Voorzichtig sloop Berent in de richting van het licht, dat, als verwacht, door een kier van het luik scheen. Als een poes die op het punt staat een muis te vangen zo voorzichtig zette Berent zijn voeten neer. Bijna stootte hij tegen enkele lege manden die aan de rand van het pad naar de achterdeur waren neergezet. Er was een balkon boven de achterdeur en het raam. Berent naderde de achterzijde van het huis en probeerde bij de kier van het luik te komen zonder dat hij zijn voeten tegen iets zou stoten. Nogmaals bleef hij een ogenblik stil staan luisteren. Luid hoorde hij zijn hart bonzen en hij probeerde zijn gejaagde ademhaling onder controle te brengen. Hij merkte dat hij de dolk nog in zijn vuist had.
Met zijn oor tegen het luik luisterde hij of hij geluiden kon opvangen van binnen. Vaag klonk er gemompel van een tweetal stemmen. Voorzichtig probeerde hij door de kier in het luik te kijken. Het was niet een opening tussen de twee luikhelften waardoor het licht scheen maar een kier tussen de planken waarvan het luik was gemaakt. Veel kon hij niet ontdekken, de smalle spleet en de dikte van de planken lieten niet toe dat hij de breedte van de ruimte kon overzien. Hij zag alleen een olielamp die op de tafel stond. Slechts als hij de spleet wat breder zou kunnen maken kon hij zien wie er in de kamer aanwezig waren. Hij drukte de punt van de dolk in de spleet en probeerde door het heft en lemmet een kwartslag te draaien de spleet te verbreden. Ondanks dat Berent veel kracht zette op het heft kreeg hij dit niet voor elkaar. Nogmaals en nu met beide handen het heft omvattend probeerde hij uit alle macht de dolk een kwartslag te draaien toen plotsklaps het luik met een hels kabaal loskwam van de muur. Berent dook direct achteruit en verstopte zich achter een ton die daar dienst deed om regenwater in op te vangen. Enkele tellen bleef het doodstil, toen vloog de deur open en stond de man, die vanmorgen de oude man in Slydrecht had beschreven als een Spaanse heer, met de olielamp in zijn handen in de tuin. Achter hem verscheen het verschrikte gezicht van de pastoor en een soldaat. Dit was vermoedelijk de hopman die met de Spanjaard mee naar de pastoor was gegaan. Nog dieper probeerde Berent zich in de schaduw te verstoppen maar het had geen zin. Nog een ogenblik en ze zouden hem vinden. Hij bedacht dat de aanval zou voor hem in dit geval de beste verdediging zou zijn. Hij aarzelde dan ook geen moment en sprong op vanuit zijn schuilplaats en stootte in een beweging de lamp uit de handen van de man maar ook met zijn dolk voorruit in de richting van de hopman. Door het onverwachte van zijn daad en door de plotselinge duisternis raakten de Spanjaarden in verwarring. De dolk die Berent in zijn rechterhand had schampte af op de borstplaat die de soldaat droeg ter bescherming. Nog meer onverwachts voor de mannen in het huis was het, dat Berent niet achteruit sprong de tuin in maar voorruit de ruimte in onder het huis. In een flits herinnerde hij dat toen hij door de spleet keek niet alleen de tafel met de lamp maar ook daarachter een deur had gezien. Gefixeerd op die plaats in de achterwand waar hij de klink van de deur vermoedde tastte hij voor zich uit tot hij tegen de deur stootte en die openrukte. Gelukkig brandde in de gang waarin de deur uitkwam een paar kaarsen zodat hij in de hoek een trap naar boven zag. Hij struikelde de trap op en hoorde de soldaat vloeken. Mogelijk had hij niet alleen zijn harnas geraakt maar hem ook verwondt met de punt van zijn dolk. De pastoor die een onverwachte lenigheid bleek te hebben volgde Berent de trap op en greep deze bij zijn linkervoet voor hij de deur boven aan de trap kon opentrekken. En de pastoor liet niet los maar probeerde ook het andere been van Berent te pakken. Berent liet zich tegen de deur vallen die openschoot en hij trapte hard achteruit met zijn rechtervoet. Dit hielp, de pastoor liet los en tuimelde enkele treden naar beneden. Berent schoot de deur door, de kamer in waar de huishoudster, verstijft van schrik door het vreselijke kabaal, aan de tafel zat met een handwerkje. Berent verschool zich achter de openstaande deur en wachtte de pastoor op. Toen die ook de kamer in kwam zette Berent de punt van zijn dolk in zijn nek.
’Rustig houden of ik druk door,’ beet hij hem toe. Als bevroren bleef de geestelijke staan. Op dat moment dook achter de pastoor de Spaanse sinjeur op die bijna de bovenste treden van de trap had bereikt. Zonder de pastoor los te laten trapte hij in de richting van de Spanjaard die de schop probeerde te ontwijken maar daardoor zijn evenwicht verloor en met veel geraas de trap afviel. Berent zag dat aan de buitenkant van de deur een sleutel in het slot stak sloot de deur en draaide de sleutel om. Dit alles had bij elkaar nog geen twintig tellen geduurd. Beneden bleef het nog even stil voordat er zware stappen de trap op kwamen en men probeerde de deur te openen.
‘Zeg hen zich rustig te houden anders snij ik je de keel door voor ze de deur hebben geforceerd,’ fluisterde hij in het oor van de pastoor die hij met zijn arm om zijn hals in bedwang hielt. Even prikte hij met zijn dolk wat dieper door in de hals van de pastoor.
Gewillig en nu zo mak als een lam voldeed de pastoor aan het bevel en zachtjes sloop Berent met de pastoor naar de deur die vermoedelijk via de gang naar de buitendeur leidde. Hij wenkte de bibberende vrouw hen te volgen en gedrieën verdwenen ze de gang in. Hier trok Berent de pij bij de pastoor over het hoofd zodat hij niets meer kon zien en het lopen bemoeilijkte.
‘Naar boven en laat je niet horen.’ zei hij tegen de vrouw. In de gang was weer een trap die naar boven leidden. De vrouw verdween en voorzichtig opende hij de deur naar buiten. Gelukkig waren er wat wolken voor de maan geschoven en gebruikmakend van de duisternis verdween Berent met de pastoor in een schuin daar tegenover liggende steeg. Deze steeg kwam uit aan de rivierzijde van de dam in de Giessen. Gelukkig vond Berent hier een kleine roeiboot waar de spanen nog in lagen.
‘Probeer geen geintjes uit te halen, je stapt nu de boot,’ zei hij tegen de pastoor die hij los liet, de pij weer van zijn hoofd trok en hem tegelijk vooruit de boot in stootte. ’Ik houd je in de gaten.’
Berent sprong hem achterna en op dat moment liet hij de achterkant van het zware heft van zijn dolk hard neerkomen op het hoofd van de pastoor. Die tuimelde hierdoor voorover op de bodem van de boot die hevig schommelde bij deze onverwachte beweging en Berent moest uitkijken dat hij niet overboord zou vallen. Ook Berent liet zich in de boot vallen, half over de pastoor heen die zwaar ademhaalde. De klap schuin achter het oor was hard aangekomen.
’Die is voorlopig onder zeil,’ dacht Berent en bleef liggen luisteren of hij aan de overzijde van de dam wat kon horen. Geen voetstap weerklonk nog op het hardstenen pad vanaf de pastorie naar de dijk. De val van de Spanjaard en het omdraaien van de sleutel had de mannen toch langer tegen gehouden dan hij had verwacht. Zonder gerucht te maken legde Berent de roeispanen in de dollen en maakte de boot los door de touwen met een paar ferme halen door te snijden.
Met enige moeite vanwege het dunne laagje ijs in de rivier duwde de boot naar het midden van het riviertje waar het ijs die dag nog was gebroken en bleef weer even doodstil zitten luisteren. Op de achterdijk, naast de kapel, sloeg een hofhond aan en een paar tellen later ook nog een tweede hond
‘Ik denk dat ze proberen via de tuin naar de dijk te komen,’ mompelde Berent. De deur boven aan de trap is mogelijk sterker dan gedacht. Je kon ook moeilijk kracht zetten op de bovenste trede van een trap om dan met je schouder de deur te forceren.
Met ferme slagen roeide Berent de boot de Giessen op zich een weg zoekend door de ijsschotsen en na elke vier slagen luisterend of hij de mogelijke achtervolgers hoorde komen over de Hogendijk waarlangs hij nu voer.
Bij een splitsing aangekomen kon hij de roeispanen binnenboord halen omdat de sterke stroom het bootje tussen de schotsen voortdreef. De oostenwind stuwde het water aan de Hardinxsveldse zijde de gantel in. Dit zorgde ook dat er regelmatig vers water achter de huizen langs stroomde. Nu had hij hier voordeel van. Zo kon hij de pastoor goed in de gaten houden en tevens een oogje op de dijk.
‘Wat moet ik nu aanvangen,’ dacht Berent, de onverwachte wending had hem doen besluiten de pastoor het mes op de keel te zetten en hem mee te nemen op zijn vlucht uit de pastorie. Zijn plan was om te proberen er achter te komen wie de Spanjaarden waren die bij de pastoor naar binnen waren gegaan en misschien kon hij duidelijkheid krijgen waar de marskramer was gebleven.
Plots hoorde Berent een hond aanslaan op de Hogendijk. Mogelijk waren de Spanjaarden in de herberg gewaarschuwd en werd er een klopjacht georganiseerd. Het geluid van de honden, nog een hond was gaan blaffen, leek te komen van het begin van de Hogendijk, daar waar de herberg was.
Berent stuurde met een roeispaan de boot onder wat overhangende struiken. Hij luisterde nog even naar de ademhaling van de pastoor. Deze scheen in diepe slaap, door het geluid van een regelmatige ademhaling leek het er op dat de pastoor nog wel even buiten kennis zou blijven. Berent klom de wal op en sloop gebukt langs een rij kale aalbessenstruiken. Tussen twee huizen door gleed hij als een paling over het koude, bevroren gras en gluurde over de dijk. Tot zijn verrassing was hij bijna tegenover de stee van Dries aan wal gekomen. Even wachtte hij tot een wolk zich voor de volle maan schoof voor hij de dijk overstak en via de staldeur naar binnen glipte.

Volgende hoofdstuk                            Hoofdstukken

Onze Facebook pagina