De volgende morgen was Dries vroeg uit de veren. Hij had slecht geslapen dat een gevolg was van het plan dat hij voor hij in slaap viel had uitgedacht. Om het plan uit te voeren moest hij vroeg opstaan. Hierdoor had hij de nacht doorgebracht met korte periode van slaap. Telkens weer schrok hij wakker en keek door het raampje naar de stand van de maan.
Op het moment dat hij vermoedde dat het vijf uur was maakte hij Janus wakker.
‘Janus, kom er uit, ik denk dat het een paar uur voor vertrek is van de bode en ik wil met je een plan doorspreken wat ik vannacht hebt bedacht.’
In een oogwenk stond Janus naast de bedstee waarin hij had geslapen. De waard had nog, een in een kamer naast de slaapruimte waarin Dries een slaapplaats had, een bedstee voor Janus in orde gemaakt. Op deze afgesloten kamer bespraken ze de mogelijkheden van het plan van Dries. Hij wilde op het moment dat de soldaten nog niet waren gearriveerd bij het huis in de kloostertuin proberen de bode te ontvoeren. De man die de soldaten antwoordde had gezegd dat hij er voor zou zorgen dat het paard van de bode zou klaar staan als de soldaten om zeven uur de bode zouden afhalen. Dries had het huis vorige week ook al zien staan in de kloostertuin maar er niet bij stil gestaan wie daar zou wonen. Het was een huis dat helemaal uit steen was opgetrokken. Gisteravond toen hij de gebeurtenissen van de laatste weken nogmaals overdacht en had hij zich opeens verwonderd over het feit dat er een mannenstem had geklonken uit het huis. Het stond gebouwd in de tuin van het vrouwenklooster. En omdat de pastoor uit deze tuin kwam wist Dries bijna zeker dat het de pastoor was die de soldaten had geantwoord. Hij wilde dit tweetal onverwachts overvallen op het moment dat ze zich veilig voelden, dat zou zijn als ze de tuin zouden verlaten. De man moet de tuin verlaten door het smalle tuinpoortje. Dit is zo smal dat de man het paard aan de teugel door het poortje moet leiden. Nu zal het paard zich proberen te verzetten als het de poort passeert. Paarden hebben er een hekel aan om tussen smalle doorgangen te lopen en de bode zal het paard toe moeten spreken. Hij zal achteruit lopend het paard leiden en op dat moment slaan we toe. Met een welgemikte klap op zijn achterhoofd sla ik hem bewusteloos en trek hem opzij van het tuinpoortje. Door deze bewegingen zal het paard schrikken en proberen achteruit te lopen. Dan is het voor jou de kunst het paard in bedwang te houden en te zorgen dat het tussen de muren blijft zodat als de pastoor de bode mocht nakijken, hij toch niets kan zien’.
‘En wat zou er gebeuren als de pastoor als eerste het tuinpoortje door komt? Hij ziet ons, schrikt en verdwijnt direct in de tuin nog voor de bode met zijn paard de poort heeft bereikt,’ wierp Janus tegen.
Dries schoot in de lach en zei, ‘Je gelooft toch zeker niet dat de pastoor om zeven uur al gekleed een bode uitlaat bij de poort van de tuin? Nee Janus, die blijft lekker binnen, kijk eens door het ruitje, het heeft toch weer gevroren dus hij komt echt niet naar buiten. En als hij naar buiten komt is het om het poortje af te sluiten en loopt hij achteraan.’
Hier op kon Janus niet veel inbrengen. ’En als de pastoor niets merkt trek ik het poortje dicht en verdwijnen we zonder pastoor?’ vroeg hij.
Dries wist dit nog niet precies. Hij zou het van de omstandigheden moeten laten af hangen. Zou de pastoor de bode volgen, dan zouden ze, nadat de bode bewusteloos was geslagen, het paard achteruit dwingen zodat de pastoor hun niet kon benaderen als hij wat merkte. Zou de pastoor niet te zien zijn en binnen zijn gebleven zo als Dries vermoedde dan zouden ze eerst met de bode verdwijnen in de richting van de stalhouderij waar het paard van Dries stond gestald.
‘Het moeilijkst is straks de bewusteloze bode op het paard te krijgen. Het is te ver om van het klooster naar de stal te lopen met een man over je schouder ander zou dit de oplossing zijn’.
Janus, zag dit niet als het moeilijkste probleem.
’Hoe komen we met een bewusteloze die over je schouder ligt of over de rug van een paard ongezien de stad uit,’ vroeg hij aan Dries. ’Ik stel voor om niet met de man te gaan sjouwen maar hem terug de tuin in te slepen. Als de pastoor zich bij het tuinpoortje bevind dan kan jij toch de tuin instappen op het moment dat het paard tussen de muur uitloopt? Hij is dan misschien zo overdonderd dat je ook hem buiten westen kan slaan of hem een mes op zijn keel kan zetten en hem zo het zwijgen kan opleggen. Dan kom ik weer terug met het paard en sluiten we de poort.’
Dit vond Dries een prima wijziging in het plan.
’Het zal ook wel van de omstandigheden afhagen hoe of het gaat lopen maar laten we in ieder geval weer die mutsen over onze hoofden trekken. De pastoor zou mij kunnen herkennen en dat wil ik zien te voorkomen.’
Zo troffen de beide vrienden hun maatregelen voordat ze de herberg verlieten en op weg gingen naar het klooster. In de steeg aangekomen viel het hun op dat er verschillende goederen naast het poortje stonden.
‘Ik geloof niet dat die er gisteren stonden,’ fluisterde Janus zacht, ‘zou een leverancier die al hebben afgeleverd.’
Dries klom op een van de vaten en keek voorzichtig over de muur heen.
‘Ze zitten samen aan tafel te eten zal de bode zo wel vertrekken, ook zijn paard staat al gezadeld klaar,’ zei Dries die weer van de ton afstapte.
’Wat nu als we over de muur heen klimmen en ze overvallen in de tuin. Het is er best wel donker en naast het huis staan wat struiken waarin we ons kunnen verbergen. Het voorkomt natuurlijk wel dat we op straat gezien kunnen worden.’
Ook Janus klom op een van de vaten en bespiede de tuin. Links van de deur stond een groot oud wijnvat wat dienst deed als regenton waarachter een van hun zich kon verbergen. De ander zou zich achter het huis in de schaduw de beukenhaag kunnen verstoppen. Hij wenkte Dries die naast hem kwam staan door op een kist te klimmen.
‘Jij achter de regenton, ik in de schaduw van de haag in de nabijheid van het paard. Maar hou je verscholen als de mannen te dicht bij elkaar blijven zodat ze elkaar kunnen helpen als er een wordt aangevallen. Nu zijn er veel meer onzekerheden dus weeg goed af voordat je toeslaat. Het voordeel van deze ommuring tegenover de steeg maar de beslissing wel makkelijker. Laten we het zo doen, fluisterde Janus en klom over de muur gevolgd door Dries. Ze kwamen neer in een hoek van de tuin waar veel sneeuw op een hoop was gewaaid. Vlug renden ze gebukt naar de achterkant van het huis van de pastoor. Dries liep naar rechts en kroop op zijn knieën onder het verlichte venster langs naar de regenton om zich achter te verschuilen. Janus verdween in de schaduw van het klooster naar de haag waar hij zich verstoppen wilde. Het paard schraapte met zijn rechterhoef ongeduldig over de stenen.
Nog geen vijf minuten later ging de deur open en hoorden ze de bode zeggen ‘ik pak mijn zadeltas even om de brieven weer in te doen.’ Hij liet de deur achter zich op een kier staan en liep op het paard toe. Janus gebaarde naar Dries om nu aan te vallen. Hij zelf zat voor de bode onzichtbaar achter het paard maar kon Dries zien zitten achter de ton. Met een paar stappen was Dries bij de man en liet de knoestige stok op het achterhoofd van de man vallen. Janus sprong ook overeind en kwam op Dries toe en samen trokken ze de man in de schaduw bij de haag. Dries keek om waar zijn stok was gebleven. Hij had de stok maandag uitgezocht tussen het haardhout op de Hogendijk. Deze polsdikke stok had hij op tweemaal een armlengte afgezaagd. Zo had hij een flinke knuppel met aan de bovenzijde een verdikking. Deze stok wilde hij niet kwijtraken, hij kon nog meer van pas komen. Janus sneed met zijn mes een flinke reep stof af van de mantel van de bode. Daarmee bond hij de handen van de man stevig op zijn rug. Hij had geen tijd om ook een prop in zijn mond te stoppen om zo eventuele schreeuwen te beletten. Dries had ondertussen snel post gevat naast de deur. Hij wilde voorkomen dat diegene die nog binnen was hun onverhoeds in de rug zou kunnen aanvallen.
‘Hij slaapt Dries,’ zei hij fluisterend, ‘we kunnen eens binnen gaan kijken. Ik zie door het ruitje alleen maar een witte slaapmuts dus veel tegenstand verwacht ik niet.’
Dries maakte voorzichtig de deur wat verder open. Zachtjes sloop hij naar binnen en hief de stok reeds boven het hoofd. Dit had hij beter niet kunnen doen. De zolder van het huisje was zo laag dat de knuppel met een bons tegen de balk knalde toen hij naar voren stapte. Hij had in één beweging de man die met zijn rug naar hem toe zat een klap met de stok op zijn slaapmuts willen geven. Nu keek de man om en zag Dries met de stok en liet zich vliegensvlug naar links van zijn stoel rollen. Dries, die hier totaal niet op verdacht was raakte eerst niets dan lucht voor de knuppel op de lege stoel bonsde. De man die verbazend vlug reageerde, zat gehurkt voor Dries en voor die van de schrik was bekomen dook de man Dries naar de benen. Door de schok tuimelde Dries teruguit tegen Janus aan die nog niet eens gezien had wat er was gebeurd. Op dat moment vloog er achter in het kamertje een deur open en kwamen er nog 2 mannen de kamer binnen waaronder de pastoor. Die was tegen de veronderstelling van Dries in al helemaal aangekleed inclusief zijn zwarte pij. De man had zich blijkbaar staan scheren want de helft van zijn gezicht was nog ingezeept.
‘Wat heeft dit hier te betekenen?’ riep de geestelijke en hief zijn brevier die hij in zijn hand hield naar omhoog alsof hij daarmee de indringers wilde afweren. De man die met hem was binnen gekomen had meer lef. Met één sprong stond hij in de kamer en verkocht Janus een vuistslag onder zijn kin dat deze ruggelings tegen de buitendeur sloeg. Dit benam even Janus de adem, een hevige pijn trok door zijn kaak maar hij herstelde zich snel. De man zat nu op de rug van Dries die zijn knuppel had verloren. Hij graaide achter zich maar de pastoor, die de stok had zien liggen schopte deze weg voor de graaiende handen van Dries. De man met de woeste baard was van de schrik hersteld en krabbelde op van de vloer en wilde, voorovergebogen zijn hoofd in de maag van Janus stoten. Janus zag hem aankomen en sprong opzij op het moment dat het hoofd van de man hem zou raken zodat deze nu keihard met zijn voorhoofd tegen de muur ramde. Dit was te veel voor de man en zakte tegen de muur aan door zijn knieën, een streep bloed achterlatend van de wond aan zijn voorhoofd. Janus keek rond maar vond niets waarmee hij kon slaan. Vlug trok hij zijn dolk uit de schede die geklemd zat tussen zijn broeksriem om te proberen Dries te bevrijden. Op dit moment werd Dries overmeesterd door de man doordat deze de arm van Dries hem achter de rug draaide en zijn hoofd tegen de grond duwde. Hij pakte de haren van Dries beet en trok zo zijn hoofd achterover waarna hij het voorover keihard tegen de vloer sloeg. Dit herhaalde hij een paar maal zodat het bloed Dries uit zijn neus stroomde. Van pijn moest hij de pij van de pastoor loslaten die hij gegrepen had toen deze de stok wegtrapte. Doordat de pij uit de handen van Dries schoot sloeg de pastoor achteruit in de armen van Janus die zonder aarzelen de punt van de dolk in de hals van de pastoor zette. Dit ging niet zo zachtzinnig zodat er een kleine snee ontstond.
‘Laat hem stoppen,’ siste hij in het oor van de pastoor en drukte de punt van zijn dolk nog wat dieper in de hals van de pastoor. Die koos eieren voor zijn geld en riep: ‘Harm, Gerrit stoppen! Hij heeft mij te pakken, laat die kerel los.’
Hij had nog niet gemerkt dat de man met de woeste baard al uitgeschakeld was maar het effect was het zelfde. Nog eenmaal trok de man die Gerrit werd genoemd het hoofd van Dries achterover en begon direct te schelden tegen de pastoor.
‘Stommeling, hoe kan jij je zo laten grijpen. Waar is Cordez gebleven, die lammeling is er zeker tussen uit geknepen? Op die Spekken kun je nooit aan dat zie je nu wel weer.’
Hij liet de haren van Dries los en stond op. Ook Dries kwam moeizaam overeind en veegde het bloed uit zijn ogen dat vloeide uit een hoofdwond. Hij had zijn lip gescheurd en ook uit zijn neus bleef het bloeden.
‘Knijp je neus dicht en blijf voorover staan,’ zei Gerrit terwijl hij naar zijn maat omkeek die met zijn linkerwang tegen de muur gevleid leek te slapen.
‘Die is wel een poosje buiten kennis als je ziet wat een bult hij op zijn hoofd heeft opgelopen.
Janus stond nog steeds met zijn rug tegen de muur, zijn linkerarm om de nek van de pastoor en de punt van zin dolk in de hals van de pastoor.
‘Ga daar zitten op die stoel en waag het niet om op te staan anders aarzel ik geen moment en snij ik de keel door van deze geestelijke, je kunt kiezen.’
Dit was toch blijkbaar ook niet de bedoeling want de man ging op de stoel zitten, het dichts bij de deur. Janus had de deur met zijn voet dicht gedrukt en keek even opzij naar de man op de vloer en zag dat deze inderdaad nog wel een uurtje zou doorslapen. Een bult als een half ei net onder de haargrens op zijn voorhoofd en uit zijn linker wenkbrauw vloeide bloed uit een diepe wond.
Dries betaste zijn gezwollen, bloedende lip en spuugde wat bloed uit zijn mond. Hij hield met zijn andere hand nog zijn neus dicht. Vanuit zin ooghoek zag hij dat de man aan de tafel tussen zijn broeksband een dolk had geklemd.
‘Leg zonder onverwachte bewegingen die dolk van je voor je op tafel,’ gebood Dries en stootte de man aan. Die deed rustig wat hem was opgedragen en schoof de dolk in de richting van Dries die naast de tafel was gaan staan. Op het moment dat Dries de dolk wilde oppakken zag de man zijn kans schoon. Met een sprong was hij bij de deur die hij openrukte en was verdwenen voordat Dries de dolk bij het gevest had opgepakt.
Janus gaf de pastoor een duw zodat hij over de tafel heen viel en rende de kerel achterna. Ook Dries holde naar buiten en zag de man naar het tuinpoortje rennen.
Gelukkig was het poortje nog op slot zodat de man om zich heen keek naar een andere ontsnappingsmogelijkheid. Met een sprong greep hij naar de bovenzijde van de muur en kreeg daar houvast. Hij probeerde zich op te trekken maar op dat moment greep Janus de man bij zijn been. Woest trapte de man achteruit en Janus kreeg de laars van de man tegen zin rechteroog maar liet niet los. Dries kreeg het andere been te pakken en toen was er voor de man geen houden aan. Hij moest nu wel loslaten en kwam hard op de grond terecht. Hij probeerde zich met zijn armen op te vangen maar kwam met zijn hand ongelukkig terecht dat zijn pols brak. De man gaf een schreeuw en rolde over ge grond van de pijn.
Ze hielpen de man weer opstaan en Dries draaide de andere arm op de rug van de man en dwong hem terug naar het woonhuis.
Vervolg Hoofdstukken


