‘Zo hier hebben we de kerel die we zoeken,’ zei Berent die, als afgesproken, nu het verhoor van de schout zou doen. Zo kon worden voorkomen dat een van de anderen aan hun stem zouden worden herkend.‘
Dries trok de handdoek van het gezicht van de man en bekeek de wond even en gaf Berent een teken om te beginnen. Ondertussen haalde hij een nat gemaakte lap en bond deze met een reep stof van de handdoek vast rond het hoofd van de schout. Berent pakte een stoel en zette die voor de schout neer die nog op de grond lag maar zich nu erg stil hield en ging er schrijlings op zitten de armen over elkaar op de leuning van de stoel
‘Zo schout, je verwacht dus een brief van ene Don Franca. Nee, je hoeft dit niet te ontkennen je naam staat op de brief en je deed direct de deur open zodat we zeker zijn dat we bij de goede schout zijn aangeland. Ik wil je een voorstel doen. Je begrijpt we weten meer af van jou en je katholieke vrienden hier in het dorp maar ook van je nauwe connecties met de pastoor in Gorkum. We kwamen in het bezit van een mars die een kramer mogelijk had verloren op de Hogendijk. Hierin vonden we die brief aan jou en aan de pastoor en we dachten, kom die gaan we even langs brengen.’
Berent keek Riens strak aan en zei, ’wil jij even de pook in het haardvuur leggen dan hebben we wat achter de hand als de teil met water niet wil helpen.’
Van achter de tafel klonk een ingehouden kreet en de vrouw sloeg de handen voor haar gezicht.
Als eerste zou ik graag willen weten waar ik die Juan kan vinden die de moord heeft gepleegd op een boer in jullie dorp. Ten tweede zou ik willen weten waar de marskramer is gebleven die gisteren werd overgebracht van Dordrecht naar Den Bosch. Ten derde hoe kom ik in contact met de afzender van je brief deze Don Franca?’
Weer keek Berent heel strak naar Riens en zei: ‘Help jij de schout even op een stoel, hij lijkt last te krijgen van zijn rug.’
Samen met Janus sjorde Riens de schout eerst in zittende houding en tilden hem daarna op en plaatsten hem op de stoel.
‘Kijk,’ zei Berent met een vriendelijke stem, ‘dit is toch heel wat gemakkelijker dan blijven liggen op die koude plavuizen. Het vuur brandt lekker warm dus ik verwacht niet dat je het koud zult krijgen.’
Weer klonk een gedempte kreet van de vrouw die nu haar gezicht in haar handen verborg. Niets was er over van de kordate vrouw, van de eerste ogenblikken nadat Dries was binnengestapt in haar kamer. Toen was Dries nog even bang geweest dat ze zich zou gaan verzetten. Nu was het een bange vrouw die vreesde voor het leven van haar man. Dat de kerels niet veel goeds in de zin hadden had ze nu wel door.
De schout trok wat aan de touwen waarmee zijn handen op de rug waren vastgebonden.
‘Natuurlijk willen we je handen losmaken schout. Ik begrijp dat ook jij je hoofd in je handen wilt kunnen leggen,’ zei Berent en knikte naar Riens dat hij de touwen los kon maken.
‘Er staan voldoende mannen rond je huis, ontsnappen is niet mogelijk. We zijn met genoeg mannen aanwezig om het peloton Spekken van Giessendam te verslaan.’
Hier schrok de schout van en met een ruk schoot hij overeind. ‘Je kunt de Spaanse soldaten niet verslaan, die zijn al vertrokken.’
Dries kwam binnen in de kamer met enkele houten emmers vol met pompwater. Hij hoorde de laatste woorden van de schout en liep naar de haard en trok de pook uit het vuur. Een luidde kreet ontsnapte uit de mond van de vrouw. Het uiteinde van de pook was roodgloeiend en Dries liep er mee naar het midden van de kamer en dompelde de pook onverwacht in een van de emmers waar met een hevig gesis en wolken stoom de pook afkoelde.
‘Vrouw,’ riep Berent met een harde, gebiedende stem, ‘je man heeft besloten te gaan spreken. Houd jij je mond en gil niet meer of ik laat de pook weer in het vuur leggen.’
De schout was in elkaar gezakt als een jute zak die je probeert rechtop te zetten.
‘Gggeen ppook,’ stotterde hij, ´ik zal ppproberen alles te vertellen wat ik weet maar bbbeloof me dat je niet vertelt van wie je de informatie hebt gekregen.’
Zonder Berent ook maar aan te kijken pakte Dries de pook weer op en legde deze terug in de haard.
‘Ik ben het helemaal met mijn vriend eens, jij hebt hier geen voorwaarden in te brengen. Het gaat zo als wij willen,’ zei Berent en keek van de schout naar de emmers water als of hij schatte of het hoofd van de schout wel in een emmer zou passen. Op dat moment begon de vrouw te spreken. ‘Houd je eigen niet groter dan je bent Gijsbert,’ zei ze en keek haar man aan. ’Je houd het nog geen minuut vol als die kerels je met je kop in die emmer duwen. Waarom dan niet direct vertellen wat je weet. We hebben kip nog kraai op de wereld dus kunnen we net als die Spekken vertrekken wanneer we willen. Zij vertrokken toch ook toen het hun te heet onder de voeten werd.
Berent stond op pakte zijn stoel beet en ging tegenover de vrouw aan tafel zitten.
‘Ge zijt een wijze vrouw,‘’zei hij lijzig. Hij verschoof de lantaarn wat zodat hij de vrouw recht in het gezicht kon kijken.
‘Het is helemaal niet nodig je kop in de emmer te laten steken. Jullie kunnen elkaar wellicht aanvullen in het verhaal wat ik graag wil horen. We beginnen opnieuw. Punt een was, waar is Juan gebleven?’
De schout hief zijn hoofd op uit zijn handen en vertelde, ‘eergisteravond is er een overval geweest bij de pastoor. Een indringer was binnen gekomen door zich een weg te hakken door de braamstruiken die rondom de tuin van de pastoor groeien. Op de een of andere manier maakte de aanvaller buiten het huis een hoop lawaai waardoor de pastoor, de hopman maar ook Juan la Vrestra werden gewaarschuwd en de indringer aanvielen. In het gevecht wat toen ontstond vluchtte de indringer naar het bovenhuis en werd achtervolgd door de pastoor en de beide andere mannen. Boven aan de trap kreeg de aanvaller de pastoor te pakken. Juan die vlak achter de pastoor de trap op rende, kwam binnen een tel de trap weer af bolderen. Vermoedelijk heeft de overvaller de pastoor weggerukt vanuit de deuropening en Juan met een welgemikte trap de trap af geschopt en daarna de bovendeur op slot gedraaid. De hopman die nog onder aan de trap stond wilde in zijn schrik Juan la Vrestra opvangen maar vergat in die ene seconde de dolk die hij in zijn handen had. Ongelukkigerwijs kwam de dolk precies terecht in de hartstreek van Juan en rolde het onderhuis in. De man zou op slag dood geweest zijn geweest. De hopman probeerde nog via de achterzijde van de tuin naar de dijk te komen maar door de braamstruiken verloor hij zoveel tijd dat hij vermoedde dat de aanvaller met de pastoor was verdwenen. Hierna is hij bij mij aan de deur gekomen om raad. Het was een ongeluk maar met grote gevolgen. Aan wie moest hij uitleggen wat en hoe het was gebeurd en hij vroeg zich af of men hem wel zou geloven. Het is natuurlijk niet niks als je een indringer laat ontsnappen die de pastoor als gijzelaar meeneemt en dan ook nog een van de vooraanstaande Spaanse Habsburgse leiders in Holland, per ongeluk ombrengt. Ik ben later met de hopman naar de woning van de pastoor geweest en het liet zich aanzien dat het zo is gebeurd als de hopman heeft verteld. We besloten toen deze Juan in de pastorietuin te begraven. Nadien heb ik de hopman bezworen nooit met iemand hierover te praten en is hij met zijn groep soldaten vertrokken richting Gorkum. Zogenaamd moest er een controle langs de rivier worden uitgevoerd. En nu zit ik in grote problemen, ik heb beloofd nooit met iemand er over te spreken en twee dagen later is het algemeen bekend.’
Weer liet de schout zijn hoofd in zijn handen zakken. Met zijn ellebogen op de tafel zijn hoofd in zijn handen gesteund was hij een toonbeeld van ellende.
‘Dit is het eerste gedeelte,’ zei Berent. ’Zullen we dan maar direct doorgaan naar het antwoord op mijn tweede vraag, waar is de marskramer?’
Met een grijns op zijn gezicht zei de schout, ’die is allang verdwenen naar de Zuidelijke Nederlanden waar hij ook vandaan kwam. Het plan was om de marskramer weer te laten ontsnappen omdat hij een voortreffelijke kracht was voor Don Franca. Nee, die krijgen jullie ook niet te pakken. Net zo min als je die Don Franca ooit te pakken krijgt. Ik kan jullie hierin echt niet helpen, de marskramer is het die contacten met Don Franca onderhoud en ik heb begrepen dat zelfs Juan la Vrestra niet wist waar Don Franca zich ophoud. Hiermee is dus ook je derde vraag beantwoord. Ook die krijgen jullie niet te pakken.’
Berent schoof de doek die de onderste helft van zijn gezicht bedekte wat verder omhoog. Hij had een oude pet op die van Wout, de vader van Dries was geweest,
‘Nu heb ik nog een vraag aan jullie,’ zei de schout die zich wat vrijer voelde nu hij de gestelde vragen had beantwoord.
’Jullie zeiden dat jullie die brief gevonden hadden in de mars van de marskramer. Maar waar hebben jullie die mars dan gevonden?’
Berent keek de kring eens rond en zei, ‘ik geloof dat we hem dit wel kunnen vertellen. Het is niet zo moeilijk als het lijkt, die middag waaide het erg hard in de Waard en een boodschapper van een voorganger van de verboden leer was op weg naar een bijeenkomst op een hofstee in de richting van Giessen-Oudekerk toen hij ter hoogte van de hofstee van die vermoorde boer zijn klomp in tweeën brak. Wat nu te doen? Hij klopte bij een van de huisjes aan die daar langs de Giessen stonden en vroeg of ze hem aan een stuk leer of misschien wel ijzerdraad konden helpen waarmee hij zijn klomp kon omwikkelen. Daar is hij naar de stee verwezen en toen hij geen gehoor kreeg op zijn roepen bij de deur is hij de stal in1gelopen. E en tijdens zijn zoektocht door de stal naar iets waarmee hij de kapotte klomp kon repareren vond hij achter de koeien deze mars. Heel vreemd natuurlijk, hij ging in de mars op onderzoek uit omdat marskramers soms ook leren klompenbandjes verkopen. Hierin vond hij die brieven en die stak hij in zijn zak. Hij had namelijk weleens gehoord over deze twee personen en dacht de brieven nog eens te kunnen gebruiken. Ik was die avond ook op die samenkomst aanwezig en heb deze brieven in ontvangst genomen. Later hoorde ik dat er in deze stee een moord was gepleegd door een marskramer en heb mij eerst even rustig gehouden. Vanavond was het tijd om er achter te komen wat dit allemaal te betekenen heeft. Het lijkt mij meer een herfststorm in een kroes bier. Ik denk dat we maar weer moesten opstappen.’
Berent keek de vrienden eens aan die allen met een kort knikje instemden.
‘Ik denk dat we je kunnen beloven, schout, dat we hetgeen we hier hebben vernomen niet verder doorvertellen. Aan de andere kant verwachten we ook geslotenheid van jullie kant, akkoord mannen?’
Na ze nog op het hart te hebben gedrukt hen niet te volgen maakte Janus de touwen los en verdwenen de vrienden weer op dezelfde manier als ze waren gekomen. Buiten gekomen schoot Dries in de lach en wees naar al de voetstappen in de sneeuw en zei: ‘Ons verschuilen in de boot aan de Giessen, dat was een puik idee, laten we uitkijken dat onze sporen ons niet verraden.’
Volgende hoofdstuk Hoofdstukken


