Het is bijna een week later als een kleine ruiterstoet onder de poort van het kasteel door, de uiterwaarden in rijdt. Het zicht is beperkt, er hangt een dichte nevel over het landschap. De machtige eiken langs de oprijlaan staan roerloos in de stilte van deze winterdag. Hun takken voorzien van een sneeuwlaag die enkele dagen geleden was gevallen. De kale takken van de wilgen die langs de sloten staan zijn voorzien van een dikke rijplaag. Arbeiders waren bezig de wilgen te knotten, dit leverde stookhout op en materiaal voor het maken van hekken, afrasteringen maar ook stelen voor hun werktuigen. Gedempt klonken de slagen van hun bijlen en kapmessen. Dof klonken ook de hoeven van de paarden waarop de ruiters zaten, diep weggedoken in hun wollen mantels, de kragen hoog opgeslagen. Een dikke sjaal rond hun hoofden liet nog net genoeg ruimte vrij om te zien hoe en waarheen ze hun rijdieren leiden. Het had die nacht heel hard gevroren. Even hadden ze nog met de gedachte gespeeld hun reis uit te stellen maar Dries had er op aangedrongen zo snel als mogelijk te vertrekken. Het groepje ruiters bestond uit de vier vrienden die, nu bijna een week geleden aangekomen waren op het kasteel van Joris van Savenhent. Samen met de pastoor van Gorkum en een boodschapper van het Brusselse hof. Ze hadden uren overlegd wat er nu moest worden gedaan, er was veel tijd gespendeerd aan het verhoren van de gevangenen. En dat dit niet gegaan was op de manier die men had gewild was wel te horen geweest aan de kreten die soms door de gewelven van het kasteel hadden geklonken. De heer van Savenhent had met enkele van zijn vrienden overlegd hoe de pastoor het best aan een verhoor kon worden onderworpen. Er was na enkele dagen resultaat geboekt, zowel de bode als de pastoor hadden belangrijke informatie gegeven en onafhankelijk van elkaar bekend. Dagen hadden ze in het kasteel kaarten bestudeerd van de weg naar Brussel. Berent was een paar maanden geleden met de heer van Savenhent naar Antwerpen geweest en had de meeste ervaring in het reizen. De heer van Savenhent had er bij de vrienden op aangedrongen om gezamenlijk te reizen. Zo was het gezelschap dat nu via de dijk naar Zaltbommel reed samengesteld uit de vier vrienden. Ze reden op drie zwarte paarden en de vos van Dries. Er achter reedeen koets  en een kar met bagage en leeftocht met als koetsiers Tijmen en Herbert. Men had de koets voorzien van een fors aantal stoven zodat ze zich regelmatig binnen konden opwarmen. De afgesproken route zou lopen via Zaltbommel, Tilburg, Turnhout en Leuven naar Brussel. Het was niet de meest logische route maar omdat de heer van Savenhent nog enkele brieven had die moesten worden bezorgd in Tilburg en Turnhout was er voor deze route gekozen. Er was drie dagen geleden een bode gestuurd naar het hof in Brussel. Deze zou contact opnemen met Hendrik van Brederode over de komst van Dries en zijn vrienden. Ze hadden de route goed bekeken en verwachten dat ze in deze samenstelling en met deze weersomstandigheden binnen vier dagen de reis konden volbrengen. De bode die was gestuurd, een van de knechten, zou de vrienden bij de Anderlechtsche poort van Brussel opwachten. Hij zou ze naar het punt brengen dat hij met Hendrik zou afspreken. Dries hoopte maar dat de knecht de heer van Brederode snel zou weten te vinden. Ze hadden de taken zo verdeeld dat degene die zich in de koets had opgewarmd voor aan de stoet zouden gaan rijden. Dan konden deze rijders zich een uur binnen verwarmen en nadien de koetsier en de voerman aflossen. Zo reed Dries met Herbert, een van de knechten die er ook bij was in Gorkum, aan het hoofd van de kleine stoet.
‘Het is nog kouder dan ik vanmorgen had gedacht,’ foeterde Herbert die zijn gebreide wanten wat dieper in de mouw van zijn mantel probeerde te stoppen.  ’Ik zal blij zijn als we straks even in de warme koets plaats kunnen nemen.’
Dries knikte en bromde wat in de dikgebreide sjaal. Hij klopte met zijn rechterhand de stukjes ijs uit de sjaal die ontstonden door hun bevroren adem.
‘Nee, het wordt zeker geen plezierreisje dat heb ik wel door. Ik hoop dat Riens en Tijmen de stoven goed aanhouden en de raampjes van de koets een beetje open houden. Het zal niet de eerste keer zijn dat er mensen in een verwarmde koets dood gaan omdat ze de raampjes dicht deden. De rook van de houtskool en van de kooltjes is niet best voor de gezondheid van mens en dier.’
De koets stopte voor de pont over de Maas. Men wisselde van plaats en zo reden Berent en Riens als eersten de pont op. De schipper knoopte een praatje aan met Riens over de moeilijke overtocht. Hij was deze morgen nog maar een keer overgestoken. Met enkele knechten waren ze ruim twee uur bezig geweest om zich een vaargeul te hakken door het ijs dat weer enkele duimen dik was aangegroeid. Ook deze overtocht viel niet mee, met behulp van de vrienden en de beide knechten van de heer van Savenhent die vaardig de vaarboom konden hanteren duurde het ruim een uur voor ze de koets en de kar aan de overzijde tegen de dijk op konden sturen. De zes paarden werden uitgespannen en in de stal achter de herberg ’Het Veerhuis’ gestald terwijl Dries de waard al opdracht had gegeven om een warme maaltijd klaar te maken. Toen Riens als laatste de staldeur achter zich sloot kwam ook de pontbaas tegen de dijk oplopen met zijn drie knechten.
‘Ik heb het opgegeven. Morgen of overmorgen is het pad over de rivier sterk genoeg om daar over te steken. Het wordt mij nu te gevaarlijk en het blijft er naar uitzien dat de vorst nog wel een poos zal aanhouden.’ Hij liep naar een schuur waar hij de bijlen en vaarbomen in opborg. De vrienden hadden plaats genomen aan een tafel dicht bij het knappend haardvuur. Ze hadden hun mantels en mutsen afgelegd, hun warme wanten uitgetrokken en verwarmden nu hun koude ledematen.
‘Ik ben blij dat we gestopt zijn,’ zei Riens die met zijn rug naar de haard stond. ’Het is erg koud en ik hoop maar dat we ook vanmiddag niet te lang doorrijden.’
Janus, die zijn laarzen uittrok, warmde zijn benen bij het vuur dat hoog oplaaide in de haard.
’De kleren die de heer van Savenhent ons heeft laten aanmeten zien er erg mooi uit en maken van ons bijna echter jonkers. Maar ik zou mij beter voelen in mijn vertrouwde kleren. Die zijn ook warmer dan deze kleding.’
Berent schoot in de lach. ’Het is dan ook een allegaartje wat jullie hebben aangetrokken vanmorgen. De helft van je mooie, nieuwe kleren en de andere helft zijn jullie oude kleding. Het valt mij nog mee dat er niemand zijn klompen heeft aangetrokken. Als we over een paar dagen in het zuiden zijn dan moeten we ons weer eerst degelijk aankleden. Mijn heer heeft niet voor niets jullie in nieuwe kleding gestoken. We moeten daar doorgaan voor leden van de lage adel en die gaan doorgaans goed gekleed.’
Men sprak tijdens de maaltijd nog verder over de hartelijke ontvangst die ze enkele dagen geleden hadden gekregen bij de aankomst op het kasteel. De heer van Savenhent was deels al door Berent en Riens ingelicht over hun belevenissen in de Alblasserwaard. Dries moest na aankomst natuurlijk alles direct vertellen over de overval op de Gorkumse pastoor, het gevecht op het kloosterterrein en de gelukkige vondst van het pistool van de boodschapper.
‘Ik denk niet dat we die twee anders ongestoord hadden kunnen afleveren in het kasteel,’ zei Janus. ’Ik weet niet of je de afgelopen dagen het gezicht van die Cordez hebt bekeken, het venijn druipt er zomaar vanaf. Ik was blij dat ze de helft van de tijd in de koets in katzwijm lagen.’
Zo vertelden ze elkaar tijdens de maaltijd opnieuw de voorvallen die ze de afgelopen weken hadden beleefd. De gelagkamer was leeg, de waard rammelde in de keuken met potten en pannen zodat ze ongestoord konden praten. De twee knechten, Tijmen en Herbert, waren helemaal in de groep opgenomen op aanraden van Joris van Savenhent. Hij was het ook die hun voorstelde dat ze zouden gaan reizen als zonen van welgestelde burgers die op zoek waren naar vertier in de donkere wintermaanden. Hij had hen de namen van enkele van zijn vrienden meegegeven. Als zij de brieven aan desbetreffende edelman zouden overleggen konden ze altijd op hun hulp rekenen.
‘Ik zou gemakkelijk een hazenslaapje kunnen doen,’ zei Tijmen nadat hij met een broodkorst de schaal leeg veegde waarop een halfuurtje geleden nog een flink stuk varken had gelegen.
‘Jij mag dat zeggen Tijmen,’ zei Dries. ’Je bent dan ook al wat ouder dan de rest van het gezelschap. Maar ik zou willen voorstellen om ons kamp op te breken, de paarden weer in te spannen en verder te rijden naar het zuiden. Ik hoop dat we nog een uur of drie aan een stuk kunnen doorrijden. Ik stel voor dat we morgenochtend bij de eerste stralen van de zon weer vertrekken.’
Het kostte ze een dik half uur om de paarden in te spannen, de stoven te verzorgen en zich weer dik in te pakken tegen de koude wind. De lucht was stralend blauw geworden na het optrekken van de mist en zo konden ze toch nog ruim drie uren doorrijden. In de buurt van Tilburg vonden ze een herberg die wat afgelegen stond van de postweg maar vlakbij het adres waar de brief voor de heer van Savenhent moest worden bezorgd. Berent had hier ook met de heer van Savenhent overnacht en kon zich nog de vriendelijke waardin herinneren. Dries liet die avond de vrienden voor een uurtje alleen zodat hij de brief kon afgeven op het adres welke Joris had genoemd. De vriend van Joris schreef als antwoord een brief naar de heer van Savenhent maar gaf ook een brief mee voor de heer van Brederode.
De waard had de volgende morgen op verzoek van Dries voor een ieder een pakket gemaakt met leeftocht voor die dag. Weer waren de eerste uren van de dag erg koud geweest maar gelukkig kwam ook die middag de zon er weer door die de tocht bijna op een pleziertocht deed lijken. In Turnhout werd opnieuw een brief afgegeven en weer kregen ze nieuwe brieven mee. Een was bestemd voor de heer van Savenhent, de ander opnieuw voor Hendrik van Brederode. Men verzocht de vrienden om het noenmaal te gebruiken in het woonhuis van de vriend van de heer van Savenhent wat de jongens graag accepteerden. Ze reden een dik uur na het noenmaal over een goed begaanbaar pad een dicht naaldbos in.

Vervolg                                         Hoofdstukken
Onze Facebook pagina