Onze Facebook pagina
Berent had ondertussen ook niet stil gezeten. Nadat Berent Janus en Riens had geïnformeerd over zijn lotgevallen en over de verblijfplaats van Dries vertrokken de beide jongens richting Gorkum. Berent had ze aangeraden te paard te gaan om zodoende te proberen voor sluitingstijd binnen de poort te zijn. Mogelijk dat ze Dries die zelfde dag konden vertellen dat hij ook naar het oosten wilde vertrekken. Hij had de groep soldaten ingehaald ter hoogte van de scheiding tussen Slydrecht en Giessendam. Wat weggedoken in de kraag van zijn mantel was hij ze voorbij gereden en een kwartiertje later waren ze over de Hogendijk getrokken. Als een boerenknecht met een spade op zijn schouder was hij de groep gevolgd tot het moment dat ze halt hielden en de soldaten in herberg “De Zwaan” verdwenen. De hopman en de heer waren doorgelopen en hadden op de dijk aangeklopt bij de pastoor. Die liet hun direct binnen nadat hij even schichtig links en rechts over de weg keek. Hij had geen aandacht geschonken aan de boerenknecht, die een plakkaat scheen te bekijken dat aan de deur van de kapel aangeplakt was.
Uit niets kon hij opmaken dat de groep weer snel zou vertrekken. Ook Berent stapte de herberg binnen en bestelde een kroes bier en wat te eten. Dit was er tot nu toe bij ingeschoten. Anna had wel aangeboden om snel wat klaar te maken maar omdat de soldaten op dat moment voorbij kwamen had hij dit aanbod afgeslagen. Nu kon hij wat eten en tegelijk kijken of hij wat meer kon ontdekken van de plannen van de groep.
Dat hij hier niet de marskramer aantrof verbaasde hem niet. Uit wat hij had begrepen van de oude man in herberg “Den Engel” was er geen gevangene uit het bootje gestapt maar een belangrijke heer omringt door soldaten zo als hij dat noemde. Berent had eerst aangenomen dat dit het gevangenentransport was geweest omdat, ten eerste, hij gehoord had dat de marskramer vandaag zou worden vervoerd naar Den Bosch en ten tweede omdat hij om de tijd dat dit transport zou plaats vinden en hij vanuit Papendrecht een boot uit de haven van Dordrecht had zien vertrekken met daarin Spaanse soldaten. Die had hij gemakkelijk kunnen herkennen aan hun glimmende helmen en lansen die ze bij zich droegen. Hij was te snel geweest in zijn conclusie dat dit transport het overbrengen van de marskramer was.
‘Ik ben blij dat we hier overnachten,’ hoorde hij een van de soldaten tegen een kameraad zeggen. ’Er staat een koude oostenwind en ik zie de wind vooralsnog niet draaien. En als die wind niet draait zal het nog kouder worden en is er bijna niet te varen in dit koude kikkerland.’
Zijn kameraden foeterden over de kou en tegenslag die ze sinds het uitvaren deze morgen hadden ondervonden.
‘Ik begrijp niet waarom de hopman zulk een oud schip heeft kunnen vorderen om deze vent af te leveren in Den Bosch,’ zei een van de mannen terwijl hij zijn handen uitstrekte naar het haardvuur.
‘Ik begrijp niet waar je jij druk over maakt,’ bromde een oude soldaat die uit een klein, door de rook verweert, pijpje rookte.
’Wat ik niet begrijp is dat we een gevangen kerel aan boord krijgen en nadat we stukken kregen aan het zeil we aan land kwamen met een gevangene die veranderd was in een heer.’
‘Ach Pedro,’ zei de eerst soldaat, ‘daar moet je niet over nadenken. Dit is niet de eerste keer dat we zulke verwisselingen meemaken. Ik ben blij dat we nu binnen zitten en morgen niet voor noentijd weer vertrekken.’
Na nog een poosje te hebben geluisterd naar de gesprekken van de soldaten had Berent zich een beeld gevormd van wat er die dag was gebeurd in het verplaatsen van de man die hij voor de marskramer had gehouden.
Berent schoof de schotel van zich vandaan ten teken dat hij voldoende had gegeten. Het donkere roggebrood dat ze hier in de Waard bakten had hem best gesmaakt. De waard schonk hem nog een kroes bier in en vroeg Berent langs zijn neus weg waar de reis naar toe ging. De dagen werden al korter en er was slecht volk aan de weg. Hij probeerde of hij Berent niet kon verleiden die nacht in de herberg door te brengen.
‘Nee waard, ik heb geen tijd om al vroeg de dag te beëindigen, mijn reis is de Binnenwaard in en ik heb begrepen dat er daar niet veel gevaar te duchten is.’
Berent betaalde zijn verteer en ging naar buiten. Hij had in de herberg genoeg vernomen om in actie te komen.

Het was die avond erg helder en de maan stond al hoog aan de hemel toen Berent opnieuw de hoeve aan de Hogendijk verliet. Hij had Anna om schrijfgerei gevraagd dat gelukkig in de opkamer aanwezig was. Het schrijfgerei stond voor sier op een bijzettafeltje in de mooie kamer.
‘Dries schrijft nog wel eens een brief,’ had zij tegen Berent gezegd toen hij zijn verwondering uitsprak dat de inkt niet was ingedroogd.
Hij had de laatste inlichtingen die hij had ingewonnen in “De Zwaan” in een brief geschreven maar ook zijn plannen bekend gemaakt die hij die avond nog wilde uitvoeren.
De brief had hij aan Anna gegeven en gevraagd deze goed op te bergen en hem te overhandigen aan Dries als deze weer terug zou zijn.
Nu was hij op weg naar de pastoor. Dicht langs de huizen, zo veel als mogelijk gebruikmakend van de schaduw probeerde hij ongezien het huis van de pastoor te vinden. Hij had voor de zekerheid nog aan Anna gevraagd of het huis links van de kapel het huis was van de pastoor. Hij dacht het vanmiddag al te zien. Een glimmend gepoetste koperen lantaren hing aan de voorzijde van het huis. Een lantaren en nog wel een van koper zie je niet aan een huis van een burger. Voorzichtig keek hij om de hoek van het laatste huis op de Hogendijk, vol scheen de maan de over de weg. Hij zag geen kans om zo ongezien het huis te naderen. Hij herinnerde zich de nieuwsgierigheid waarover Anna had gesproken toen zij vertelde dat de vader van een van de meiden, het nachtelijk bezoek had opgemerkt van de vermeende marskramer aan de pastoor.
Achteloos, alsof hij als knecht op weg was naar huis stak hij in het licht van de maan de weg over en verdween in de schaduw van de herberg. Achter de herberg was een smalle steeg die uitkwam op de loswal langs de Giessen. Hier werden goederen over de dijk naar de andere zijde van de dam gebracht. Tussen vaten en kisten door die er gereed stonden om verder de Waard in te worden vervoerd zocht hij zijn weg tot hij voor de afscheiding stond die de loswal scheidde van de tuin van de weem, de woning van de pastoor.
De afscheiding bestond uit meerdere op een rij in de grond gestoken geschilde wilgenstokken waar doorheen braamstruiken groeiden, een ongewone afscheiding voor een tuin van een geestelijke vond Berent. Het lijkt er op dat de pastoor bang is dat er ook maar iemand in zijn tuin komt. Berent gooide een afgebroken tak over de omheining heen om te controleren of er geen hofhond in de tuin liep.
Gelukkig sloeg er geen hond aan en Berend pakte zijn dolk uit de houder in de schacht van zijn laars en probeerde om takken van de braam weg te snijden. Verschillende keren prikten scherpe stekels door zijn kleren heen en hij wist een paar keer een kreet van pijn nauwelijks te onderdrukken. Na een tijdje flink snijden en de takken in korte stukken te snijden en te breken die hij zijdelings tussen de struiken stopte kwam hij uit bij de wilgenstaken. Gelukkig stonden deze niet al te vast in de grond en kon hij er een drietal uit de grond wrikken en door de braamstruik heen omhoog schuiven. Plat op zijn buik wrong hij zich door dit gat heen en taste naar de bramentakken aan de andere zijde. Ook hier sneed hij de takken voor zich in stukken. Na zich nog een aantal keren flink te hebben geprikt bleef Berent gehurkt zitten in de schaduw die de kapel in de tuin wierp. Even bleef hij zo zitten om de situatie in zich op te nemen. Vooraan in de diepe tuin zag hij het onderhuis van de pastorie waar flauw schijnsel zichtbaar was. Dit licht was onmogelijk te zien vanaf de weg die langs de kapel naar beneden liep. De tuin was ook aan de andere zijde en aan de achterzijde voorzien van een zelfde soort afscheiding.

Vervolg                                         Hoofdstukken