Er lag zelfs onder de bomen een dikke laag sneeuw zodat het niet donker was in het bos. Dries, die alleen voorop reed omdat Riens wat later van plaats was gewisseld met Herbert, genoot van de omgeving die licht glooiend was en waar hij na elke bocht in het pad het wild zag wegspringen. Al tweemaal had hij een groot hert gezien en wel twintigmaal konijnen en hazen veelal aan de rand van een open plek in het bos. Toen hij dan ook links van zich iets dacht te zien bewegen verwachtte hij niets anders dan wat groot of klein wild te zien. Groot was zijn verbazing dan ook toen er drie kerels vanachter enkele dichte, kale, struiken vandaan sprongen die vlak langs het bospad stonden. Dries gaf een schreeuw om zijn vrienden te waarschuwen. Twee kerels grepen naar het bit van het paard van Dries en de derde hield een groot pistool op Riens gericht die juist de paardendekens om zich heen wikkelde op de bok van de koets. Dries keek om naar de koets en zag nog juist Berent met een reuzensprong verdwijnen in wat bossage aan de andere kant van het pad. Ook zag Dries dat er links achter de koets nog twee kerels tevoorschijn kwamen waarvan er een met een degen zwaaide en de ander met een dolk. Het leek er op dat de overvallers niet hadden gezien dat Berent in de struiken verdwenen was. De twee paarden die achter de kar waren gebonden steigerden van schrik. Plots klonk er een knal vanuit de koets en van dicht bij de voeten van Riens steeg kruitdamp op. Van deze knal schrok het paard van Dries zo hevig dat ook zijn paard hoog opsteigerde en Dries van zich afwierp. De man die midden op het bospad had staan zwaaien met zijn pistool lag bloedend op de grond. Dries was door de val even geheel machteloos in de sneeuw blijven liggen en ook Riens zat verstijfd van schrik op de bok en wist niet wat hij moest doen. Anders was het met Tijmen en Janus in de koets. Tegelijk vlogen de beide deurtjes open, Janus die een dolk in zijn hand had sprong links uit de koets en gaf de overvaller die het dichtst bij hem stond een opwaartse stoot met zijn linkervuist onder zijn kin zodat hij achterover de bosjes in tuimelde. Intussen krabbelden de twee overvallers die het paard van Dries hadden vastgepakt ook overeind uit de sneeuw. De ene man was geraakt door het steigerende paard en hinkte naar de rechterzijde van het pad waar hij werd opgevangen door Berent die geen vragen stelde maar met een gerichte klap met het heft van zijn dolk de man buitenwesten sloeg. De andere overvaller stortte zich op Dries die juist vanuit een geknielde houding overeind probeerde te komen. De trap waarmee de man Dries vol in de zij raakte liet hem opnieuw in de sneeuw bijten. Het werd hem zwart voor de ogen en voor de man nogmaals uithaalde was Dries buiten bewustzijn geraakt. Riens die nog onbewegelijk op de bok zat werd door het zien van deze aanval op Dries opeens weer actief. Hij sprong vanaf de bok de overvaller op zijn nek die dit niet had zien aankomen. Samen rolden ze door de sneeuw en probeerden elkaar in bedwang te houden. Tijmen, voor wiens voeten de vechtende mannen door de sneeuw rolden zag dat de man zijn dolk gevaarlijk dicht bij de keel van Riens bracht, stortte zich op de arm van de man en kon de dolk uit zijn knuist wringen. Met dit wapen in de vuist keek hij om zich heen wie de meeste hulp nodig had.
‘Daar,’ riep Berent en wees met zijn dolk naar de kar die scheef op het bospad stond.
’Grijp die kerel voor hij er met mijn paard vandoor gaat,’ hij stormde de koets voorbij en wilde de kerel grijpen die de leidsels met een mes probeerde door te snijden.
‘Dat zal je niet glad zitten makker,’ beet hij de kerel toe. ’Je had beter moeten uitkijken voor je ons overviel. Hier jij, dat ik je aan mijn dolk rijg.’
Toch liep het anders dan Berent had verwacht. De man draaide zich bliksemsnel om en ving de aanstromende Berent op met zijn degen. Hij zou hem recht in het hart getroffen hebben als het schichtige paard niet aan de teugels had gerukt waardoor de kerel uit balans werd gebracht. Nu schampte de degen af langs de linkermouw van Berent die een schreeuw van pijn niet kon onderdrukken. Janus die via de struiken naar achter was geslopen vond een armdikke stok waarmee hij tegen de degen sloeg die de man in zijn hand hield. Daardoor liet hij liet de degen los en greep naar zijn hand die in een ongewone hoek aan zijn arm leek te bungelen.
‘Dat is de tweede pols die we breken binnen een week,’ liet Janus zich ontvallen, ’het lijkt of we er op uit zijn onze medemensen te verminken.’
Berent liep op de vechtende Riens en zijn tegenstander toe en deelde daar een paar flinke schoppen uit zodat ook die overvaller er genoeg van scheen te krijgen.’
‘Zoek je medeboeven bij elkaar, kijk naar die kerel met het pistool, ik denk dat hij alleen nog maar wat geestelijke bijstand nodig heeft, maar verdwijn uit mijn gezicht,’ beet hij de overvallers toe.
Janus zat geknield bij Dries die ondanks dat hij buiten bewustzijn was, rustig adem haalde. Tijmen probeerde de paarden te kalmeren en maakte het ene paard los dat verstrikt was geraakt in de riemen en leidsels van de koets. Met hun drieën brachten Riens, Janus en Herbert, Dries naar de koets en tilden hem op een bank. Met wat karbiezen en paardendekens werd de ruimte tussen de beide banken opgevuld zodat Dries gemakkelijk kon liggen.
Berent had zich wat afzijdig gehouden en vroeg Herbert om hem even te helpen met zijn mantel uit te trekken. Geen van de vrienden had tot dit moment gemerkt dat hij door de degen was getroffen in zijn bovenarm. Groot was dan ook de schrik toen na het verwijderen van de kleding de snijwond zichtbaar werd in de bovenarm.
‘Ik geloof niet dat er bot is geraakt,’ zei Berent die toch af en toe zijn tanden op elkaar moest klemmen toen ze de wond verbonden met een reep wit linnen dat ze voor dit soort ongevallen in hun reisspullen hadden meegenomen.
Het was onmogelijk de verbonden arm weer in de mouw van zijn trui te krijgen zodat ook hij in de koets werd gezet. Hij protesteerde eerst nog wel maar na een poosje bond hij in en ging de stoet op weg naar het plaatsje Aalst waarvan ze even tevoren de torens boven de bomen hadden gezien. De overvallers waren iets verder naar het dorp toe bezig, met behulp van wat takken, een ondiepe kuil te graven voor hun kameraad die het schot niet had overleefd dat Riens had afgevuurd door het luikje tussen de koets en de bok. De grond was te hard om een fatsoenlijke kuil te kunnen maken met alleen maar een dolk en wat stokken. Riens had een schop van de kar gehaald en was met deze naar het groepje toegelopen.
‘Hier heb je een schop dan kan je de man nog fatsoenlijk begraven. Anders is hij morgen opgegeten door het ongedierte.’
Herbert reed met de koets achter Tijmen aan die voorop reed op een van de paarden. Janus reed achteraan en hield goed het pad in de gaten. Aan de wagen waren de paarden van Berent en Dries gebonden die nu weer gewillig meeliepen. Herbert die op de bok van de koets zat had het pistool van Cordez opnieuw voorzien van kruit en een kogel en probeerde ook het pistool dat ze hadden buitgemaakt van de overvallers te voorzien van munitie. Het was alsof ook het weer deel nam aan de algemene mineur die er nu hing over het groepje ruiters, het begon licht te sneeuwen. Gelukkig reden ze na een half uur het bos uit en zagen inderdaad de torens van een stadje opdoemen. Men keek uit naar een herberg buiten de stadsmuren maar kon er geen vinden. Er stonden overal wel verlaten en soms deels verwoeste huizen.
‘We rijden het stadje door en kijken of we in de stad iets geschiktst kunnen vinden als onderdak anders rijden we de Westpoort weer uit en trekken we verder en stoppen bij een van die verlaten hofsteden en richten daar ons bivak in,’ zei Tijmen die als vanzelfsprekend de leiding op zich had genomen als oudste van de groep. Ze stopten nog even voordat ze het stadje in reden en verzorgden de mannen in de koets. Berent had dorst en dronk gulzig wat uit de veldfles van Herbert die hij tussen zijn trui en mantel ontdooid hield. Dries leek rustig te slapen maar kreunde in zijn onderbewustzijn toen Herbert hem wat trachtte om te rollen om zo wat meer ruimte te krijgen voor Berent.
‘Laat hem maar liggen Herbert, ik denk dat hij wel een paar ribben heeft gebroken. Hij kreeg een flinke schop van een van de overvallers in zijn zij maar ook tegen zijn hoofd,’ zei Berent. Zo trokken ze door het stadje zonder dat er vragen aan hen werden gesteld maar men keek de groep wel nieuwsgierig na. Opnieuw zagen de vrienden sporen van geweld en in verschillende straten staken alleen wat verkoolde resten van houten balken uit de puinhopen. Ook de bevolking zag er slecht en ondervoed uit. Als kleding hingen er soms vodden om de lichamen van de kinderen en waren er houten plankjes als schoenen onder de voeten gebonden. In de straat die er als de hoofdstraat uitzag stonden de restanten van wat eens de kerk was geweest. Een groepje kinderen stonden zich te warmen bij een vuurtje dat ze stookten in een hoekje van het plein.
‘Verschrikkelijk,’ zei Janus tegen Riens toen hij even naast hem was komen rijden, ‘dit kom je gelukkig niet tegen in de Alblasserwaard. Kijk die kinderen er eens bij lopen, ze hebben bijna geen kleren om hun lijfjes.’ Er branden bij verschillende restanten van huizen nog meer kleine vuurtjes waaraan de kinderen zich probeerden te warmen. Nadat de vrienden de tegenoverliggende poort waren gepasseerd zagen ze voor zich het galgenveld van het stadje. Aan de galgen hingen de lichamen van drie mannen die zachtjes in de wind bewogen, hun schouders bedekt met sneeuw. Een groep kraaien vloog op toen Riens de stok gooide waarmee hij een uur voordien op de aanvallers had ingeslagen. Een van de brutaalste kraaien bleef op een schouder van een lijk zitten en pikte de ogen uit van de ongelukkige.
‘In wiens naam zijn deze mensen hier opgehangen.’ zei Riens. ’Het is toch godgeklaagd dat mensen elkaar op deze manier uitroeien. Je kunt aan de hele omgeving hier zien dat twee verschillende groepen elkaar uitmoorden. Op de meeste hoeven rond het stadje roken geen schoorstenen meer. Op het veld staan nu nog rapen en kool die bevriezen of al half zijn weggerot. Het lijkt er op dat er niet voldoende mensen meer over zijn om voor eten te zorgen. Als er geen licht brand op de hoeve en er rookt geen schoorsteen dan zijn er ook geen mensen en geen dieren.’
Ondanks de kou trok een rilling over zijn rug. Riens tikte met de leidsels de rug van het paard aan en maande het aan tot spoed, de koets nam wat meer afstand.
‘Laten we zorgen om onderdak te komen voor het helemaal donker is,’ zei Riens en dook wat verder weg in zijn mantel.
Volgende hoofdstuk Hoofdstukken


