Twintig minuten later liepen ze met zijn drieën weer terug naar de stee van Romeijn, Dries, Krelis en diens oudste dochter Anna.
’We komen direct met je mee,‘ had Krelis gezegd toen Dries verteld had hoe hij zijn vader dood in de gang had gevonden. ‘Anna, jij gaat ook mee dan blijft moeder thuis bij de kleintjes.’
Door de modder zochten ze hun weg. De maan was weer achter de wolken verdwenen en de regen kwam opnieuw met bakken uit de donkere lucht. De wind, weer in alle hevigheid toegenomen, gierde door de kale takken die op de knotwilgen onderaan de dijk langs de sloten stonden.
‘We zijn al bij de timmerwerkplaats van Hannes,’ zei Krelis, ‘ik hoor een zeil klapperen van het schip dat gisteren voor de wal kwam. Wellicht heeft de schipper het zeil niet goed opgerold’. Elkaar vasthoudend liepen ze de stoep af.
’Hierheen, we nemen de bovenste deur,’ zei Dries. Verwonderd kwamen Krelis en Anna terug. Door de opkamer naar binnen?
‘Ik leg je straks wel uit waarom’ zei Dries die naar binnen ging. Krelis en Anna volgden hem. In de keuken vertelde Dries wat er gebeurd was. Hoe hij eergisteren vanuit Schoonhoven op weg was gegaan naar Giessendam en hoe hij vader had aangetroffen. Dat hij de mars had gevonden en de brief vertelde hij niet. Hij liet het scheermes zien aan Krelis.
‘Ik denk dat ze vader hiermee hebben vermoord,’ zei hij, ‘maar door wie en waarom? Ik zou niet weten wie jouw vader kwaad zou willen doen.’ Anna huiverde.
’We moeten je vader weg halen uit de gang en hem opbaren. Maar ik kan dat niet alleen. Ik heb hulp nodig, zou vrouw de Laet kunnen helpen?’ vroeg ze.
‘We moeten de schout er eerst bij halen,’ zei Krelis, ‘misschien heeft iemand iets gezien. Weten de knechten niets? Hebben die vanmiddag soms wat gezien?’
Besloten werd om een van de knechten op te halen en direct de schout te waarschuwen. Krelis ging op weg richting den Dam. Even voorbij de Damstoep woonde de schout, die zou hij het eerst gaan halen dan kon de schout beslissen wat er verder moest gebeuren. Ondertussen had Dries wat meer licht gemaakt in de keuken en kamer. Anna stak het vuur in de schouw aan om water te kunnen verwarmen en vroeg aan Dries waar hij de afgelopen tijd geweest was.
’Je vader vertelde er niets over, we wisten dat hij je weggestuurd had maar verder wisten we niet waar je was. Weggestuurd omdat je ons hebt geholpen. Nu je terug bent moet je juist dit overkomen. Wat moet je geschrokken zijn, ik durf eigenlijk niet eens in de gang te gaan kijken,‘ zei ze.
Dries bemerkte een warmte in haar stem die hem deed opkijken. Zo kende hij haar nog niet. Hij wist natuurlijk wel dat Krelis een dochter had uit een eerder huwelijk, ongeveer van zijn leeftijd, maar hij had haar in jaren niet meer gesproken. Als kind speelde ze soms op de hofstee maar ze diende nu al jaren bij een boer in de richting van Oud-Alblas. Eens in de vier weken was ze op zaterdag thuis.
‘Ik was op weg naar huis om afscheid van mijn vader te nemen,’ vertrouwde hij Anna toe. ‘Afscheid nemen omdat ik niet met hem samen kon leven. Er zijn te veel verschillen tussen hem en mij.’
Anna verbeterde hem, ‘er waren te veel verschillen bedoel je zeker. Waar was je van plan om naar toe te gaan, waar wilde je dan gaan wonen, heb je soms een vrouw op het oog?’
Dries kleurde een beetje, over trouwen had hij nooit nagedacht. Hij was altijd druk in de weer geweest op de boerderij en vader had nooit over een huwelijk gesproken.
’Ik ben, of liever gezegd, ik was van plan om naar Breda te gaan. Naar de stad van Willem van Oranje. Daar mag je vrij zeggen hoe en waarin je gelooft. Hier in de Waard lopen allerlei verraders rond die je aan geven bij de Inquisitie als je anders, dan op de kapel op de Dam verteld wordt, je Bijbel leest, Anna. Wellicht dat ik dan later doorreis naar Brussel. Maar nu zal alles wel veranderen, ik zal wel zien hoe of alles zal gaan lopen. Ik krijg nu de zorg voor have en goed op mijn schouders.’
Anna, die juist de ketel boven het vuur wilde hangen, keek verbaasd op. ‘Begrijp ik het nu goed? Ben jij dan ook een ketter?’ vroeg ze, ‘ik wordt ook zo genoemd sinds ik op de boerderij ‘De Vier Linden’ dien. Daar zijn ze ook van het nieuwe geloof en ik denk dat die Luther het bij het rechte eind heeft. Het zijn allemaal graaiers die met mooie praatjes en aflaat brieven proberen zo veel mogelijk geld afhandig te maken van de toch al arme bewoners in de waard. En niet goedschiks dan maar kwaadschiks. Het is toch ongeloofelijk dat de geestelijkheid er op uit is om het weinige dat de mensen hebben dit af te troggelen voor de toch al steenrijke kerk van Rome.'
Een zucht van verlichting ontsnapte Dries. Hij was van zichzelf geschrokken dat hij openlijk tegen Anna, die hij eigenlijk niet eens goed meer kende, gesproken had over zijn geheim. Het geheim om via Breda naar Brussel te gaan, om uit te vinden wat je nu kunt, moet of wilt geloven. Op dat moment hoorde Dries gestommel bij de deur.
’Stil, niets meer over geloof, kerk of ketters,’ fluisterde Anna hem toe, ‘mijn vader weet het zelfs niet’. Dries stond op en ontgrendelde de deur die hij achter Krelis op slot had gedaan, toch bang dat de dader misschien terug zou komen. Krelis kwam binnen met de schout en Willem de knecht.
’Vertel me nu eerst maar eens hoe je het hier hebt aangetroffen. Ik heb het een en ander gehoord van Krelis maar het is mij niet helemaal duidelijk,‘ zei de schout. Dries vertelde hem het hele verhaal, en weer zweeg hij over de mars en de daarin gevonden brief.
‘Vandaar dat de boer vanmiddag er niet was met melken,‘ zei Willem. ’Anders is je vader er altijd. We hebben nog een keer geroepen maar er kwam niemand. Ik zei nog tegen de meiden: ‘Wout is zeker weg,’ toen er niemand kwam.‘ Langzaamaan werd het duidelijk dat de moord in de middag gepleegd moest zijn. ‘s Morgens was Wout nog mee naar de Dam geweest om de bles te laten beslaan bij de smid. De schout stond op en vroeg aan Dries om even mee te lopen naar de gang.
‘Ik wil het slachtoffer even bekijken.'zei hij gewichtig. Misschien dat er aanwijzingen zijn over de dader.’ Nadat de deken was verwijderd keek de schout naar de wond.
’Het moet met een scherp mes gebeurd zijn,‘ zei hij terwijl hij opstond. ’Verder is er niets aan te ontdekken. Wellicht dat er morgen licht in de zaak komt wanneer de buurt er van hoort. Het lijkt er wel op dat de moord vanmiddag gepleegd is in aanmerking genomen dat het bloed geronnen is en het lichaam al bijna koud is.’
Op dat moment herinnerde Dries zich het scheermes.
’Ik heb het mes gevonden, heer schout,’ zei Dries. ’Het ligt hier op de schouw.’
De schout pakte het mes en slaakte een kreet van verbazing.
’Dit is een scheermes van de barbier, ‘zei hij. ’Vanmorgen is het gestolen en de barbier kwam het mij vanmiddag vertellen. Hij verdenkt er een marskramer van het gestolen te hebben. Kijk, hier op het heft staat JV ingekerfd, de afkorting van Jan Vlashaar. Als we morgen horen dat er een marskramer over de Hogendijk is gelopen richting Slydrecht dan hebben we de mogelijke dader.’
Voor Dries stond dit al vast, de mars van de kramer stond immers in de stal, verstopt achter de hooiberg. Zo hij het vertellen? Hem zeggen dat de mars in de stal stond? Hoe zou hij het uit moeten leggen. Hij zag in gedachten de schout al kijken. ’Waarom heb je het niet direct verteld. Heb je iets achter te houden?’  Neen, hij hield het nog voor zich, misschien zou hij het de schout later vertellen.

Volgende hoofdstuk                    Hoofdstukken



Onze Facebook pagina