Ze zaten die avond met z’n allen rond de tafel. Anna en Krelis waren op verzoek van Dries thuis gebleven. Hij had Janus naar boer de Jonge gestuurd met de vraag of Riens vanavond ook aanwezig wilde zijn. Er was in de tijd dat hij in Gorkum was zoveel gebeurd dat hij het hele verhaal compleet wilde hebben om indien nodig hun plannen hierop aan te passen.
Nadat ook Riens was aangeschoven rond de grote keukentafel en Dries zich er van overtuigd had dat Willem, de knecht, vertrokken was naar huis bespraken de mannen hun belevenissen met elkaar.
Aandachtig luisterden ze naar Berent toen hij vertelde van de onverwachte ontvoering van hun pastoor. Hij vertelde ook dat het hem erg veel inspanning kostte om controle te houden op de pastoor die nog steeds zat opgesloten in de kelder van Kee. Ze overwogen de pastoor over te brengen naar de polder. In de eendenkooi van Geurts stond nog een degelijke houten schuur waarin de pastoor zeker veilig zou zijn voor nieuwsgierige blikken. Het had wel als nadeel dat er dan altijd iemand aanwezig moest zijn. Nu kon een van hen even een praatje gaan maken met Kee. Dit was al voldoende om de pastoor rustig te houden. Hij het er zelfs geen moment aan gedacht om te gaan schreeuwen om hulp. Rotsvast als hij overtuigd was dat hij op een afgelegen plaats was ondergebracht en diverse kerels hem bewaakten.
‘Ik zou wel eens willen weten wat er loos is met die groep Spaanse soldaten die verdwenen zijn.’ zei Dries. ’Kunnen we er niet op een of andere manier achter komen waar die gebleven zijn en waarom ze zo onverwachts zijn vertrokken?’
‘Ik denk dat we hier alleen maar naar kunnen gissen, ‘zei Berent. ’Ik heb er daarnet nog over zitten denken tijdens het melken. Je hoort niets meer over hen op het dorp. Ik heb Krelis nog aan die ene melkmeid laten vragen of zij iets had vernomen. Haar vader is immers nogal nieuwsgierig maar ook hij had niets gezien of gehoord. Ik denk dat die hopman benauwd is geworden omdat onder zijn ogen de pastoor is ontvoerd. Hij heeft zijn groep soldaten opgehaald met een smoes dat ze op Hardinxveld iets verdachts hadden gezien maar zijn met het mee nemen van alle spullen vertrokken. Het lijkt mij dat het een vooropgezet plan was. Anders had hij direct alarm geslagen en met zijn soldaten de buurt uitgekamd. Nu was het de dienstmeid die ‘s morgens bibberend haar verhaal kwam vertellen bij de schout.’
Berent trok de kan met bier naar zich toe en schonk voor zichzelf een kroes vol.
’Even mijn droge keel smeren, ik ben niet gewoon zo lang aan het woord te zijn,’ zei hij met een knipoog naar Riens die ook een kroes had vol geschonken.
‘Ik vertel niet veel maar het smaakt mij ook best,’ lachte hij. ’Je vertelde, Berent, dat de hopman vertrokken was zonder een teken van leven achter te laten maar ik heb thuis gehoord dat dit niet helemaal klopt. De vrouw van de schout had uit haar mond laten vallen tegen de dienstmeid van de pastoor dat er later die avond nog soldaten bij hen aan de deur waren geweest. Hoe of dit praatje over de dijk is gegaan weet ik natuurlijk niet maar als er een kern van waarheid in zit moesten we eigenlijk, denk ik, de schout eens met een bezoekje vereren. Je hebt verteld dat er ook voor de schout een brief in de mars was verstopt. Misschien is het een goede gelegenheid om hem onverwachts deze brief te overhandigen.’
De brief aan de schout had Dries nog steeds in zijn bezit. Het zou een stunt zijn om bij de deur aan te kloppen en hem de brief onder de neus te houden.
’Wie wil je dat laten doen?’ vroeg Janus. ’De schout kent iedereen in het dorp. Ik durf eigenlijk het risico niet te lopen dat hij ons herkend.’
Alle punten werden overwogen. Het was een plan dat allen wel aanstond. Misschien konden ze via de schout achter de verblijfplaats van deze Juan de Vrestra komen.
‘Wees er wel op bedacht dat deze man een heel andere persoon is dan de pastoor. Ik durf het wel aan,’ zei Berent, ‘om het woord te doen. Als jullie je gezichten verbergen achter een doek zodat hij jullie niet herkend dan kunnen we misschien wat meer te weten komen. Heb je nog gedroogde pruimen op de zolder Dries? Met een paar pitten in je mond verdraaid je stem zo dat deze niet wordt herkend mocht je per ongeluk een woord ontvallen’
Het plan werd van alle zijden bekeken en aangepast. Ook Dries die eerst nog te veel gevaar en onvoorziene punten zag in deze onderneming werd warm gemaakt door het enthousiasme van de drie andere mannen.
‘Laten we dan deze avond nog dit plan uitvoeren,‘ zei Dries, ‘hier in de mand met verstelgoed vinden we wel wat donkere doeken die we voor ons gezicht kunnen binden. Een ieder trekt zijn muts diep over de ogen en slaat zijn kraag hoog op. Vooruit, we hakken de knoop door, we maken ons gereed om die schout eens te ondervragen. Janus, in de kast in de gang vind je nog wel wat touw, windt een flink aantal slagen om je schouder en arm en hang deze rol om je schouder voor je het overkleed aantrekt. Een ieder heeft een mes bij zich? Denk er wel aan, alleen om iets door te snijden, ik duld geen steekpartijen. Trek allemaal een paar wanten aan, hier in het stalraam liggen er nog wel een aantal van het wilgenknotten van vorige week.’
Zo vertrok een half uur later een groepje mannen in de richting van de dam. Even gingen ze nog bij de boerderij aan van Riens zijn ouders om zijn klompen te wisselen voor een paar laarzen. Gelukkig was het toch vrij donker ondanks de sneeuw. Gelukkig was de lucht bewolkt en er waren geen mensen op straat. Voorzichtig spiedde Riens om de hoek van de Hogendijk in het midden van de dorpskern. Er liep geen mens op de dijk en uit de herberg klonken luide stemmen. Er leek een feest aan de gang te zijn. Er klonk muziek en flarden van gezang. Riens wenkte de anderen naderbij en vlug staken ze als groep de weg over en verdwenen in de steeg tussen de Dam en de herberg. Zo konden ze via enkele tuinen op het erf van de schout komen. Zijn erf grensde aan de Giessen waar langs de kant een schouw lag die met een zeil was afgedekt tegen de regen.
‘Wacht even jongens,’ zei Janus, ‘laten we even kijken of we mogelijk gebruik kunnen maken van deze schouw als het nodig is. Kijk even of er iets in ligt en maak het zeil aan een kant los. Er mee varen kan natuurlijk niet vanwege het ijs maar ons erin verstoppen kunnen we wel.’
Na dit te hebben gecontroleerd slopen ze naar de deur in het achterhuis. Aan weerszijden van de deur stelden Dries, Riens en Janus zich op. Berent bleef frontaal in de deur staan en bonsde met zijn vuist op de deur.
Enkele ogenblikken later werd een klein luikje in de deur geopend en een lantaarn werd opgeheven. Een mannenstem vroeg wie er was en wat hij nog zo laat kwam doen.
‘Ik kom een brief afgeven van Don Franca,’ riep Berent met een verdraaide stem terwijl hij de brief voor het geopende luikje toonde. Binnen een paar tellen werd de deur knarsend van het slot gedraaid en wenkte de schout Berent naar binnen.
Dit was het moment waarop de anderen hadden gewacht. Berent stapte naar binnen en greep naar de lantaarn zodat die niet op de grond kon vallen. Eerst draaide Janus zich door de openstaande deur naar binnen direct gevolgd door Dries en als laatste Riens. De schout die hier absoluut niet op verdacht was liet de lantaarn los terwijl Janus en Berent boven op hem sprongen zodat hij zijn evenwicht verloor en op de grond tuimelde. Gelukkig kon Riens nog net de lantaarn overnemen van Berent voordat deze op de grond viel. Dries sloot ondertussen zacht de deur en draaide ook weer de sleutel om in het slot. Langs de vechtende mannen liep hij naar de deur die via de gang naar de woonkamer leidde. Hier keek hij door het kleine ruitje in de deur en zag de vrouw van de schout rustig zitten aan tafel. Voor haar stond een naaimand en er lag een grote stapel sokken die ze naarstig aan het verstellen was. Even leek Dries te aarzelen maar opende toen toch de deur.
‘Goedenavond, vrouw Flipzn,’ begroette hij de vrouw die met een gil opsprong en haar verstelwerk op de tafel gooide, geschrokken van de gedaante die zijn gezicht had verstopt onder een zwarte doek en met een grote muts.
‘Wie ben je en wat wil je,’ riep ze met een hoge stem en liep richting een deur die waarschijnlijk naar de bovenverdieping leidde.
’Ga rustig zitten aan tafel en er zal je niets gebeuren,’ zei Dries met een verdraaide stem en draaide de lamp die op de tafel stond wat lager en blies de drie kaarsen uit die op een lage kast stonden.
‘Ik raad je aan om je heel rustig te houden, niet te gaan roepen of gillen. Ik bind je aan de tafelpoot vast zodat ik er zeker van ben dat je er niet vandoor gaat. Is dat begrepen?’
De vrouw knikte maar leek toch niet zo onder de indruk te zijn als Dries had verwacht. Ze kreeg weer wat kleur op haar gezicht en keek spiedend rond.
‘Je man heeft in het achterhuis bezoek van zes vrienden van mij,‘ overdreef Dries die de deur weer opende en de jongens toeriep dat hier alles onder controle was. Even later kwamen Janus en Berent binnen die de schout als een zak rogge over de verschillende drempels sleepten. De schout kronkelde als een paling maar leek goed vastgebonden door zijn overvallers. Riens had een handdoek van een waslijn genomen die was gespannen in het achterhuis en deze over de mond en rond het hoofd van de schout vastgeknoopt. De schout had tijdens de worsteling zijn hoofd gestoten tegen een tafel die daar stond en bloedde hevig.

Vervolg                                         Hoofdstukken
Onze Facebook pagina