Het sneeuwde de die morgen niet meer en ook de felle koude oostenwind van gisteren was gedraaid naar het westen en had in kracht afgenomen. Het was echter wel oppassen want onder het laagje sneeuw dat afgelopen nacht was gevallen waren er verraderlijk gladde plekken door bevroren plassen die je bijna niet kon zien.
’Ik denk dat het voor de eerste weken gedaan is met de winter,‘ zei Herbert terwijl hij onderzoekend naar de lucht keek.
‘De wolken zien er heel anders uit als gisteren en het voelt ook niet meer zo koud aan.’
Dries die zich even als de andere goed had ingepakt had zijn dikke gebreide shawl al los gemaakt en ook zijn wanten in de zadeltas opgeborgen.
‘ik kan het niet erg vinden dat het wat minder koud is, als het maar niet gaat regenen vind ik alles best. Het liefst zou ik willen dat we een maand of vier, vijf verder waren zodat de bomen weer uitlopen en er weer jong vee in de weilanden te zien is.’
Berent die vanaf de koets het gesprek had gevolgd kon zich wel vinden in de hoop van Dries. Ook hij was geen liefhebber van kou en regen.
‘Ik vind het voorjaar ook de beste tijd van het jaar hoewel ik graag met Herbert in de herfst door de uiterwaarden kan zwerven om te proberen wat hazen en konijnen te strikken.’
Ze hadden onder het rijden hun brood opgegeten dat Alida voor een ieder van hen had klaar gemaakt en zo kwamen ze toch halverwege die middag aan bij de Anderlechtse poort in Brussel. Even waren ze voor de poort staande gehouden door de wacht die onderzoekende blikken in de koets en onder het dekzeil van de wagen had geworpen. Ze hadden niets bij zich wat hun aandacht trok en zo konden ze snel weer doorrijden. Langzaam reden ze onder de poort door en vooral Berent en Herbert keken of ze niet een bekende zagen. Ze waren al honderd meter de weg naar het centrum ingereden toen ze een man uit een logement zagen komen.
‘He Berent,’ riep de man die als groet zijn hand naar Berent op stak. ’Rij maar even door, sla op het pleintje rechtsaf en wacht daar op mij.’
De man verdween weer in het logement waar de waard ook was naar buiten was gekomen en met zijn handen in de zij de terugkomst van de man afwachtte.
‘Ik dacht dat je er vandoor ging zonder je verteer te betalen,’ zei de waard die de knecht van de heer van Savenhent achterna liep. Even later voegde de knecht zich bij de vrienden op het plein en nodigde hen mee naar het huis waar de heer van Brederode verblijf hield. Ze konden de koets en de wagen in de stallen onderbrengen en de paarden werden verzorgd door toegesnelde stalknechten. Het bleek al snel dat de ze werden verwacht rond deze dag. De vrienden werden in een prachtig gemeubileerde kamer binnen gelaten door een in fluweel geklede knecht. Er werden hen direct verfrissingen aangeboden en de verontschuldiging dat de heer van Brederode nog niet was gearriveerd. Hij zou zijn heer laten waarschuwen die zich vermoedelijk zou ophouden aan het hof van Margaretha van Parma die pas was benoemd tot landvoogdes over de Nederlanden voor haar halfbroer Filips II.
Het duurde meer dan een uur voor de heer van Brederode was opgespoord en de knecht kon melden dat hij onderweg was naar zijn tijdelijke woning.
Met uitgestoken handen liep hij op Dries toe. Zijn blouse zat onder de vetvlekken en ook zijn adem rook niet al te fris.
’Wees welkom Dries ik hoorde dat je al gearriveerd was met je vrienden. Had ik het geweten dan was ik eerder thuis geweest en had mij verkleed. Ik kom juist van een bijeenkomst van enkele vaderlandslievende vrienden. Het liep daar wel wat uit de hand omdat er van mij verlangd werd de tafel eer aan te doen. Ook heb ik met mijn vrienden vanmiddag enkele roemers wijn gedronken en omdat jullie zo mooi op tijd aangekomen zijn kunnen we nog een glas drinken voordat we aan tafel gaan.’
Dries keek Berent aan die naast Hendrik stond en een gezicht trok alsof hij niet kon geloven dat dit de Grote Geus is, een van de edelen die verblijven aan het hof van Margaretha van Parma.
‘Wij hebben een snelle reis achter de rug, ‘zei Dries. ’We zijn drie dagen geleden vertrokken uit Zaltbommel, in Tilburg en in de buurt van Aarschot hebben we overnacht en enkele brieven bezorgt en ook een paar ontvangen in de beide overnachtingplaatsen. We hebben voor U ook nog enkele brieven meegekregen.’
Dries overhandigde de brieven van de heer van Savenhent maar ook de brieven die hij had meegekregen van de vrienden van de heer van Savenhent.
Van Brederode nam plaats achter een schrijfbureau dat voor een van de ramen stond. Hij liet een aantal waskaarsen aansteken door een knecht in livrei en verbrak het eerste zegel. Dries kon zien dat het de brief was die Joris had geschreven.
‘Zo, zo, jullie hebben niet stil gezeten in de afgelopen maanden. Ik lees hier ook Dries, dat zelfs je vader slachtoffer is geworden van die paapse onruststokers.’
Hendrik ledigde zijn glas wijn in een grote teug en verbrak het zegel van de volgende brief.
Tijdens het lezen trok een diepe frons over zijn voorhoofd en tikte hij ongedurig met zijn pennenmes op het bureau. Duidelijk was aan zijn gezicht waarneembaar dat hij zich ergerde over de inhoud van de brief.
‘Hier wordt je ook niet vrolijk van,’ mompelde de heer van Brederode terwijl hij de brief weer dichtvouwde en de laatste brief opensneed. Hierin scheen hij beter nieuws te vernemen. Bijna zonder op te kijken van zijn brief schonk hij zich opnieuw een glas wijn in dat hij opnieuw in een flinke teug ledigde. Dries zag dat Janus voorzichtig zijn ingehouden adem onhoorbaar liet ontsnappen. Ook Riens leek verbaasd over de snelheid waarmee de heer van Brederode zijn glas leegdronk.
‘Hier krijg ik een bericht dat mij deugd doet,’ zei Hendrik die ook deze laatste brief dichtvouwde en op het stapeltje naast zich neer legde.
’Ik heb de laatste dagen voldoende slecht nieuws vernomen uit Holland en ook uit Brabant. Sinds ik bericht kreeg van Willem van Oranje over de vermeende plannen van Koning Hendrik II van Frankrijk heb ik niets anders gedaan dan proberen de gemoederen van de bevolking hier en in de Noordelijke Nederlanden te bedaren maar ik moet zeggen dat het mij niet lukt.’
De heer van Brederode stond op van achter zijn schrijftafel en nam plaats op de beklede banken die links en rechts van de haard stonden waarin een hoog vuur oplaaide.
‘Kom vrienden, neem plaats op deze banken dan zal ik jullie vertellen over alles wat we de laatste maanden hebben meegemaakt. Echter heb ik aan jullie allen eerst een vraag. Ik weet dat Dries jullie verteld heeft van de opdracht die ik aan hem hebt gegeven. Wat ik nu wil vertellen om het een en ander te verduidelijken is van groot belang en in de kringen van de edelen ook nog niet helemaal bekend. Ik zou jullie eerst willen voorleggen of jullie zo als je hier zit door willen gaan met het uitvoeren van plannen tegen de Habsburgse, dus Spaanse overheersing die steeds zwaarder op ons drukt.’
Hendrik keek de kring rond en een ieder van de jongemannen indringend aan. Tijmen stond op en ging met zijn rug naar het vuur staan.
’Heer van Brederode,’ zei Tijmen terwijl hij Hendrik aan keek, ’ik wordt al wat ouder en heb een kind en vrouw om voor te zorgen. Ook de ouders van mijn vrouw beginnen wat hulp behoevend te worden zodat mijn aanwezigheid daar is gewenst. Als ik U niet ontrief en ook mijn vrienden hier niet het idee geef hun in de steek te laten zou ik mij willen terug trekken en willen terugkeren naar het kasteel van mijn heer in Zaltbommel. Het geknal in de bossen heeft mij grote schrik gebracht. Het is voor het eerst in mijn leven dat ik een mens hebt gedood’
Dries zag aan het gezicht van Herbert als of hij er mee kon instemmen dat zijn oudere vriend zich terug trok.
‘Wat jij Herbert,’ vroeg Dries, ‘wil jij nog verder meedoen of wil je met Tijmen mee terug naar Zaltbommel?’
‘Precies wat ik dacht, Dries. Ik zou graag met Tijmen mee terug gaan naar het kasteel. Ik heb mijn portie in het bos ook wel gehad. Ik ben niet in de wieg gelegd om door bossen heen te zwerven met een pak slaag toe te krijgen.’
‘Dan lijkt het mij verstandig,’ zei de Grote Geus, ‘dat jullie vanaf nu dan ook terug trekken uit de kamer hier. Ik respecteer jullie beslissingen en roep de andere op om er goed over na te denken om er mee door te gaan. Het is een opdracht die gevaar op kan leveren, ik wil er niet om heen draaien.’
Hij haalde vanonder zijn met gouddraad gestikte wambuis een klein leren zakje en haalde er enkele munten uit.
‘Hier, ga er in de taveerne hier rechts om de hoek een paar glazen wijn drinken, ze hebben daar ook een dochter van de waard die een heel goede maaltijd kan klaar maken. Kom na de maaltijd terug dan kunnen jullie hier overnachten en morgen afscheid nemen van jullie vrienden.’
Hij keek het kringetje nog eens rond dat beduidend kleiner was geworden nu Tijmen en Herbert de kamer hadden verlaten en zich door de bediende naar de buitendeur lieten begeleiden.
‘Jullie weten zeker dat je mij wilt helpen de onruststoker op te pakken zo als jullie al gedaan hebben met de pastoor van Gorkum en die Cordez?’ vroeg Hendrik en keek de vrienden een voor een in de ogen als wilde hij daar lezen of deze kerels het aankonden of niet. Alle vier bevestigde ze aan Hendrik dat ze mee wilde helpen de tweespalt die werd gezaaid onder de bevolking en tussen de lagere adel te voorkomen.
Hendrik vertelde nogmaals, nu niet allen aan Dries maar ook aan de drie andere van de moeilijkheden die er rezen aan het hof van de landvoogdes Margaretha van Parma. Zij is degene die nu de orders krijgt van haar halfbroer Filips II de zoon van Keizer Karel V die vorig jaar is overleden. Voordat Koning Filips II naar Spanje vertrok eiste hij extra geld in de vorm van een vaste belasting van de Staten Generaal. Hierin hebben de hoge edelen zitting zo als Willem van Oranje, de graven van Egmond en Hoorne, Bergen, Berlaymont en Bossu en Granvelle en Viglius, de beide laatste noemt Hendrik ‘de geleerden’. Zij allen zijn echter tegen want de vorst moet afhankelijk blijven van de Staten-Generaal, zo willen de edelen die vrezen dat Filips alle macht naar zich toe trekt, net zoals hij al in Spanje heeft gedaan. Alleen een eenmalige belasting kan er komen.
Wanneer de oorlog met Frankrijk voorbij is en Filips naar Spanje wil vertrekken, hij spreekt geen Nederlands, en weigeren Willem van Oranje en de graaf van Egmond zitting te nemen in de Staten-Generaal. Zij vrezen dat belangrijke zaken zonder hen worden besproken. Filips weet hun vrees te ontzenuwen. En als de Staten vlak voor het vertrek van de koning een petitie aanbieden waarin zij verzoeken vooral Nederlandse edelen in de regering te benoemen, staat voor Filips de beslissing vast. Hij zal nooit meer de Staten-Generaal bijeen roepen.
Landvoogdes Margaretha van Parma, die nu als landvoogdes de plaats van Filips inneemt, wil voortaan vooral het drietal, Granvelle, Viglius en Berlaymont raadplegen en de stadhouders als Willem van Oranje van Holland, Zeeland en Utrecht; van Egmond van Vlaanderen en Artesië; Bergen van Henegouwen, Montigny van Doornik en Megen van Gelre hun alle links laten liggen. Aremberg is stadhouder van Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Lingen.
Hendrik vertelt dat hij zeer verbolgen is wanneer Filips II de paus zover krijgt dat hij aartsbisdommen in de Nederlanden sticht. De bevolking vreest dat de geloofsvervolging nu nog verder toeneemt. Er komen drie aartsbisdommen: Utrecht, Mechelen en Kamerijk en het aantal bisdommen stijgt van vijf tot achttien.
‘Het zijn steeds weer die geleerde als Granvelle, Viglius en Berlaymont die onrust veroorzaken in de Nederlanden,’ zei Hendrik met stemverheffing. ’Ik ben heer van Vianen en burggraaf van Utrecht. Maar dat is nu niets meer dan een eretitel. Ik erger mij er aan dat ik in Utrecht helemaal niets meer in de melk te brokkelen heeft. Gewone burgers zijn het, die geleerde, die delen er de lakens uit en dat moet stoppen.’
Hij vertelde dat hij vroeger een goed katholiek was en zelfs met Alva in de Duitse land tegen de protestanten heb gevochten.
‘Ik was toen nog jong en page aan het hof van Karel V,’ vertelde Hendrik verder maar ik ben blij dat afgelopen jaar mijn ogen zijn open gegaan en ik protestant bent geworden al is het allen maar om die geleerde die daar met Margaretha zitten te konkelfoezen tegen te werken. Ik pleit er voor dat de edelen en de bevolking in opstand komen tegen deze overheersing van die Spaanse Habsburgers.’
Hij schonk zich nog een glas wijn in en zette de schenkkan terug op de tafel. Een dienaar in livrei kondigde aan dat in de naast gelegen eetkamer een eenvoudig diner klaar stond.
Het vijftal stond op en verplaatste zich naar de kamer waar de tafel rijk was gedekt. Dries verwonderde zich dat de bediende in een korte tijd zoveel klaar konden maken. Ze lieten het eten goed smaken en ook de kroezen met bier, dat zwaarder was dan men in de Alblasserwaard dronk maar toch prima smaakte.
De gespreken waren wat algemener geworden omdat verschillende knechten en vrouwen af en aan liepen met schalen. Op het laatst werd er nog gebak gebracht, zo mooi opgemaakt met een soort suiker dat geen van de mannen uit de waard ooit hadden gezien.
‘Het is tijd dat er een eind aan de maaltijd komt, heer Hendrik.’ merkte Dries op. ’Ik had toch begrepen dat U al een maaltijd had gebruikt?’
Hendrik schoof de zetel achter uit en ging voor het raam staan.
‘Ik heb nooit geen moeite met eten of drinken maar meer om mijn kleding in orde te houden. Ik zie nu wat voor vlekken er weer op mijn kleding gekomen zijn. Het is goed dat we even een klein uurtje het eten laten zakken voor we verder praten dan kan ik in die tijd ook even wat schone kleding aan doen.’
Toen de deur achter Hendrik was dicht gevallen schoof Janus wat dichter naar Riens toe en zei zachtjes: ‘Als je hem in de nacht zou tegenkomen zou ik een straatje omlopen. Je zou hem aan kunnen zien voor een schavuit van de eerste orde.’
Dries schoot in de lach en zei dat hij uit verhalen had gehoord van de schranspartijen en de drinkgelagen die door de Grote Geus konden worden gehouden maar vertelde zijn vrienden ook dat hij eens een klein feestje had meegemaakt in Vianen.
‘Ze lijken soms op echte rabauwen die door de straten van Brussel trekken na zulke feesten. Ik was eens op het kasteel van Hendrik in Vianen toen er een gast aangediend werd. Hendrik begroette hem zo uitbundig en ze omhelsden elkaar zo hartelijk dat dit we een heel goede vriend moet zijn geweest. Ik ben de naam van de sinjeur vergeten. Oom Willem maakte na de begroeting aanstalten om op te stappen maar Hendrik verbood dat ons. Hij nodigde ons nogmaals uit om bij hem de maaltijd te gebruiken en stuurde zonder overleg een bode naar Schoonhoven en liet tante Jannigie weten dat we ook de nacht op het kasteel zouden doorbrengen.’
Dries vertelde zijn vrienden over deze avond. ’Ik heb toen gezien dat ook de hoge heren zich anders kunnen gedragen als wij burgers denken. Zijn kleding nu ziet er nog netjes uit vergeleken bij zijn kleding later op die avond. De beide mannen werden door hun knechten naar de slaapzaal gebracht en in bed gelegd als kinderen. Dachten wij nog dat Hendrik zich de volgende dag zou verontschuldigen voor het uit de hand gelopen schranspartij, niets was minder waar. Hij zag er de andere morgen weer piekfijn uit, sprak geen woord meer over de vorige avond maar vertelde Oom Willem dat zijn gast een heel oud boek had meegebracht uit een nog ouder archief. Uren zaten ze samen over deze oude geschriften gebogen. Na het noenmaal ging ook de gast weg waarmee we konden meerijden naar Schoonhoven. Ik zie Hendrik van Bredero nog staan bij de ophaalbrug, hij stond ons uit te zwaaien en weer was zijn wambuis onder geknoeid door etensresten van het noenmaal.’
Ook Berent kon beamen dat het in het kasteel in Zaltbommel er wel eens anders aan toe gaat dan dat men denkt. Er worden ook daar regelmatig feesten gehouden die eindigen zoals Dries juist had verteld.
Ondertussen ruimden enkele knechten de overblijfselen op van de maaltijd. Enkele honden van de edelman deden zich te goed aan de resten van het eten die ze vonden op de vloer van de kamer.
‘Het gaat niet goed in de Nederlanden,’ zo begon Hendrik zijn bespreking met Dries en zijn vrienden. ‘Sinds de vader en moeder van Johanna de Waanzinnige die getrouwd was met Filips de Schone de inquisitie in Spanje hun gang liet gaan is er ook in de Nederlanden veel veranderd. Jullie weten dat keizer Karel V, de zoon van Filips en Johanna in 1555 het bestuur van de Nederlanden heeft overgedragen aan zijn zoon Philips II. De vader en moeder van deze Johanna verenigde de koninkrijken Aragon en Castilië en hebben lang oorlog gevoerd om de Moren en Joden uit hun landen te verdrijven. Ook hebben ze in Spanje de inquisitie ingevoerd om de bevolking te zuiveren van vreemde invloeden. Ze was opgericht om de katholieke kerk te zuiveren. Er woonden toen veel Joden al eeuwen lang in dat verre Spanje. Nu lijkt het of de kleinzoon van deze Johanna even waanzinnig wordt als de moeder van zijn vader, onze keizer Karel. Philips II wil in al zijn landen de katholieke kerk zuiveren en daarbij gebruik maken van de inquisitie.’
Hier stopte Hendrik zijn verhaal en schonk zich nog een roemer wijn in en schoof de kan richting Dries. ‘Help je zelf met inschenken,’ zei hij en gooide een korst brood die achter een poot van de tafel was achtergebleven in de richting van een van de honden.
‘Waarom werd de moeder van keizer Karel, Johanna de Waanzinnige genoemd heer Hendrik?’ vroeg Janus. ‘Dit is toch zeker niet omdat de een dochter was van Isabelle van Aragon? Ik heb eens van deze koning en koningin is Spanje gehoord, de pastoor stelde hen voor als of zij bijna heilige waren geweest.’
Hier schoot Hendrik in de lach. ‘Heiligen? Het zou wat! Door hun gedrag zijn er honderdduizenden Joden vermoord, Moren en moslims afgeslacht alleen omdat ze op een verkeerd moment op de verkeerde plaats waren geboren. Jullie pastoor heeft zeker vergeten te preken over naastenliefde en over barmhartigheid. Wij hebben hier in de lage landen de afgelopen jaren niet slecht gehad. In alle rust leefden de horige op mijn landerijen. Er was geen onrust over het geloof totdat men ook in de waard boven de grote rivieren in aanraking kwamen met de nieuwe leer van die monnik uit Wittenberg. Nu komt er nog de stroming bij namelijk de leer van de Fransman Calvijn die in jullie polder, de Alblasserwaard, tamelijk veel aanhangers blijkt te hebben. Nu komen we tot een antwoord op jouw vraag Janus, waarom werd de moeder van keizer Karel als Waanzinnige genoemd. Ze zou toen haar man Filip de Schone was overleden buiten zinnen zijn geraakt van verdriet. Voordien had ze ook al haar buien, ze zou in haar jaloezie het haar van een minnares van Filip hebben afgeknipt. Ze zou waanzinnig van jaloezie zijn geweest toen hij nog in leven was maar ze werd echt waanzinnig na zijn overlijden. Maandenlang trok ze rond met het stoffelijk overschot van Filips. Eens kwam ze ’s nachts bij een klooster aan waar ze met haar gevolg wilde overnachten toen ze een non naar de kist zag kijken. Ze krijste dat de non moest worden verwijderd omdat ze vreesde dat ze haar geliefde zou willen verleiden.’
Riens draaide de roemer aan de steel rond tussen zijn vingers en bekeek de versieringen aan de rand van het glas. ‘Dan begrijp ik wel dat men vreest dat ook haar kleinzoon vreemde trekken vertoont.’ zei hij. ‘Maar geloof U dat zelf ook heer van Brederode?’
Hendrik streek peinzend over zijn knevel. Hij nam een slok uit zijn glas, het viel Dries op dat hij wat langzamer zijn glas leeg dronk dan eerder die middag.
‘Ik was vroeger ook katholiek, ik heb met Fernando Álvarez de Toledo, de hertog van Alva, in 1547 als goed katholiek meegevochten tegen de Duitse protestanten. Nu 12 jaar later ben ik zelf overgegaan tot de nieuwe leer en heb ik mijn stad Vianen tot vrijstad verklaard voor een ieder die wegens zijn geloofsovertuiging wordt vervolgd.’
‘Maar dat is geen antwoord op mijn vraag heer van Brederode, ik vroeg of U gelooft dat de Koning van Spanje, Philips II ook trekken van waanzin vertoond?’
Vroeg Riens die zich verwonderde over het ontwijkend antwoord van Hendrik.
Opnieuw verzonk Hendrik in gepeins en streek met gespreide vingers van zijn rechterhand als gedachteloos door zijn haren.
‘Nee, nee, nee. Ik ben trouw aan mijn koning. Ik kan je vraag niet beantwoorden jongen. Ik houd mijn mening voor me. Wel kan ik je zeggen dat ik mij mateloos erger aan alle gebeurtenissen aan het hof, hier in Brussel. Margaretha van Parma, de halfzuster van Philips is aangesteld als zijn plaatsvervanger in de Nederlanden en zij zou ons, de edelen als raadgever om raad moeten vragen. De Prins van Oranje die nu stadhouder is wordt, wel niet openlijk, genegeerd. Ze moet wel samenwerken maar ze wordt door haar broer gedwongen om ons, de hoge edelen, alle rechten af te nemen. Haar echte raadgevers zijn katholieken. Granvelle. Deze Granvelle staat is voor de koning een goed staatsman. Hij heeft gezorgd voor het tot stand komen van het huwelijk van Philips II met Maria Tudor. Maria die een dochter was van een zuster van Johanna de Waanzinnige. Catharina van Aragon was getrouwd geweest met de koning van Engeland Hendrik VIII. Deze Koningin Maria overleed vorig jaar en nu is een dochter van Hendrik VII zijn tweede vrouw koningin geworden. Gelukkig voor haar protestantse onderdanen is deze koningin Elizabeth protestants in tegenstelling tot haar voorgangster die de protestanten zag als ketters en deze bloedig onderdrukte.’
Vervolg komt als ik weer wat tijd kan vinden ;-) 3S
Volgende hoofdstuk Hoofdstukken


