Onze Facebook pagina
De tussendeur naar de keuken had Anna van binnenuit afgesloten. Janus was er nu niet en Krelis zou wat later komen om het vee voor de laatste keer deze dag te voeren en had zijn dochter op het hart gedrukt de deur gesloten te houden. Berent klopte op de tussendeur en riep: ’Goed volk Anna, ik ben het Berent’
Na wat gestommel werd de deur geopend en keek Anna verbaasd om de hoek.
’Ik dacht dat jij op weg was naar Den Bosch? Wat doe je nu na een goed uur hier weer terug?’
‘Wijs mij eerst waar ik enkele pinkdikke touwen kan vinden dan beantwoord ik straks je vragen. Ik moet iemand vastbinden die ook niet mag gaan praten dus ook wat lappen om in zijn mond te proppen.’
Zonder vragen te stellen wees zij hem naar een kast in de gang waar Dries een rol met nieuw touw bewaarde en greep uit een mandje een paar doeken waarmee ze die morgen stof had afgenomen in de opkamer.
‘Ik heb de pastoor gevangen en ontvoerd. Waar zou ik die het beste kunnen opbergen. Ik wil hem niet hierheen brengen, mogelijk komen ze hier zoeken.’ zei Berent en voegde er aan toe, ‘ik heb hem buiten westen geslagen maar eens wordt hij weer wakker en voordien wil ik hem goed hebben opgeborgen.’
‘Breng hem hierover bij Kee, je weet wel die zogenaamde heks waarover Dries je vast heeft verteld. Zij is niet voor een kleintje vervaard al zou je dit niet zeggen van een lelijk, krom oudachtig vrouwtje,’ zei Anna. ’Als je de dijk oploopt is het tweede huisje links aan de overkant het huisje van Kee. Er staat een schuurtje tegen aangebouwd.’
‘Ik weet niet of ik terug kom, ik hou van daaruit de dijk in de gaten en verzin wel wat ik met de pastoor ga doen,’ zei Berent
Met deze woorden vertrok hij via de schuur weer naar de dijk. Voorzichtig keek hij om de hoek of er niemand naderde wat niet zo was en weer schoven er enkele wolken voor de maan.
’Het zit me wel mee,’ grinnikte Berent, ‘er is licht als ik dat nodig heb en er zijn wolken als ik duisternis wens.’
Hij vond het bootje nog zoals hij dat had achter gelaten. In de beschutting van de struik bond hij de beide handen van de pastoor goed vast en stopte enkele doeken in zijn mond.
’Nu maar hopen dat hij niet verkouden wordt, hij zal een poosje goed door de neus moeten blijven ademen anders krijgt hij een probleem.’
Met een tot een driehoek gevouwen doek zette Berent het geheel goed vast zodat de pastoor de doeken niet uit zijn mond kon wringen. Weer ging hij aan wal en liep naar de achterdeur van het huisje waar hij aanklopte.
‘Hallo Kee, het is goed volk. Ik ben gestuurd door Dries en Anna.’
De deur ging open en een flakkerende kaars verlichtte zijn gezicht.
’Als je gestuurd bent door Dries kan je verder komen heerschap,’ sprak het vrouwtje en ging hem voor het donkere onderhuis in. ‘Sluit wel goed de deur want je weet niet wat voor gespuis er op de weg loopt in de avonduren,’ zei Kee en schoof een stoel bij voor Berent.
‘Vertel eerst wat je hier brengt en wie je bent. Als je een vriend bent van Dries en Anna moet je een goede kerel zijn.’
Berent vertelde haar zijn lotgevallen van die avond, ‘en nu ligt die pastoor nog in de boot achter in de tuin,’ besloot hij zijn verhaal.
‘Ga hem snel ophalen, ik heb hier een verborgen kelder, het is een mooi plaatsje voor hem waar geen mens hem zal vinden. Ik denk trouwens niet dat hier iemand komt om naar de pastoor te komen zoeken. Er zou eerder gezocht worden op de stee van Dries dan bij Kee de heks.’ spotte zij.
Kee maakte een deur open waarachter zich een diepe kast bevond. Er stonden wat stenen kommen in maar ook een kleine en een wat grotere stenen vijzel. Ook lagen op de planken diverse soorten kruiden te drogen.
’Gezien, ‘vroeg Kee en deed de deur weer dicht. Nogmaals opende ze de deur en plots gaapte er achter de deur er een groot gat in de vloer waar ook een ladder zichtbaar was. Nogmaals vroeg ze, ‘gezien’ en deed de kast weer dicht. Ze grinnikte over het verbaasde gezicht dat Berent trok.
‘Dit is zeker een plek waar je niet zou zoeken. Waarom is deze schuilplaats gemaakt Kee?’ vroeg Berent.
‘Ik vermoed dat mijn grootvader, die dit huis heeft gebouwd, de kelder later heeft gemaakt om een koele plaats te maken voor opslag van kruiden en winter voorraad. Mijn moeder heeft mij de geheimen van geneeskrachtige kruiden geleerd. Het is jammer dat ik mijn grootvader nooit gekend heb en dat mijn moeder mij nooit verteld heeft waarom de kelder is gebouwd. Nu wordt hij bijna niet meer gebruikt,’ vertelde Kee.
Een kwartiertje later sleepte Berent zonder al te veel schaamte de pastoor het onderhuis in.
‘Wat duurde dat lang voor je terug kwam. Ik was al bang dat je iets was overkomen,’ zei Kee toen Berent de deur achter zich sloot door de sleutel om te draaien.
‘Ik heb eerst nog de boot laten zinken. Ik heb wat keien en stenen die aan de oever lagen in de boot gegooid nadat ik de pastoor op de kant had getrokken en toen de boot vol water laten lopen. Hij is helemaal onder water verdwenen. De ijsschotsen verbergen de boot zodat ze na een nachtje vorst niet meer te vinden is. Ik ben bang dat men morgen bij daglicht misschien ook wel via het water gaan zoeken. Als iemand de boot mist en de schout er van in kennis stelt sluit ik een zoektocht via het water niet uit’
Bewonderend keek Kee naar de jonge man die zo plotseling in haar huisje was verschenen en er zoveel commotie maakte. Een half uurtje geleden zat ze nog met een vijzel wat kruiden te verpulveren en nu lag er de gevreesde pastoor van Giessendam gekneveld op de vloer van haar kamertje.
‘Wat wil je nu met hem aanvangen?’ vroeg Kee aan Berent, ‘wil je inlichtingen van hem hebben, of misschien wel uit hem persen, want ik heb begrepen van Dries dat er nog al wat vragen zijn over de Spaanse heer en de marskramer die hier voor mijn huis op de dijk van persoon leken te veranderen. Deze sinjeur ging de dijk af naar de hofstee en de marskramer reed op het paard van de Spanjaard door in de richting van Slydrecht.’
‘Ik weet het allemaal nog niet Kee, het is voor mij allemaal niet duidelijk hoe en waarom dit alles zich heeft afgespeeld. Ik wil er eerst nogmaals rustig over nadenken voordat ik overhaaste beslissingen neem,‘ zei Berent. ’Maar zorg er in ieder geval voor dat de pastoor je gezicht niet ziet. Heb je geen oude hoofddoek die je geheel om je hoofd kan wikkelen als je soms naar de kelder moet gaan. Hij kent mij niet maar we moeten hem eens laten lopen, ik wil het risico niet nemen dat hij jou herkent.’
‘Laten we dan die kerel goed vastbinden, zorgen dat hij niet kan geen schreeuwen en gaan slapen,’ zei Kee en wees de deur naar de kelder en vertelde hem dat daar nog enkele oude strozakken moesten liggen die hij kon gebruiken.
Berent controleerde de touwen waarmee de pastoor was vast gebonden en haalde de doeken uit zijn mond. Hij wilde geen moordenaar worden en zou bij de eerste kreet of schreeuw van de pastoor wakker worden om te voorkomen dat hij de hele buurt wakker zou maken.
‘Toch vind ik dit maar een gewaagde onderneming,’ zei Kee terwijl ze een kom pap voor Berent neerzette. ’Hier, eet op voordat je naar de kelder gaat, houd die vent goed in de gaten vannacht en zorg dat hij niet de benen neemt want dan zullen de rapen gaar zijn.’
Op dat moment bewoog de pastoor. Hij opende zijn ogen en keek verdwaasd om zich heen. Hij scheen zich af te vragen wat er was gebeurd. Vlug verdween Kee naar de kamer boven voordat de pastoor zijn positieven helemaal bij elkaar had en haar zou herkennen. Berent gebruikte dit moment ook om de pastoor via de ladder naar beneden te brengen wat hij gewillig deed.

Vervolg                                        Hoofdstukken