Janus keek voorzichtig om de hoek voordat hij de deur helemaal opende maar hij kon opgelucht ademhalen. De pastoor zat tussen brokstukken van wat eens een tafel en een stoel was geweest, op de grond en wreef over zijn knieën. Janus wenkte Dries naar binnen en verplaatste de kaars die op de schoorsteen stond naar het raamkozijn. Er zaten wel ijsbloemen op de ruitjes maar met het licht in het kozijn kon er niemand naar binnen kijken.
‘Nu eerst die kerel vastbinden Janus. Hij kijkt mij te link uit zijn ogen. Houd hem in de gaten ik snij een aantal repen van die mantel dan kunnen we ze daarmee binden.’ Dries ging achter de man staan die op de enig overgebleven stoel was gaan zitten en zijn pols ondersteunde mat zijn andere hand. Hij gebood de pastoor in de deuropening van de kamer, op het trapje te gaan zitten.
‘Blijf daar zitten en druk deze lap tegen je hals zodat het bloeden stopt. Vertel ons maar eens wat hier gebeurd. Cordez hebben we al te pakken die ligt buiten in de tuin vastgebonden. Deze Gerrit hier is niet veel meer waard en die woesteling hier bij de muur komt voorlopig ook niet aan tafel zitten.’
Janus had ondertussen de benen van de man aan de twee stoelpoten vastgebonden en gebood de man zijn goede arm naar achteren te buigen zodat hij die aan de rugleuning kon vastmaken.
‘Die arm van je laat je maar op je schoot liggen,’ zei Janus. ’Als je meewerkt kunnen we de arm nog spalken zo niet dan kunnen we de arm met die knuppel nogmaals bewerken.’
Janus verdween naar buiten en kwam na een paar minuten terug een sleepte de nog steeds bewusteloze Cordez achter zich aan. Hierna bond hij de man die door de pastoor Harm was genoemd de armen op zijn rug en keek de pastoor eens aan.
‘Zo heer pastoor vertel nu eens wie dit allemaal zijn. Ik ben benieuwd wat we te horen krijgen. Ik ben niet van plan om met halve waarheden genoegen te nemen. Ik heb van mijn vriend vernomen dat hij hier in de buurt van het klooster al eens met U gesproken.’
De pastoor keek Dries aan wiens hele gezicht onder het bloed zat en dat al begon op te drogen. Op dat moment begreep hij de opmerking van Janus. Hij was in het gevecht de helft van zijn vermomming verloren, de doek was gedraaid en zat nog half voor zijn mond en neus. Zou de pastoor hem hebben herkend? Gelukkig had hij niet veel gesproken, misschien was de spraak van de man uit Zaltbommel langer blijven hangen.
‘En wie moet je vriend dan wezen,’ vroeg de pastoor van af het trapje naar de kamer. ’Als jij nu eens je kap af zou doen dan kan ik jullie twee gezichten bij elkaar zien en mogelijk herkennen.’
Dries had zijn muts gevonden en trok die, achter de pastoor, weer over zijn hoofd en gezicht. Hij drukte pijnlijk tegen zijn gezwollen lip die weer begon te bloeden. Hij proefde het bloed in zijn mond. Ook de pastoor moest er aan geloven, Dries bond ook zijn handen op zijn rug samen en beval hem om op de vloer te gaan zitten.
Hij vroeg aan Janus of die niet even in het aanbouw van de woning wilde kijken naar enkele touwen.’Ik wil ze alle vier ruggelings aan elkaar binden dan kunnen we ze ongestoord ondervragen.
Even later kwam Janus terug met enkele rollen henneptouw dat blijkbaar werd gebruikt om in de zomer om de was aan op te hangen.
‘Ik zou even wachten met de mannen aan elkaar binden’ zei Janus. ’Ik vermoed dat we straks nog bezoek hier kunnen verwachten van de soldaten die gisteren hier waren. Ik denk dat zij straks wat ongerust worden als deze Cordez niet komt bij de westelijke poort. We zouden deze mannen moeten meenemen. Zouden we niet een kar kunnen regelen, ze hier ophalen en meenemen naar onze schuilplaats?’ Hierbij gaf hij een teken aan Dries om er niet mee in te stemmen. Verwonderd keek Dries hem aan en wenkte Janus mee de tuin in.
Wat bedoel je Janus,’’ zei hij fluisterend. ’Ik zag dat je iets anders bedoeld dan je zegt.
‘Jij gaat straks zogenaamd op een wagen uit dan houden ze zich wel stil. Ze hebben nog hoop dat de soldaten hier eerder zijn dan ik met die wagen. Maar ik denk dat het beter is om niet naar een kar te gaan zoeken maar dat je als een haas in de richting rent waarvan de soldaten zullen komen, vanuit hun logement, en de soldaten uit naam van Cordez en de pastoor zegt dat ze zelf naar Vianen kunnen vertrekken omdat Cordez vanmorgen in alle vroegte is opgehaald door een Spaanse heer en met hem naar Vianen is gereden. Ze zouden elkaar daar weer ontmoeten, daar trappen ze vlot in. Hoe weet anders een wildvreemde de naam van de bode en de plaats waar ze naar toe zouden gaan.’
Dries kon zich in het plan vinden en samen gingen ze weer naar binnen om het toneelstukje op te voeren. Dries zag een blik van hoop in de ogen van de pastoor toen hij Dries hoorde zeggen dat het wel een paar uur kon duren voordat hij een kar had gevonden.
‘Het valt niet mee om een dichte kar te vinden. Misschien dat ik een koets moet huren, houd deze mannen in de gaten zo lang ik weg ben. Wees niet bang om af en toe eens met die knuppel een mep uit te delen.’ Aan de deurpost zag hij een grote sleutel aan een spijker hangen die hij er vanaf nam. Zo als hij al verwachtte was dit de sleutel van het poortje zodat hij niet over de muur hoefde te klimmen.
Voor hij de poort opendraaide schoot hem nog wat te binnen. Vlug liep hij terug en waarschuwde Janus dat er mogelijk iemand aan de poort kon komen die de goederen moest binnen zetten. Ze spraken af dat Janus zich stil zou houden als er iemand aan de poort kwam.
Gerustgesteld ging Dries richting het logement waarheen ze de soldaten de vorige avond hadden zien lopen. Hij kwam ze al halverwege tegen informeerde de soldaten als afgesproken.
‘Zijn we gisteren daarvoor het hele eind naar hier komen rijden. Hadden we dat vooraf geweten dan had de commandant zijn kar wel later terug gekregen.’
Mopperend stegen de mannen op hun paarden en sloegen de weg in naar Schelluinen.
Zo kwam Dries binnen een half uur weer terug bij de tuinpoort. Deze had hij buiten vandaan op slot gedraaid en de goederen stonden nog in de steeg. Hij opende de poort en rolde de vaten binnen de poort. Ook de manden en kisten die erbij stonden droeg hij naar binnen misschien kwamen ze vanuit het klooster zonder te vragen de waren wel ophalen. Hij verwachtte niet dat de pastoor deze in de opslag en berging van het klooster zou brengen.
Janus had ondertussen de stukken van de tafel en de stoelen uit de keuken verwijderd door deze in de hoek van de kamer te gooien. Hij had de gordijnen die aan de straatzijde voor de ramen hingen eerst dicht geschoven en een paar kaarsen aangestoken. Ook had hij een voor een de mannen naar die kamer overgebracht en ze daar in een stoel vastgebonden. Hij had wat moeite gehad de beide bewusteloze mannen tegen het trapje op te sjorren maar erg voorzichtig was hij niet geweest. Hij was nu juist de arm van Gerrit aan het spalken met een deel van een stoelpoot toen Dries de kamer binnen kwam.
Dries zag de pastoor al teleurgesteld kijken. Het was duidelijk van zijn gezicht af te lezen dat hij liever de soldaten had zien komen dan Dries.
‘Zo en vertel me nu maar eens hoe de vork in de steel steekt. Ik ben een paar weken geleden bij U wezen biechten dus het een en ander weet je nu wel van mij. Dat je me niet herkend is niet zo vreemd, in de biechtstoel brandde een kaarsen maar ik heb mij toch goed kunnen oriënteren in deze stad zonder veel op te vallen.’
Dries had buiten zijn muts weer tot over zijn ogen neergetrokken, de rand kwam net onder zijn neus. De lap had hij afgedaan, hij had erg veel last van zijn lip en voelde hij een stekende hoofdpijn opkomen.
‘Ik ben gezonden door edelen van het Hof in Brussel. Vanuit Gorkum worden er acties tegen ketters ondernomen, erg tegen de zin van de hoge heren die rust in hun landen wensen. We hebben het een en ander uitgezocht en het blijkt dat de bron van onrust vanuit dit huis wordt aangestuurd. Deze Cordez hier heeft brieven ontvangen van een marskramer die regelmatig in Brussel verblijft maar deze keer hebben wij die brieven onderschept. Hier heb ik een brief gericht aan U heer pastoor en die is geschreven door Don Franca.’
De pastoor probeerde een wat gemakkelijker houding aan te nemen, hij zat wat onderuit gezakt op de stoel met de armen aan de leuningen gebonden.
‘Ik weet niet wie je bent maar nu wel wat je hier komt doen. Probeer met me wat je wilt maar laat mijn broer Harm gaan. Hij heeft helemaal niets met deze zaak te maken, hij is gistermiddag aangekomen op doorreis naar Breda. Je kunt dat straks controleren als hij bij kennis komt. Hij handelt in turf vanuit de heerlijkheid Overijssel en blijft hier regelmatig een nachtje slapen. Gerrit hier is mijn knecht en doet allen wat ik hem opdraagt.’
Dries wenkte Janus de keuken in en liet de deur naar de kamer openstaan. Hij nam de kaars weg van voor het raam en veegde met zijn muts de ruit schoon waar nu alle ijsbloemen van waren gedooid. Ze liepen naar buiten en konden zo via de openstaande deur de mannen in de kamer in de gaten houden zonder dat deze hun gesprek kon volgen.
‘Wat gaan we hiermee doen Janus. Ik ben bang dat we geen vier man onder bedwang kunnen houden. Als er volk op de straat komt hoeven ze maar te gaan schreeuwen en in korte tijd hebben we de schout met zijn rakkers hier op de stoep staan. Als er gegil klinkt vanuit het huis van de pastoor zullen er maar weinig mensen hun schouders ophalen en doorlopen. Het is nu nog donker, als we nu eens de pastoor meenemen, we halen het koetsje weer op bij de stalhouder en we brengen hem naar Zaltbommel. Ik denk dat de heer van Savenhent dit heerschap wel aan de tand wil voelen’.
Ze moesten de waarheid onder ogen zien. Tegen vier mannen waren ze niet opgewassen het was niet te verwachten dat ze zich de hele dag rustig zouden houden, snelheid was dus geboden. Dries stelde voor om naar de stalhouder te gaan daar zijn paard en het koetsje weer op te halen. Janus zou de pastoor scheiden van de andere mannen en door te dreigen de pastoor te vermoorden ze proberen rustig te houden.
Dries drukte Janus op het hart niet te week op te treden mochten een van de mannen amok proberen te maken.
‘Met een welgemikte klap sla je ze zo weer buiten kennis. Ik vertrouw die pastoor voor geen zier. Als die Cordez nog bewusteloos blijft kunnen we die misschien ook meenemen.’
Toch pakten ze samen nog de stoel waarop de pastoor zat vastgebonden op en sjorde deze het trapje af de keuken in. Op zijn vraag wat er ging gebeuren antwoorden Janus dat hij de man met zijn knuppel het zwijgen op zou leggen als hij nog een keer zijn mond zou opendoen.
‘Ik wil geen kik meer van iemand horen. Niet vanuit de kamer nog vanuit de keuken.’ En met deze woorden verliet Dries zachtjes het huis en spoedde zich voor de tweede maal in de richting van de westelijke poort.
De stalhouder was in de stal aanwezig, hij liet de paarden die daar stonden drinken uit een houten emmer.
‘Ik heb het kleine koetsje verhuurd maar er staat nog wel een wat grotere koets en als ik hem in die staat weer van je terug ontvangt komen we er later wel uit,’ wimpelde hij de vraag weg van Dries toen die vroeg naar de kosten van het gespan.
Dries zag aan een balk van de stal nog een bos touw hangen dat hij achterin de koets gooide en vroeg of hij wat paardendekens erbij mocht nemen. Zo reed hij een klein uurtje later het koetsje de Zusterstraat in. Hij liet het paard halt houden voor de steeg en liep direct via de tuin naar de keuken. Janus die hem had horen aankomen sneed de repen stof door waarmee de armen en de benen aan de stoel zaten vastgebonden en dwong hem met zijn mes in de rug naar buiten te lopen. Dries nam de pastoor van hem over maar liet deze eerst zijn pij uittrekken dat hij niet zonder bewaar wilde doen.
‘Snel uit dat ding of ik snij hem van je lijf,’ siste hij de pastoor toe die snel gehoor aan gaf aan het bevel toen ook Dries hem met zijn dolk flink in zijn bovenarm prikte.
’Loop door naar de poort en weet dat ik geen vinger in je nek drukt maar een vlijmscherpe dolk. Een verkeerde beweging of geluid en je bent bij je grote baas.’
De pastoor liep gewillig mee naar het koetsje waar Dries de opstap naar beneden klapte en de pastoor liet instappen. Op het moment dat de pastoor zich op de bank neer liet, toen hij gebogen stond in de koets deelde Dries met een welgemikte slag met het gevest van de dolk de pastoor een klap achter zijn linker oor toen zodat de man in de hoek neerplofte.
Snel sloot Dries het deurtje en ging terug naar binnen. Daar stond Janus al met de volgende gevangene klaar. Cordez was bijgekomen toen Dries voor de steeg stopte en stond nu te tollen op zijn benen. Janus had hem overeind gesjord wat hij na enig tegenstribbelen toch deed. Hij begreep nog helemaal niet wat er met hem gebeurde maar liep toch gewillig mee naar buiten. Tussen de beide mannen in liepen ze naar het koetsje waar zijn hem ook lieten instappen. Dries klom op de bok terwijl Janus enkele paardendekens over de beide mannen heen gooiden. Cordez die het blijkbaar erg koud had probeerde met zijn aan elkaar gebonden handen de deken over zijn hoofd heen te krijgen. Janus keerde terug naar de tuin en kwam even later terug met het zwarte paard van Cordez.
Dries zag dat de lucht in het oosten al wat lichter begon te worden. Vanuit de kapel van het klooster klonk het gezang van de nonnen, het werd hoogtijd om te vertrekken.
Janus vertelde Dries nog vlug dat hij de armen van de knecht had losgesneden van de stoel. Zijn handen waren nog op zijn rug gebonden zodat hij nog wel een poosje bezig zou zijn voordat hij alarm kon slaan.
Het bleef in het koetsje erg stil zodat Dries de deur even opende om te kijken of alles nog in orde was. Cordez was blijkbaar weer buiten kennis geraakt want hij reageerde niet toen Dries hem heen en weer schudde.
‘Des te beter nu als een haas door de poort voor er alarm wordt geslagen. Rij achter de koets en hou de deuren in de gaten. Ik verwacht niet veel leven achterin maar je weet nooit.’
Binnen een half uur reden ze Dalemse poort door waar één blik op de koetsier en een halve blik in de koets genoeg was om het gerij te laten passeren. Janus kwam ter hoogte van de bok naast de koets rijden en vroeg of Dries even wilde stoppen. Hij sneed van een wilgenboom een tweetal stokken van een armlengte.
Hij lag een touw dubbel over de knieën van de mannen naar de deur aan de andere zijde. Hier deed hij aan de buitenzijde de stok in de lus waarna hij de deur weer hard in het slot sloeg. De bede uiteinde trok hij door de andere deur naar buiten en sloeg ook die deur weer toe. Nu knoopte hij de stok aan het touw vast en trok het strak. Zo kon de deuren niet van binnenuit worden opengemaakt. De losse uiteinde sneed hij af zodat er bijna niets van deze beveiliging was te zien. Hij bleef schuin achter de koets rijden en ze waren al bij de pont voordat er beweging kwam in de hoop paardendekens die zichtbaar waren door het raampje. Janus liet Dries nogmaals halt houden en knoopte zijn paard vast aan de achterzijde van het koetsje en stapte er zelf in. Hij trok de gordijntjes toe en waarschuwde de beide mannen zich erg rustig te houden. Hij liet hun het pistool zien die hij had gevonden in de zadeltas van Cordez.
Zo kwamen ze een uur later aan bij het kasteel van de heer van Savenhent. Ze werden bij de ophaalbrug staande gehouden door twee wachtposten die hen vroegen naar hun namen en doel van hun komst. Janus opende het deurtje van de koets en stapte uit, en hield het pistool onder zijn mantel verborgen.
‘We hebben hier enkele kerels bij ons die jullie heer graag wil ondervragen. Laat snel je heer waarschuwen en meld hem dat vrienden van Berent voor de poort staan,’ zei Janus en maakte het zwarte paard los dat met zijn hoeven over de houten ophaalbrug schraapte.
Even later kwamen een paar knechten van de binnenplaats naar de poort en pakten het paard van Dries bij het bit en leidde zo het span naar de stallen van het kasteel die grensden aan de binnenplaats. Dries liet de beide mannen uit de koets stappen nadat hij hun de beide zwarte mutsen tot over de oren had getrokken zodat ze niets zagen van de omgeving. Verwonderd keken de knechten toe hoe de pastoor zijn pij weer over zijn hoofd trok. Hij had de hele rit gewikkeld in paardendekens geen kou gevoeld maar nu hij naar buiten moest was hij genoodzaakt toch weer zijn kleed aan te trekken.
‘Zo rabauwen ook in het roversnest gearriveerd?’ klonk een stem en er kwam een jongeman van een trap af die Dries nauwelijks kon herkennen als zijn vriend Riens. Hij was gekleed als een jonker, hij droeg een gele broek met daar boven een donkerrood vest dat was dichtgeknoopt door middel van zwarte veters. Op zijn hoofd had hij een prachtige groene muts waar een grote witte veer was ingestoken. Hij had zwarte laarzen aan die aan de bovenzijde kunstig waren versiert met goudkleurige gespen.
‘Man,’ zei Dries, ‘ik had je bijna niet herkend, waarom loop je er zo bij?’
De deur boven de trap werd nogmaals geopend en ook Berent kwam als een jonker gekleed naar buiten en begroeten de beide vrienden uitbundig alsof ze elkaar in geen weken hadden gezien.
‘Kom gauw mee naar binnen dan vertellen we je het hele verhaal,’ zei Berent die zijn arm over de schouder van Janus had geslagen en hem wilde meetronen naar de trap die naar de verblijven voerde.
‘Ho, ho Berent, dit gaat zo maar niet. We hebben een aantal gevangenen bij ons die we eerst veilig willen opbergen voordat ze ontsnappen. Houd vooral die geestelijke in de gaten, dat is de leider van het stel ongure figuren die vanuit Gorkum opereren.’
Berent gaf een paar bevelen aan enkele knechten die de pastoor en Cordez door een klein poortje naar de gewelven van het kasteel voerden.
‘Die worden daar goed verzorgd. Het is er droog en er is de hele dag licht in de kerker en over eten en drinken wordt nooit geklaagd.’
Nogmaals spoorden Berent en Riens de vrienden aan om mee naar binnen te gaan. Via verschillende woonvertrekken kwamen ze in de grote zaal waar Dries enkele weken geleden de heer van Savenhent voor het eerst had ontmoet.
Volgende hoofdstuk Hoofdstukken


