


De gelagkamer stond vol met rook toen Anna de deur achter zich dicht deed. Niet alleen was er een wolk rook vanuit de haard de gelagkamer in gewaaid toen zij de deur opende maar ook werd de rook veroorzaakt uit de pijpen die een vijftal mannen rookten rond de grote tafel in het midden van de kamer.
Een tweetal kandelaars met ieder vier kaarsen branden flakkerend op de tafel en verspreiden het licht tot in de verste hoeken. Anna keek rond en zag in de hoek van de gelagkamer Dries zitten praten met een man. Ook Dries rookte eenn pijp en leek in een druk gesprek verwikkeld. Een wat oudere heer zat vlakbij een van de kandelaars een boek te lezen. Een dame in zijn gezelschap zat met een stok kaarten en speelde een spelletje patience.
De waard kwam op haar toelopen en vroeg wat zij wenste.
‘Ik ben op zoek naar mijn werkgever maar ik heb hem al gevonden. Ik zie hem zitten praten, daar aan de tafel in de hoek. Hebt U voor mij een slaapplaats voor deze nacht?’ De waard zei haar dat hij daarvoor zou zorg dragen en pakte haar tas aan. Haar jas nam hij aan en zei haar deze spullen op te bergen in haar kamer. Hij vertelde haar trots dat hij drie aparte kamers had waar desgewenst gasten konden slapen.
Nog had Dries haar niet herkend of gehoord. Het was in de herberg dan ook een kakofonie van geluiden. In een hoek was een rondreizende muzikant aan het spelen op zijn luit. Verscheidene mannen zongen luidkeels het populaire deuntje mee. Vanuit de keuken klonk een gerammel van vaatwerk en ook werd er luidruchtig gepraat. Anna liep op Dries toe en legde haar hand op zijn schouder. Pas toen keek hij op en met een verschrikte blik stond hij zo plotseling op dat zijn stoel luid kletterend op de plavuizen viel. Hij pakte haar vast aan beide bovenarmen en schudde haar heen weer als een klein kind dat ongehoorzaam is geweest.
‘Anna, wat doe jij hier?’ riep hij en keek doordringend in haar groene ogen.
‘Jij idioot,’ zei ze, ‘laat me los en knijp me niet zo in mijn armen. Laat mij eerst eens los dan zal ik je vertellen wat ik kom doen.’
Dries liet haar even plotseling los als hij haar had vastgepakt. Hij raapte zijn stoel weer op en liet Anna hierop plaats nemen terwijl hij ging zitten op de stoel waarop zo juist nog zijn tafelgenoot zat.
‘He, Karel waar ga je naar toe,’ riep Dries de man na, ‘ik was nog niet klaar met mijn verhaal.’ De man lachte en liep terug naar de tafel van Dries.
‘Ik kan goed zien Dries wanneer ik te veel ben Je vertelde me juist over je knecht en zijn dochter, een meid met rode krullen en groene ogen. Nee Dries, we zien elkaar morgen misschien nog wel. Anders hou ik het vervolg van je verhaal tegoed en kom ik eens langs Giessendam dan zal je bezoek van mij krijgen aan de Hogendijk.’
Dries stamelde nog wat verontschuldigingen en leek een beetje verlegen met de plotselinge ontstane situatie.
‘Nou Dries, kom je ook nog zitten of blijf je de hele avond staan? Ik zou wel wat te eten lusten. Ik ben voor noemmaal vertrokken van de Hogendijk dus heb ik een maaltijd overgeslagen.’
Nog leek Dries niet helemaal bekomen te zijn van de onverwachte binnenkomst van Anna, die de brief uit de mouw van haar trui haalde die Berent die morgen had geschreven en gaf hem aan Dries.
‘Lees eerst deze brief eens. Hij is door Berent geschreven en het zal het een en ander wel duidelijk maken.’
De waard kwam naar hun tafel en vroeg of ze een maaltijd wilden gebruiken wat ze gretig beaamden.
‘Er is gebraden gans met koolraap en een soep van verschillende koolsoorten vooraf. Ook is er kaas en gerookte ham,’ somde de waard op. ’We hebben ook nog enkel moten snoek en wat gebakken voorn die vanmorgen nog in de rivier zwommen.’ Het maakte het niet gemakkelijk een keuze te maken maar na een half uur stegen heerlijke geuren op vanuit de keuken en dat deed hun het water in de mond lopen.
Dries had de brief gelezen en zat in gedachten verzonken te wachten tot het eten werd opgediend. Dries stelde Anna enkele aanvullende vragen over de situatie op de Hogendijk. Het hield hem erg bezig dat hij nu niet in Giessendam was. Een klein uurtje na de bestelling werd het eten opgediend en zaten Anna en Dries te smullen van het gebraad dat met een heerlijke saus was overgoten.
Tijdens het eten kruisten hun blikken zich en steeds weer kreeg Anna een kleur als zij in de ogen van Dries keek. Zwijgend aten ze totdat het hele gebraad verdwenen was. Met een stuk roggebrood veegde Dries het laatste van zijn schotel en weer keek hij Anna diep in haar ogen.
‘Anna,’ stamelde hij, ‘ik weet niet wat mij overkomt. Steeds weer als ik de laatste dagen aan je dacht brak het zweet mij uit. Soms verlangde ik zo naar je dat ik van plan was om direct naar Giessendam terug te keren. Ik weet niet goed wat er met mij gebeurd maar ik lijk niet meer zonder jou te kunnen leven. Hij pakte de hand van Anna vast die op de tafel lag. Hij bekeek haar, door de dagelijkse arbeid ruw geworden handen en streelde langs haar vingers. Anna sloeg haar ogen op en ze keken elkaar aan.
‘Ik weet niet of dit wel verstandige praat is Dries. Ik ben een dochter van een eenvoudige boerenknecht en het is niet gepast in boerenkringen om verliefd te worden op de dochter van een knecht, laat staan dat ze met een boer zou trouwen.’
‘Een boer maakt zelf uit met wie hij wil trouwen,’ zei Dries heftig en stak opnieuw zijn pijp aan.
’We hebben de leeftijd er voor Anna. Als jij mij ook graag ziet wil ik je vragen mijn vrouw te worden. Ik ga als we terug zijn op de Hogendijk eerst naar je vader om het af te spreken.’
Niet roder konden haar wangen worden, niet dieper konden haar groene ogen doordringen in de donkere kijkers van Dries toen ze zei: ‘Ja Dries, het vergaat mij net als jou, ik krijg een warm gevoel als ik aan je denkt en wordt bang als ik denk aan de gevaren die jij mogelijk loopt in Gorkum. Ik was blij toen ik toestemming kreeg om je hier op te zoeken.’
Volgende hoofdstuk Hoofdstukken