maar gesproken hadden over het boerenbedrijf. Hij vertelde van de nieuwe dingen die hij van Antje had gehoord.
‘Ik vroeg jullie daar straks hoe het met jullie gaat maar ik heb er nog geen duidelijk antwoord op gekregen,’ zei Janus. ’Zo te zien heb jij geen last meer van je hoofd en lijkt het er op dat Berent zijn arm aardig kan bewegen.’
Ze waren ondertussen naar de grote keuken gelopen waar het heerlijk rook naar warm brood en gebraden vlees. Alida, de wat oudere vrouw, sneed met een scherp mes dikke plakken warme ham af en belegde daarmee de flinke sneden brood. Er stonden kroezen klaar met licht bier en er stond een schaal met gedroogde appeltjes. Ook stonden op de tafel diverse stukken met kaas die verschillend waren van vorm en kleur.
‘Ga zitten mannen, dit overkomt ons niet vaak dat we in de morgen de tafel delen met zoveel kerels,’ zei Alida.
Het werd een vrolijke maaltijd. Werden er gisteravond verhalen verteld over de slechte toestanden in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, Antje ontpopte zich als een ware verteller van anekdotes. Op de wat zangerige toon wat zo kenmerkend is voor dit gedeelte van de Nederlanden vertelde ze over De Lange Wapper van Antwerpen.
‘In de buurt van de Groenplaats in Antwerpen woonde eens een juffer die vier vrijers had. Op een avond liet ze deze vrijers na elkaar op bezoek komen. Maar ze kwamen bij Lange Wapper, die haar gedaante had aangenomen. De eerste moest bewijzen dat hij van haar hield door twee uur op het grote kruis op het kerkhof te gaan zitten. De tweede moest twee uur in een kist onder het kruis gaan liggen. De derde moest op de doodskist kloppen en wachten tot ze hem kwam halen. De vierde moest met een lange ketting rond het kruis lopen. Toen hij dat deed vond hij drie doden. De eerste vrijer viel van schrik dood van het kruis, toen de tweede in de kist kroop. De tweede stierf van angst toen de derde op de kist klopte en de derde stierf toen hij het geluid van de ketting hoorde en dacht dat de duivel hem kwam halen. De vierde vrijer werd gek, sprong in de Schelde en verdronk.’
Zo leek de tijd om te vliegen tot Dries opmerkte dat hij toch deze dag wilde doorreizen en proberen om nog in Brussel te arriveren. Hij hoopte dat de knecht van de heer van Savenhent contact had kunnen leggen met de heer van Brederode.
‘Dan zal ik voor jullie allen nog wat brood inpakken voor de ergste honger,’ zei Alida die het mes weer ter hand nam om voor het eten van de vrienden te zorgen.
‘Ik zou toch willen dat we, ondanks dat jullie het niet wilden aannemen onze onkosten vergoeden. Als we bij een herberg waren aangeland zouden we ook moeten betalen voor de kost en inwoning.’
Dries zag dat de vrouwen onderling blikken wisselden van verstandhouding.
‘Antje heeft maanden in de bossen rond de stad gezworven,’ vertelde Fien. ’Ze heeft daar gezocht naar kinderen die waren ontsnapt aan de strenge tucht die heerste in het weeshuis van de stad. Het weeshuis is de kinderen liever kwijt dan rijk is een veel gehoord gezegde in de stad. In de afgelopen zomermaanden heeft Antje een aantal van deze kinderen die in de stad of in de bossen rondzwerven onder weten te brengen bij burgers in de stad. Maar ondanks de hulp en goede wil van medeburgers zijn er altijd kinderen die in armzalige hutten leven diep in de bossen. We proberen deze kinderen te helpen door kleding te maken en ze aan eten te helpen. Als het niet te brutaal is zou ik jullie dan ook willen vragen om niet de leeftocht voor jullie zelf te betalen maar een geldelijke bijdrage te leveren zodat we wat meer kunnen kopen.’
De vrienden wilden natuurlijk hierbij helpen. Dries die de beurs beheerde keek zijn vrienden aan.
‘Ik denk dat en de heer van Savenhent en de heer van Brederode ook hierin moeten bijdragen.’ De vrienden schoten in de lach en vertelden de vrouwen van het geld dat de beide heren, ieder apart, ruim voldoende hadden meegegeven voor de onkosten tijdens hun reis.
Nadat ze hartelijk afscheid hadden genomen van de vrouwen, die niet uitkwamen voor hun geloof maar die duidelijk wel hun hart op de goede plaats hadden, reed de stoet de oprijlaan af van de hoeve, het witte landschap in.
Volgende hoofdstuk Hoofdstukken


