Onze Facebook pagina
Het had de laatste twee dagen volop gesneeuwd. Er lag een flink pak sneeuw op de weg. Dries was samen met Anna naar het dorp gewandeld flink ingepakt in warme kleding. Ook hadden ze hoge leren laarzen aan. Er stond nog een paar van de vader van Dries die hem wat te groot waren maar door die aan te trekken kon Anna zijn laarzen aan. Haar rokken raakten bevroren doordat ze ver in de witte laag wegzakte, er bleven ook hele stukken sneeuw aan de zoom kleven. Anna had haar arm door die van Dries gestoken zodat ze elkaar konden rechthouden als er een uit dreigde te glijden of zich verstapte, in een, door de sneeuwlaag verborgen karrenspoor. De vorst had de ondergrond hard bevroren. Dries wilde naar zijn oom Wouter wandelen maar werd ter hoogte van de Achterdijk naar binnen geroepen door de vrouw van Willem, de knecht.
Willem zat in zijn beste kleding in zijn stoel bij het raam. Ze waren blijkbaar juist terug gekomen van een bezoek aan de kapel. Zijn vrouw sneed een paar plakken koek af die ze de avond er voor had gebakken.
‘Willem verjaard vandaag en we zagen jullie al komen aanlopen. Als jullie nu gezellig een kom warme punch meedrinken dan smaakt koek er ook zeker bij. Je weet wij hebben geen kinderen en onze buren komen met dit weer niet naar buiten ze zijn beide erg slecht ter been. Zo hebben we dan toch onverwacht visite.’
Natuurlijk namen Dries en Anna de uitnodiging aan en stampten bij de deur de sneeuw van hun laarzen af.
‘Je wordt van harte gelukgewenst door ons, Willem. Ik had er geen idee van dat je vandaag zou verjaren anders had ik een mooie ham voor je meegebracht. Anna, vergeet niet Willem morgen een mooie ham mee te geven.’
Niet gewend aan zoveel gulheid zat Willem als met stomheid geslagen in zijn stoel.
’Allee, man, sta eens recht en bedank Dries eens,’ zei de vrouw, ‘blijf daar niet zo zitten. Ik heb begrepen dat wij jullie ook geluk moeten wensen. Willem vertelde mij van jullie trouwplannen.’
Ze greep de hand van Anna en ook die van Dries en legde die beiden op elkaar. ’Ik wens jullie beide Gods zegen toe,‘ zei ze plechtig en drukte Anna een kus op het voorhoofd. Dries die de vrouw kende als een nieuwsgierige, pinnige vrouw verbaasde zich over de hartelijkheid die ze ten toon spreidde. Houterig kwam ook Willem overeind uit zijn stoel en wenste Dries en Anna geluk.
’Ik hoop voor jullie dat je bestand bent tegen de opmerkingen van het dorp.’ voegde hij er aan toe.
’Ik ben vanmorgen na de mis al door verschillende mensen aangesproken die wilden weten of het waar is dat Dries Romeijn van plan is zijn werkmeid te trouwen.’
Een blos vloog over het gezicht van Anna maar ook de vrouw kleurde rood tot over haar oren.
’Willem,’ zei ze scherp, ‘hoe durf je? Jij die altijd tegen anderen zegt dat je het goed hebt getroffen met de keuze van je vader. Als hij jou niet gedwongen had om mijn hand te vragen dan zou je getrouwd zijn met Geertrui die nu in Gorkum haar brood bij elkaar bedelt en in haar levensbehoefte voorziet door haar lichaam te verkopen aan de soldaten van het garnizoen. Ook ik was een meid die werkte voor een boer en hoe durf je de keuze van een man af te keuren op zijn afkomst.’
Anna die er ook niet goed raad mee wist hoe te reageren, vroeg aan Krelis wat hij de mensen had geantwoord.
’Je vroeg hun toch zeker wel of hun vrouwen ook werk verrichten nu ze getrouwd zijn? Ik kan me wel indenken hoe men in het dorp denkt over onze plannen maar het kan ons helemaal niet schelen wat de mensen er van zeggen. We hopen maar dat onze pastoor snel wordt gevonden dan gaan we snel onder de geboden. Mijn ouders hebben er niets op tegen en je weet dat de beide ouders van Dries niet meer leven.’
De vrouw, die ondertussen een paar nieuwe blokken hout op het vuur gooide draaide zich om en vroeg, ‘hebben jullie het dan nog niet gehoord van de pastoor?’ Toen Dries en Anna ontkennend hun hoofden schudden vervolgde ze, ‘op weg van de stee vanmorgen na het melken hoorde Willem dat vannacht de pastoor in Wingerden gevonden is. Hij werd vanmorgen op een boerenkar  thuis gebracht juist toen Willem de dijk afliep naar de Achterdijk. Een uurtje later werd de schout opgehaald, door de huishoudster van de pastoor, die niets tegen de mensen wilde vertellen. Er was geen dienst, de kapelaan van Hardinxveld die de mis wilde opdragen is met de schout en diens vrouw de woning van de pastoor binnengelopen en vertelde later aan de mensen die voor de kapel verzameld waren dat de pastoor vannacht bij een boer op het Oosteind in Wingerden had aangeklopt. Hij was daar uit een rijtuig gezet waarna de ontvoerders waren vertrokken. Hij vertelde dat de pastoor goed was behandeld maar nog niet in staat was door de doorstane emoties om de mis, laat staan een dienst te leiden. De schout is een paar uur binnen geweest en ook die vertrok zonder mededelingen te doen.’
Dries en Anna veinsden ongeloof, ‘hij is ontvoerd en hij is wel goed behandeld zegt hij? Wat moet een mens daar van denken?’ zei Dries.
’Waar moeten we naar toe met deze wereld. Moord en doodslag zijn aan de orde van de dag. Men brengt elkaar aan bij het gerecht als je een ander geloof aanhangt dan de geestelijk leider in het dorp of stad wenst. Ik hoorde dat in het noorden de katholieken worden vervolgd door de protestanten en in het zuiden is dit precies andersom.’
Ook Anna sprak haar verwondering uit over de chaos die de laatste jaren over de Lage Landen trok. Ze bespraken de erbarmelijke toestanden die er heersten sinds ook in de Waard de vervolging van de protestanten hand over hand toenam. Ook Willem sprak daar schande over, hij vertelde dat hij zich een oprecht katholiek voelde maar zich meer en meer verbaasde over het feit dat mensen die jaren in vrede naast elkaar woonden en lief en leed gedeeld hadden, hun buren onder druk van de pastoor verraden en ze aangaven als ketters. Willem wist dat zijn broer en zijn gezin ook deze verboden samenkomsten bezocht maar hij zou er niet over denken hem aan te geven. Hij sprak zelfs zijn vermoeden uit dat ook Dries alleen maar naar de kapel ging om te voorkomen dat hij in moeilijkheden zou komen. Dries en ook Anna reageerden er niet op maar diep in beider harten moesten ze Willem gelijk geven. Ook nu weer hadden ze zelf gesproken over hun geplande bezoek aan de pastoor om hun huwelijk in de kerk te laten voltrekken. Dit was niet omdat ze dit vanuit hun hart deden maar meer uit berekening. Dries nam zich voor om dit toch eens openlijk met Anna te bespreken als ze alleen waren.
Er werd die morgen aan de Achterdijk nog gesproken over de aanstaande reis die Dries met Janus zou ondernemen om nieuwe koeien te gaan bezichtigen in Gelre. Hij vertelde dat Berent een zoon was van een kennis van vader Wout en dat hij op reis naar Dordrecht op de stee was blijven overnachten om Dries uit te nodigen om met hem mee terug te reizen naar de Betuwe om de veestapel in ogenschouw te nemen.
Na een uurtje namen zij afscheid en wandelden terug naar de Hogendijk. Het was te laat geworden om nog door te gaan naar Oom Wouter, daar zou het eten ook wel opgediend worden, het liep al tegen noentijd en Dries verheugde zich al op de hutspot die Anna vanmorgen had gereed gemaakt.

Volgende hoofdstuk                    Hoofdstukken