

Dries haalde zijn schouders op en dacht dat het beest hem niet gehoord had in het gebulder van de storm. Hij duwde de deeldeur open en sloot hem weer met een klap achter zich.
’Vader heeft nu zeker gemerkt dat er volk in de stal is,’ dacht Dries. Toch hoorde hij niets, vader kwam niet met de olielamp de stal in. Het was pikkedonker op de deel. Vader had de lamp in de stal natuurlijk niet laten branden, te gevaarlijk met de storm, bij al het hooi wat opgeslagen was. Opgewaaide hooisprietjes, die op de lamp terecht kunnen komen zouden in een oogwenk de schuur in vlammen doen opgaan. Nog even bleef Dries staan, luisterend.
’Zou vader het toch niet gehoord hebben?’ dacht hij. Voorzichtig schuifelde hij naar de tussendeur en liep de gang in.
’Wat hebben we hier?’ Zijn voet stootte tegen iets aan wat zacht aan voelde. Iets op de vloer wat daar niet hoorde te liggen. Dries liet zich op de rode plavuizen zakken en onderzocht wat er lag.
‘Zou de hond binnen gekomen zijn, om warmte te zoeken in de gang nu het buiten zo tekeer gaat?’ Hij schrok toen zijn vingers een koud gezicht aanraakten, de haren voelden op het hoofd van een mens. Vlug zocht hij zijn weg naar de keuken en maakte licht. De olielamp stond op de normale plaats op de schouw. Met een spaander die naast de lamp lag stak hij de olielamp aan. Met de lamp in zijn hand ging hij terug de gang in. Daar lag zijn vader, in een grote plas, al opgedroogd bloed. Een vreselijke wond was zichtbaar, dwars over de hals van vader. Verstijfd van schrik bleef Dries als aan de grond genageld staan. Niet bij machte om maar iets te doen. Hij voelde zijn hart in zijn hoofd bonzen. Plots draaide hij zich om en vluchtte de keuken in. Daar viel hij neer op een stoel, hij wist het, hier is geen hulp meer mogelijk. Nadat hij een beetje was bijgekomen van de eerste schrik haalde Dries uit de bedstee een deken. Met in zijn ene hand de olielamp en in de andere hand de deken ging Dries terug naar de gang. Hij moest zich verzetten tegen de opkomende golven van misselijkheid nu hij weer het lichaam van zijn vader zag. Wat hem bij de eerste aanblik niet opgevallen was zag hij nu. Naast het stookgat van de oven, aan het einde van de gang, lag een scheermes waar bloedvlekken op zichtbaar waren. Weer voelde Dries braakneigingen opkomen. Hij bedekte het lichaam van zijn vader met de deken. Verwonderd liep hij verder de gang in, had hij het goed gezien in het flauwe licht van de olielamp? Zat er bloed op dat scheermes? Hij tilde de lamp wat hoger op en zag aan de rechterkant, op de witgekalkte muur, vegen met bloed. Je kon zien dat daar iemand zich vast gehouden had toen hij het trapje af ging naar de stal. Zou dat de moordenaar geweest zijn? Dries vermande zich en liep het trapje af de stal in. In een hoek stond een polsdikke stok die hij meenam. Hij stond even stil om te luisteren of hij iets hoorde maar door het gebulder van de storm die nog in alle hevigheid woedde kon hij niets verdachts horen. Er klapperde achter in de stal, waar wat schapen in een hok stonden, een luik, waarschijnlijk los gewaaid. Opeens realiseerde hij zich dat het gezicht van zijn vader al koud aanvoelde toen hij het ontdekte. De moordenaar zou zich echt niet in de stal ophouden, die was allang weggevlucht.
Toch liep Dries verder de stal in, de koeien waren onrustig. Ze stonden onrustig tussen de staken en enkelen ervan loeiden onophoudelijk. De deur van de stal sloot hij af door de sluitbalk in de ijzers te leggen. Nu keek hij om naar de koeien, een jonge vaars loeide en trok aan de touwen waar ze mee vast stond. Dries zag dat er in de goot geen water stond. Vader had de koeien nog geen water gegeven, iets wat hij altijd deed, een paar uur na het melken. De pompbak stond nog vol, de knecht had deze volgepompt voordat hij naar huis ging, zodat vader alleen de houten stop er maar uit hoefde te halen. Dries zette de olielamp op de pompbak en tastte naar de stop. Hij sloeg deze uit de pompbak en wild kolkte het water de goot in die voor de koeien liep. Gulzig dronken de dieren. Nog even liep Dries verder de stal in. Opnieuw schrok Dries toen hij zijn voet stootte weer tegen iets wat op de grond lag. Op de tast voelde hij iets harigs wat bewoog en zachtjes kreunde. Hij pakte de lamp en verlichtte het donkere hoekje naast de bak. Daar lag de hond, het beest keek hem aan met een droevige blik in zijn trouwe hondenogen. Hij hoorde weer het luik hard tegen de muur klapperen.
’Ja, kon jij maar praten dan kon je vertellen wat er is gebeurd,‘ dacht Dries en tilde de hond op. Voorzichtig legde hij het beest in wat hooi. Hij kreunde zacht toen Dries hem over zijn kop aaide. Hij kon zien dat de hond geslagen was. Hele plukken haar waren verdwenen en er liep wat bloed uit zijn bek. Dries schepte in de holte van zijn hand wat water en liet de hond wat drinken. Daar zou hij later we voor zorgen. ‘Arm beest, wat heeft er zich hier afgespeeld in de vroege avond?'
Achter in de stal zag hij het luik waar niet de wervel op was op gedraaid. Ook zag Dries vegen bloed aan de muur. Hier moest de dader doorheen gevlucht zijn. Hij stapte over de afscheiding van wilgenslieten het schapenhok in en sloot het luik en deed de wervel er weer op. Mocht de dader terug komen, hier kon hij niet meer langs. In de schemer stootte zijn voet nu tegen iets hards wat op de grond lag onder het luik. Voorzichtig opende hij weer het luik en bij het licht wat binnen viel nu de maan achter de wolken vandaan kwam, de wind had zijn lamp uit gewaaid, zag hij dat het een mars was. Een houten kist of kast die een venter met zich mee draagt en waaruit hij allerhande spullen verkoopt langs de huizen. Hij sloot opnieuw het luik, tilde de mars op en droeg deze naar de keuken. Hier onderzocht hij deze en vond in een van de laden een geschreven brief. Dichtgemaakt met een rode lak waarin het zegel van de afzender gedrukt, degene die de brief had geschreven. Met moeite kon hij de naam van de afzender ontcijferen. Bij het licht van de lamp las Dries een naam, Don Franca. De brief was gericht aan ene Juan la Vrestra. Vlug stak Dries de brief tussen zijn wanbuis, hier kon hij misschien nog gebruik van maken. De mars verstopte hij in de stal tussen de hooiberg en de wand van de schuur, hij wist dat daar een ruimte was waar je jezelf met moeite tussen kon wringen. Hij plukte uit de hooiberg enkele handen hooi en spreidde deze over de mars uit zodat hij helemaal uit het zicht stond. Iemand die hier niets van wist zou de mars nooit terug kunnen vinden. Het scheermes lag nog in de gang. Dit liet Dries liggen. Hij moest nu iemand gaan waarschuwen, hij moest iets doen. De deur van de stal liet hij gesloten, hij zou door de deur van de opkamer naar buiten gaan. Niemand zou verwachten dat deze open zou zijn. Die deur ging alleen maar open bij een begrafenis of bruiloft. Hij moest eerst wat oude lappen uit de kieren van de deur halen. Vader had jaren geleden de kieren van de deur dicht gemaakt met lappen tegen de tocht. Eindelijk had Dries de deur open, voorzichtig keek hij om de hoek. De storm was een beetje gaan liggen en de maan verlichtte de stoep zodat Dries kon zien dat er niemand op het erf was. Hij sloot de deur en liep de stoep op, glijdend door de modder. Waar zou hij naar toe gaan? Naar vrouw de Laet aan de Giessenkant of naar Krelis, de knecht die vader enkele maanden geleden de dijk had opgejaagd? Krelis woonde vijf minuten gaans richting Slydrecht aan de binnenkant van de dijk. Nee, hij zou niet naar vrouw de Laet gaan. Daar was hij in de afgelopen jaren meerdere keren geweest als hij weer eens ruzie had gehad met vader.
’Je kunt altijd aan komen lopen,’ had ze gezegd, ‘als je ergens mee zit, waar ik mee helpen kan, je weet me te vinden.’ Toch wilde Dries nu hier niet om hulp aan kloppen. Hij zou naar Krelis gaan, misschien kon hij verder helpen.
Vervolg Hoofdstukken
