Zo had Riens Kee nog nooit gekend. Hij had haar altijd gezien als Kee de heks die voorovergebogen kruiden zocht langs de Giessenzoom en in de weilanden. Ze sprak haast met niemand op de dijk. Alleen als er mensen kwamen met kwaaltjes hoorde je haar stem dan gebeurde het dat zij haar keel moest schrapen voordat ze kon spreken.
Ondertussen in de kelder was Berent te weten gekomen zonder dat hij maar enige dwang behoefde uit te oefenen wie de man was met de witte haarlok.
‘Dat was de marskramer die in Wingerden was opgepakt voor de moord in Giessendam. De man had zich ’s avonds verstopt in de wagenschuur van een boer in het dorp en had op de tast een slaapplaats gemaakt op iets dat leek op een houten bank die tegen een wand stond. ’s Morgens kwam hij er achter dat het een soort werktafel was waar van alles op stond waarmee de jongste zoon van de boer een arrenslee repareerde.’ De pastoor schoot in de lach en vertelde verder, ‘Nu had de kramer een klein aardewerk kannetje in zijn slaap omgestoten waarin witte verf werd bewaard. Deze verf was in zijn haar terecht gekomen. Die verf was inmiddels hard geworden en werd er later door de vrouw van de schout uitgeknipt. Zie hier de oplossing van het raadsel.’
Berent vroeg de pastoor waarom de schout de marskramer had ondervraagd. ‘Ik ga er van uit dat alles een vooropgezet plannetje was. Die Juan is toch nadat de schout bij je in de pastorie was geweest instructies wezen brengen? Ik vermoed dat hij de touwtje strak in handen hield.’
‘De schout wist nergens van, hij deed gewoon onderzoek naar de moord op die boer maar moest op aanwijzing van Juan naar die boer in Wingerden. De Spanjaard zou inlichtingen hebben verkregen dat daar de marskramer zich schuil zou houden,’ vertelde de pastoor. Ook heeft de schout heeft niet het voortouw genomen in het opsluiten en overbrengen van de marskramer naar Dordrecht. Nog minder aan de verhoren van de kramer, die is allemaal gebeurd op aanwijzingen van Juan la Vrestra. Hij bemoeide zich overal mee. Soldaten hebben de kramer opgehaald en ingesloten. Ook werd hij door soldaten opgehaald in de nor en bij mij in de pastorie afgeleverd waar wij, Juan en ik de plannen doorspraken met betrekking tot de vrijlating van de kramer. Dit mocht niet zomaar gebeuren, het moest de schijn hebben dat hij de moordenaar was, hij gevangen gezet en berecht zou worden in Dordrecht. Alles was overdacht na de moord op de boer naar de ideeën van Juan die bang was voor de volkswoede als het bekend zou worden dat hij de boer de keel had doorgesneden. Op aanraden van Juan hebben we de schout de zoon van de vermoorde boer laten ophalen en hem verhoord over de verdwijning van de mars. Daarin zouden aanwijzingen zitten dit belastend konden zijn voor de Spanjaard en de plannen van Juan la Vrestra konden dwarsbomen. Die zoon hebben we uiteindelijk vrij moeten laten omdat er woedende vrienden hem te hulp schoten en mij bedreigden.’
De pastoor zat met afhangende schouders op de stoel in het donker hok onder de kast van Kee. Berent had voldoende gehoord. Hij had de pastoor nog willen vragen of hij wist wie de man kon zijn met het litteken die Dries had afgeluisterd in Pinkeveer maar op het laatste moment bedacht hij zich. Er kon dan gemakkelijk een link worden gelegd naar Dries en dit wilde hij proberen te voorkomen.
‘Ik ben helemaal niet ontevreden heer pastoor, over de antwoorden die u mij heeft gegeven op de gestelde vragen. Ik wil voorstellen om U weer de vrijheid terug te geven. Er zijn een aantal antwoorden gegeven op vragen die niet kloppen met de feiten en er zijn nog steeds een aantal vragen waar op ik geen antwoord heb gekregen. Ik weet je te vinden!’
Berent riep met harde stem in de richting van de trap, ’Teun, laat jij het gerij voorkomen?’
‘Ik wil je een ding op het hart drukken, laat de mensen daar in Giessendam met rust, ook als ze een samenkomst van de protestanten willen bezoeken. Ik begrijp dat de protestanten en jij de zelfde God aanbidden. Jullie beiden vertellen de mensen dat een man genaamd Mozes wetten van die God heeft ontvangen waarin staat dat je jullie naasten moet liefhebben als je zelf. Als ik merk, en ik ben niet katholiek of protestants, als ik merk dat je de parochianen of de bezoekers van samenkomsten anders behandelt dan jezelf, kom ik met mijn makkers terug en dan krijgen ze hun pastoor en schout niet meer terug. Je hebt ons in de afgelopen dagen wat minder gezien omdat we ook zaken met de schout hebben afgehandeld. Je kunt de schout vertellen dat je in handen bent geweest van een groep mensen die ook bij hem onverwacht op bezoek zijn geweest. Zeg hem ook dat wij alle verantwoording op ons nemen van de dood van Juan la Vrestra en dat hij net als jij zich rustig houdt. Zouden we dit kunnen afspreken?’
De pastoor was lijkwit weggetrokken. ’Jullie hebben Juan la Vrestra vermoord? Ben je tot zo iets in staat?’
Berent keek de pastoor lang en diep in zijn ogen waarop deze zijn ogen bang neersloeg terwijl hij het slot losmaakte van de ketting waarmee de pastoor aan de muur zat vastgeketend.
‘Ik heb hier een speciale muts die ik eens gekocht heb in de buurt van Brussel,’ zei Berent, ‘er zitten slechts drie gaten in, een voor je mond en twee voor je ogen. Die gaten zijn dichtgestopt door mijn vrouw en die trek ik achterstevoren over je hoofd zodat je niet ziet waar we zijn en waar we je heen brengen.’
Berent klopte, als afgesproken drie keer tegen de deur boven aan de trap zodat Kee zich kon verbergen op de zolder.
Boven aan de trap trok Berent de muts over het gezicht van de pastoor en gaf hem een paar tellen later met de achterkant van zijn dolk een klap op het hoofd zodat deze hij stond te draaien op zijn benen. Berent kon hem nog net op tijd opvangen door zijn schouder onder het lichaam van de pastoor te zetten. In een beweging legde hij hem nu over zijn schouder zodat hij hem het huisje uit kon dragen.
‘Tot ziens vrouw,’ riep hij nog en trok de deur achter zich op de klink op het moment dat Riens, geholpen door Dries en Janus, met het rijtuig de dijk opreed.
Vlug werd de pastoor achter de bok gelegd en met enkele touwen vast gebonden aan het frame van de stoelen die op de bok stonden. De paardendekens van de stalhouder die achterin hadden gelegen werden over de pastoor gelegd en zo vertrokken Berent en Riens in de richting van Wingerden.
‘Het was toch niet afgesproken om hem buiten westen te slaan of heb ik dit vanmiddag gemist?’ vroeg Riens. Berent trok zijn mantel wat vaster om zich heen, het was bitter koud en de sterren pinkelden aan een heldere hemel.
‘We kunnen nog zo veel plannen maken maar er komen soms dingen boven op momenten dat je het niet verwacht. Zo wilde ik vragen aan de pastoor of hij de man met het litteken kende maar ook dat deed ik op het laatste moment niet om geen verbanden te leggen met onze groep. Zo ook op het moment dat we naar buiten gingen ik realiseerde mij dat hij zou merken dat we de dijk op zouden moeten lopen. Ook geluiden waar je niet bij stilstaat, zouden ons kunnen verraden. Een klok die luidt om op te roepen naar de avondmis of een groet van een voorbijganger zouden aanwijzingen kunnen zijn om terug te vinden waar hij was vastgehouden. Ik denk ook dat we niet verder moeten praten over deze dingen zolang hij achter de bok ligt. Als hij bijkomt hoort hij misschien alles.
Riens tikte met de leidsels op de rug van het paard om hem aan te sporen over te gaan in een draf. Het zou nog een lange avond worden voor ze thuis waren en zich bij de kachel konden warmen. De weg was donker en koud, het sneeuwde weer en de wind beet in Riens zijn gezicht.
Die avond was Janus na het melken naar boer Albertszn gegaan. Dries had gezegd dat zijn vertrek nog even moest worden uitgelegd bij de boer voordat er praatjes ontstonden. Dries en Janus die even oud waren hadden in het verleden veel met elkaar opgetrokken en nu Dries op de stee boerde zou hij graag willen dat zijn jeugdvriend bij hem kwam werken.
Zo zaten Dries en Anna die avond samen in de keuken en terwijl zij het vaatwerk wegruimde rookte Dries genoeglijk zijn pijp.
’Ik ben toch blij dat ik Berent hier op de hofstee heb om op terug te vallen als ik het soms niet helemaal meer zie zitten,’ zei Dries. ‘Ik verwonder mij er soms over hoe deze jonge vent zo snel en helder kan denken. Ik denk dat hij meer is dan een gewone knecht van Joris van Savenhent. Hij kan lezen en schrijven iets wat een gewone boerenknecht niet heeft geleerd. Ik ben mijn oom en tante in Schoonhoven nog dankbaar dat deze mij ook naar het schooltje van meester Janzn hebben gestuurd.’
Anna draaide zich om en zei, ‘dat is voor mij ook altijd een grote wens geweest om te kunnen lezen en schrijven. Janus is nog twee jaar naar het schooltje op de Dam geweest maar ik maar een half jaartje. We werden op een ochtend van school gehaald door buurvrouw de Laet toen onze moeder was gestorven en zijn er nooit meer naar toe geweest. Je weet dat we een aantal jaren bij een zuster van mijn vader hebben gewoond in Slydrecht voordat vader weer hertrouwde. Ik heb het altijd gemist. Ik kon mij nog jaren herinneren hoe we de letters leerden maar nu weet ik er niets meer van.’
Dries trok Anna naar zich toe en dwong haar om op zijn knieën te gaan zitten. Hij streelde haar golvende rode haren en zei, ’wat of wie zou ons tegen houden om weer naar school te gaan. Ik zie je niet in het klasje zitten van meester Klaaszn maar ik denk dat we hem wel kunnen vragen om in de avond jou les te komen geven. Als hij daarvoor geen tijd heeft, want je weet hij doet als meester veel meer dan alleen lesgeven, dan weet hij misschien wel iemand die jou en wellicht ook Janus wil leren lezen en schrijven.’
Anna draaide zich zo snel om en liet zich van Dries zijn knieën glijden dat hij zich niet kon verweren voor hij zo stevig werd omhelsd dat hij bijna geen adem meer kon halen.
’Dank, dank, dank, Dries. Je maakt mij nog gelukkiger dan ik al was.’
‘Stop daar mee meid,’ zei hij en wist zich uit haar omhelzing los te maken waarna hij haar in haar wilde haren greep en een vurige kus op haar mond drukte. ’Ik heb altijd begrepen dat de man de leiding neemt in alles wat er op een stee moet gebeuren. Hij tilde haar hoog op en droeg haar naar de rustbank in de hoek van de keuken.
‘Je zult mij niet horen tegenspreken in dit soort opdrachten,’ hijgde Anna na een lange omhelzing. ’Later kan ik je altijd nog tegenspreken als er dingen in huis moeten worden gedaan waarin ik geen zin in heb.’
Volgende hoofdstuk Hoofdstukken


