‘Heb je nog een paar sneden brood voor de pastoor, vrouw? ‘vroeg hij terwijl hij de deur naar de kelder opende. ’Ik vermoed dat onze geestelijke ook wel een paar happen wil eten voor hij ons zijn verhaal gaat vertellen.’
Berent wachtte even tot Kee voor hem een schotel met brood, een kan melk en een olielamp in een lage hengselmand had gezet en opende de kastdeur door de wervel helemaal naar beneden te draaien zodat het trapgat zichtbaar werd. Hij plaatste het laddertje weer in het gat en nam de mand aan van Kee en liep de trap af. In het vage licht zag hij in de verst hoek de pastoor zitten. Berent plaatste de lamp op de oude tafel en draaide hem wat hoger. De schotel met brood en de kan met melk plaatste hij naast de lamp en zette de pot waar de pastoor gebruik had gemaakt in de mand en liep enkele treden de ladder op en schoof de mand over de vloer in de richting van de vrouw.
‘Zou je dit leeg willen gooien in het gemak, de reuk is verschrikkelijk,’ zei Berent en liet zich weer de kelder inzakken.
‘Sluit de deur vrouw,’ riep hij naar boven, ‘en open hem niet voordat ik dat zeg. Draai de deur goed op slot en stamp flink op de grond als er volk achterom komt. Misschien is het nodig de pastoor buiten kennis te slaan als hij door hard gekerm en gegil zijn aanwezigheid zou kunnen verraden. Laat Teun buiten goed waakzaam blijven en controleer door het venster of hij niet gaat staan kletsen met eventuele boeren die langs rijden. Berent draaide zich om en keek de pastoor aan. Hij zat met zijn ogen te knipperen tegen het licht. Zijn haren staken alle kanten op, zijn mooie hoofddeksel was hij in de pastorie al verloren. Zijn pij was in een erbarmelijke toestand. Berent was dit vanmorgen niet zo opgevallen bij het kaarslicht en het flauwe licht dat toen nog door het raampje naar binnen viel.
‘Zo eerwaarde, je zult wel ongeduldig zitten wachten op mijn komst,’ zei Berent tot de pastoor die zat te bibberen op zijn stoel. ’Heb je het nu koud of ben je bang? Ik heb je nog niet aangeraakt en het lijkt erop of je wilt gaan vertellen hoe de vork in de steel steekt in het geval met die boer aan de Hogendijk.’
Vriendelijk keek Berent de pastoor aan en knikte hem bemoedigend toe, ‘wel heer pastoor, steek maar van wal ik zal je niet in de reden vallen als je mij braaf verteld hoe die Spanjaard heet die de boer vermoorde, waarom de marskramer te paard naar Wingerden is gereden en waar hij nu is gebleven. O ja, nog een vraag, wie is die Spanjaard die gisteravond bij je was?’
De pastoor keek Berent aan en hield zijn lippen op elkaar geklemd. Ondanks het bibberen leek het er op dat hij niets wilde zeggen. Zou het bibberen dan toch van de kou komen dacht Berent. Het had de afgelopen nacht gevroren en hij had zelf onder wat paardendekens geen kou gehad maar de pastoor had op de grond moeten slapen met niets anders dan zijn pij om zich toe te dekken.
‘Ik weet wel een manier om je te laten vertellen wat ik wil weten. Ik heb een aantal jaren geleden een verhaal gehoord over een heks in Giessendam die een ieder kan laten antwoorden op vragen die zij stelt. Ze hoeft de persoon in kwestie maar even van een drankje te laten drinken en hij beantwoord alle vragen. Het nadeel is wel de barstende koppijn die je dan krijgt maar het is altijd milder dan je te laten praten door je te kietelen met een hete haardpook of wat heet water. Je mag nu nog kiezen. Wil je er over nadenken, ook dat kan. Ik tel tot honderd dan laat ik mijn vrouw hierboven de pook in het haardvuur leggen.’
Berent sloeg de knieën over elkaar en leunde achterover tegen de leuning. Het leek erop dat hij alle tijd had en zich geen zorgen maakte maar een goede manier overwoog om de pastoor bang te maken. Hij hoefde nog niet tot tien te tellen toen de pastoor onverwachts al begon te praten.
‘Ik heb niets met die moord te maken. Ik werd ’s avonds pas door de schout van het gebeuren op de hoogte gebracht toen de moordenaar al gevlucht was. Hoe moet ik dan weten wie de moordenaar was? Ik weet niet beter dan dat de marskamer die moord heeft gepleegd.’
‘Janna,’ riep Berent naar boven, ‘leg de pook maar in de haard en schep er wat kolen bij voor in het komfoor anders koelt de pook te snel af’
Kee bonsde met haar stok op de vloer ten teken dat ze het begrepen had.
De pastoor kromp in elkaar en het zweet droop opeens van zijn voorhoofd.
‘Ik zal je een klein beetje op weg helpen. Juan la Vrestra,’ zei Berent en keek de pastoor recht in zijn ogen. Deze wreef met de mouw van zijn pij het zweet uit zijn ogen. Hij leek volledig in elkaar gestort te zijn. Bevend en met knikkende knieën keek hij Berent wanhopig aan.
‘Ik zal je alles vertellen,‘ zei de man, en trachtte zich te beschermen toen hij vroeg, ‘wil je beloven dat je die Juan nooit vertelt wat ik je zal opbiechten?’
Berent schoot in de lach, ‘dit is een goeie, de pastoor te biecht bij mij in huis. Goed ik beloof je plechtig dat ik die Juan niets van je biecht zal vertellen. Het biechtgeheim is bij mij wel veilig.’
Nogmaals veegde de doodsbange man het zweet uit zijn ogen. Berent hield hem de kan met melk voor waarvan hij nog niets genomen had en zei met een vriendelijke klank in zijn stem, ‘neem eerst eens wat te drinken, eet een paar happen brood, kom tot je zelf en vertel mij dan eens vanaf het begin waarbij je betrokken bent geraakt. Ik denk het al wel te weten maar wil het uit jouw mond horen. De pastoor zuchtte een paar maal diep en dronk enkele slokken van de melk. Het brood liet hij liggen, honger scheen hij niet te hebben.
‘Ik kreeg op zekere avond de schout aan de deur die mij vertelde dat mijn parochiaan Wouter in ’t Romeijn vermoord was gevonden door zijn zoon. Die zoon was al enkele weken daarvoor het huis uit gegaan omdat hij dikwijls ruzie zou hebben met zijn vader. Die twee konden niet samen op een hofstee wonen. De zoon had jaren bij de zuster van de boer gewoond en had daar een heel ander leven geleid dan zijn vader. Nadat de zoon jaren geleden was terug gekomen was het jaren goed gegaan totdat de zoon blijk gaf dat hij het niet eens was met het ware geloof. Zijn vader probeerde met alle mogelijke middelen hem terug te brengen naar het enig ware geloof dat hier in de waard nog beleden wordt. De ketters die hier steeds meer voet aan de grond krijgen moeten te vuur en te zwaard worden bestreden. Dit is een heilige taak voor mij als geestelijk leider van de parochie.’
Berent hief zijn hand op om de pastoor te stoppen. ’Laten we niet in discussie geraken over welk geloof er beleden moet worden volgens jou of wie dan ook. Voor mij doet het er geen zier toe van wie je hulp verwacht, ik verwacht nu enkel en alleen antwoorden op de vragen die ik je heb gesteld. Preken doe je later maar als je mij alles hebt verteld. Ik beloof je dat je dan binnen twaalf uur weer op je preekstoel kan staan. Zo niet dan gaat de rooie haan erin en is de parochie zonder leider.’
Zo snel als de pastoor herstelde tijdens zijn verhaal zo snel ook schrompelde de man weer ineen.
‘De volgende dag hoorde ik van de schout dat er een marskramer was gevangen genomen bij een boer in Wingerden. Diezelfde middag kwam er die Spanjaard aan mijn deur die door de huishoudster binnen werd gelaten. Hij had haar gezegd dat hij mij moest spreken en had haar verder naar binnen geduwd. Hij stapte mijn kamer binnen en vertelde mij dat hij een boer per ongeluk de keel had doorgesneden. Natuurlijk vond ik dat onbegrijpelijk en vroeg hem daarom hoe het in Godsnaam mogelijk is dat je per ongeluk iemand vermoord. Hij zei dat hij met een speciale opdracht naar Giessendam was gekomen. Er was een afspraak gemaakt tussen, vermoedelijk, een boerenzoon en Hendrik van Brederode, die ketterbeschermer uit Vianen. Ik had natuurlijk wel eens gehoord van de heer van Vianen en begrepen dat hij leider is van de ketters in Holland maar ook uit de omringende graafschappen. De Spanjaard heeft mij verder verteld dat er iemand een gesprek van hen had afgeluisterd in een herberg nabij het Pinkeveer. Het gesprek ging over een uiterst geheim plan dat gemaakt was door hoge katholieke geestelijken in Brussel. Er zouden vanuit Brussel groepen trouwe katholieken worden uitgezonden naar de Nederlanden met als opdracht zoveel mogelijk onrust te zaaien onder de ketterse bevolking van de Lage Landen. Die zouden dan in opstand komen tegen de edelen van Holland en Gelre. Dit geheime plan vertelde mij de Spanjaard, hij wist dit slechts een paar maanden, dit plan was door de rechterhand van Kardinaal Granvelle, Don Franca zelf aan hem voorgelegd. Hij, Juan la Vrestra was aangesteld als leider van de groep in de omgeving van Gorkum. Ook de Waard behoorde tot zijn werkterrein en hij was uiterst verrast door de mededeling dat de heer van Vianen een tegenplan had besproken in een herberg in het hart van de Waard.’
Hier stopte de pastoor even voor een paar slokken melk, Nu pas scheen hij de smaak van de melk te proeven en zei: ‘Heb je geen gewone koeienmelk? Als geestelijke ben ik niet gewend om melk van een geit te drinken.’
‘Ik denk niet dat je nu in de gelegenheid bent om eisen te stellen aan het eten en drinken dat je wordt voorgezet. Als het aan mij had gelegen kreeg je eerst in geen dagen eten en drinken voor je zou worden verhoord. Je hebt het aan mijn vrouw te danken, zij bezit nog wat menselijk gevoel iets ik wat jaren geleden ben kwijt geraakt. Maar kom heer pastoor, vertel verder, ik heb nog niets vernomen dat ik niet wist.’
Weer slaakte de man een zucht voor hij verder vertelde. ’Deze Juan vertelde mij, je hebt het juist, hij was het die de volgende dag naar Giessendam kwam, hij kwam op de dijk nabij de boerenhofstee die marskramer tegen. Juan die voordien ook wel eens bij mij in de pastorie kwam om informatie te verkrijgen over ketters, sprak de marskramer aan die op weg was naar de pastorie. Daar gaf de kramer altijd brieven af voor mensen in de omgeving van onze parochie Maar omdat deze Juan een zeer belangrijke brief verwachte vroeg hij de marskramer of hij deze bij zich had. De marskramer wilde de brief niet zomaar aan de Spanjaard geven, doodsbang dat hij ontdekt zou worden als koerier voor Spanjaarden. Al jaren was deze lijn van Brussel naar Holland niet ontdekt, maar zou in een onbezonnen ogenblik ontdekt kunnen worden door voorbijgangers als hij Juan hier op de dijk de brief zou overhandigen.
Hierop reageerde Juan direct, hij stapte met de kramer een tuin in zodat hij voor voorbijgangers verborgen was. Omdat hij juist voor de boerderij stond waar hij naar op weg was verwisselde hij zijn mantel en hoed voor het kloffie van de marskramer. Juan sprak af waar hij de kramer die avond zou ontmoeten. Hij gaf een klap op de schoft van het paard nadat hij de marskramer in het zadel had geholpen. Hijzelf verdween ogenblikkelijk van de dijk naar de hofstee van boer Romeijn. Daar ging hij door de stal rechtstreeks naar de woning van de boer die hij wilde ondervragen. Hij trof de boer in de gang en tijdens een gevecht waarbij hij de boer het mes op de keel zette ging hij wat onbezonnen te werk.’
‘Ik kan mij niet indenken dat een Spanjaard die gewend is om met messen om te gaan, de boer dan per ongeluk de keel doorsnijdt’ zei Berent.
‘Ook ik geloof het verhaal niet helemaal,‘ sprak de pastoor, ’ik denk dat hij gedacht heeft de boerenzoon voor zich te zien in een donkere gang tussen de stal en de keuken. Maar die zoon heeft mij verteld dat hij de nacht voordat hij thuis kwam bij zijn oom is blijven slapen omdat hij zich had verstapt. Hij had wat last gekregen van zijn enkel en toen hij voorbij de stee van zijn oom liep heeft hij het zekere voor het onzekere genomen en heeft de enkel een nacht rust gegund. Dit bleek achteraf een goed besluit want de volgende dag was de pijn over en liep hij door naar Giessendam. Hoe de boer is vermoord doet ook niet ter zake volgens mij. Het gaat er mij om dat sinds de moord de mars van de marskramer kwijt is. Toen Juan de boer had vermoord wilde hij via de stal vluchten met medeneming van de mars. Hij had de brief aan hem al gevonden in de mars maar toen hij achter in de stal een stalluik opende vloog de hofhond van de boer de Spanjaard naar de keel.
Vervolg Hoofdstukken


