Nadat Berent de tijd had genomen zich in “de Rustende Jager” te warmen bij het haardvuur knoopte hij een praatje aan met de waard van het logement. Die had de fors gebouwde jongeman uit de Bommelerwaard al een paar maal aangekeken. Hij had het paard en de tuigage van de vos van Berent eens goed bekeken toen hij het paard op stal zette. Het paard was voorzien van een gloednieuw zadel en ook de riemen waren van een prima kwaliteit. Hij zag hier in Wingerden geen jongens rijden met zulke mooie spullen. De slechte prijzen voor boter en kaas waren in de Waard zo algemeen dat maar een enkele boer in de wijde omgeving zich zulke mooie spullen kon veroorloven. Hij was erg nieuwsgierig en wilde dolgraag een praatje aanknopen.
‘Ik hoorde gisteren in Gorkum dat er hier in deze omgeving van de Waard flinke onrust heerst, klopt dat, waard?’ begon Berent het gesprek. ’Ik ben op doorreis naar Gouda voor mijn heer uit Zaltbommel. Er werd mij in de herberg in Gorkum verteld dat er een man vermoord is in Giessendam en dat de moordenaar gevlucht is naar Dordt waar hij eerst zou zijn opgepakt maar weer zou zijn vrijgelaten omdat hij de juiste vrienden zou hebben bij de Habsburgers. Het moet een wrede kerel zijn geweest die hij heeft vermoord.’
‘Nou heerschap,’ zei de waard en droogde met zijn voorschoot zijn handen af waarna hij  achter zijn taptafel vandaan kwam en bij Berent aan de tafel plaats nam, ’het ging een beetje anders maar het zijn vreemde tijden, dat moet gezegd worden. Laat eens zien, het is allemaal een week of vier geleden gebeurd. Een marskramer vanuit de Zuidelijke Nederlanden heeft in Giessendam een rijke boer overvallen maar er zou niets zijn buit gemaakt en hij is hier vlakbij opgepakt de volgende dag. Op de dag na de moord reed er een groep soldaten het in dorp die hielden halt bij de kerk. Ze bonden direct hun paarden vast aan het hek bij de kerk en liepen het erf op van de hofstee naast mijn huis. Omdat er een luid gekletter klonk van wapens, er luide stemmen klonken en het doorgaans hier erg rustig is ben ik achterom gelopen en vanuit het schuurtje heb ik gekeken wat er aan de hand was. De aanvoerder van die rabauwen liep met twee soldaten zonder aarzelen de buitenschuur in en kwam terug met een onguur uitziende kerel tussen hen in, die naar ik later hoorde, die gezochte marskramer bleek te zijn.’
De waard stond op en liep naar de taptafel waar hij opnieuw een tinnen kelk warme wijn inschonk voor Berent. Voor zichzelf schonk hij een kroes met licht bier in en nam weer plaats tegenover Berent.
‘En weet je wat ik achteraf zo vreemd vind? Ik zag de middag van de moord, dus de dag voor de kramer werd opgepakt, een man met een paard het erf op komen rijden. Ik maakte toen net een praatje over de schutting met de boer. De boer riep tegen de man die zijn paard aan de ring bond, dat hij zich maar even moest melden in het achterhuis, daar zou hij zijn vrouw wel vinden. We hebben daar nog wel, in de luwte van een schuur, een poosje staan kletsen en in die tussentijd heb ik de man niet weer zien vertrekken. Ik vond er toen niets vreemds aan, hoewel ik de man nooit bij Hannes had gezien. Maar achteraf vind ik het raar dat die marskramer de andere dag daar is opgepakt. En die marskramer die tussen de twee soldaten liep leek in zijn gezicht veel op de man die per paard was komen aanrijden. Ook heeft het paard dat tot ’s avonds laat naast het huis aan de ring vast gestaan. Ik verwonderde mij er nog over omdat het zulk slecht weer was. De wind bulderde met stormkracht om de schuren en bijgebouwen heen. Ik heb de volgende dag, nadat de man was opgepakt aan de boer gevraagd wat er toch aan allemaal de hand was. Hij vertelde mij toen het verhaal dat er een marskramer zich in de buitenschuur had verstopt en dat die was opgepakt voor de moord op een Giessendamse boer. Hij had er zelf niets van gezien omdat hij die morgen met een paar knechts achter in de Waard aan het werk was geweest. Er was de avond ervoor een afrastering kapot gewaaid tijdens de storm die over de Waard was getrokken. Ik vroeg hem daarna waar dan de mars was gebleven want dat ik wel had gezien dat er een man was opgepakt maar niet dat er een mars was meegenomen. We hebben er samen nog naar gezocht maar we hebben niets gevonden. Toen ik ook nog even informeerde naar de man met het paard en vroeg waarom hij dat paard niet op stal had gezet met die storm, reageerde de boer geïrriteerd en verdween naar de stal om te melken.’
Dat kon Berent zich goed voorstellen. Er was een man komen aanrijden op een paard en waarschijnlijk tegen de avond in het donker en tijdens de storm was de werkelijke moordenaar lopend door de velden naar de hofstee gekomen. Geen van hen had een mars bij zich gehad. Iets wat de waard niet was opgevallen maar waar de betrokkenen geen ruchtbaarheid aan wilden geven. De waard had zich verwonderd over het feit dat men sprak van een marskramer maar hoe wisten ze dat het een marskramer was? De man was vervoerd naar Giessendam maar er was nog niemand geweest die zich had afgevraagd waar toch de mars was gebleven. Berent besloot hier zijn voordeel mee te doen door dit feit als een praatje rond te laten gaan. Je hoefde dit maar een keer in een herberg of taveerne te vertellen en het zou rond gaan als een lopend vuurtje. Mogelijk werd de aandacht wat verlegd van de Hogendijk en Dries naar een complot van Spanjaarden in Wingerden.
‘Maar daar heb je dan toch zeker wel verder naar geïnformeerd. Een mars van een kramer die een moord heeft gepleegd kan toch belangrijk zijn. Weet die boer echt van niets of houdt hij zich maar van den domme? Het lijkt er wel op of er hier in dit rustige dorpje iets vreemds aan de gang is. Je vertelt mij dat er een heer komt aanrijden, je denkt dat die heer een dag later als marskramer wordt gevangen genomen. En de mars van de marskramer is spoorloos verdwenen? Nog even en je verteld me dat de boer een ketter is en een vriend van de Habsburgers van Filips II’
De waard keek even schichtig naar de deur als verwachte hij dat er iemand zou binnenkomen.
’Daar zeg je me wat vriend, die boer van hiernaast is niet zuiver op de graat, hij is niet te vertrouwen volgens mij. Hij heeft vermoedelijk eens een aantal dorpsbewoners aangegeven bij de pastoor van ons dorp. Nu is hier gelukkig een pastoor, een al wat oudere man, die maakt zich niet zo druk meer over aardse zaken. Hij zegt dat men zich maar beter kan bezig houden met hemelse zaken. Hij had zelfs tegen die boer gezegd dat Petrus, die aan de poort staat, niet vraagt aan de mensen die willen worden binnen gelaten, in welke basiliek, kerk, kapel, moskee of samenkomst ze van Hem hebben gehoord. Nee, Petrus zou een ieder binnen laten die op goede voet met zijn naasten heeft geleefd. Zo had hij de boer weggestuurd. Ik heb later wel eens vernomen dat de boer een dag daarna naar Giessendam is geweest en dat een dag later hier in het dorp, door soldaten vijf gezinnen zijn opgepakt waarvan we nooit meer iets hebben vernomen. En laten dat nu juist goede vrienden zijn waar de pastoor veel over de vloer kwam. Ik ben er de zegsman niet van maar vertrouwen doe ik die Hannes niet.’
Berent had voldoende gehoord. Hij begreep nu hoe en waar de persoonswisseling weer ongedaan was gemaakt en probeerde het vuurtje nog wat aan te wakkeren.
‘Dan zal er wel een deel van mijn inlichtingen kloppen. De moordenaar is weer op vrije voeten en er is misschien ook niets van waar dat bij de vermoorde boer geen buit te vinden was. Ik vermoed dat er iemand is die nu een heleboel geld bewaard. Mogelijk speelt die boer van je onder een hoedje met die ruiter. Je zei dat hij wel eens op Giessendam kwam, mogelijk tipte hij de marskramer.’
Berent vroeg de waard om voor hem nog een pakketje roggebrood met kaas en spek klaar te maken en een kruik met wijn voor onderweg.
’Ik moet vandaag nog bij het veer naar Bergambacht zien te komen anders ben ik morgen te laat in Gouda’.
Na zijn vertering te hebben betaald vertrok Berent, de waard achterlatend in grote verwarring.

Volgende hoofdstuk                   Hoofdstukken
Onze Facebook pagina