Ze vertelde daarbij dat de marskramer geen muts of hoed had opgehad en blootshoofds door de regen liep. De man liep vastgebonden met een touw achter het paard van de schout aan en enkele soldaten die achter aan de groep liepen vermaanden hem regelmatig aan om door te lopen. Zij kon op de vraag van haar vader niet beamen dat hij een witte haarlok had maar dat hij er had uitgezien als een Hollandse zwerver met oude en versleten kleding aan.
De vader en dochter kregen bijna nog ruzie over het uiterlijk van de marskramer. De meid vertelde daarbij dat het er op leek of de kramer die was opgepakt een ander was dan de kerel die was gearresteerd. Omdat de meid dit vanmorgen, na het melken, tijdens het eten aan Anna had verteld dacht zij er over na  waarom de echte marskramer per paard was weggereden nadat hij zijn kleding had verwisseld zo als Dries haar had verteld en lopend was opgepakt in Wingerden. Daarom vroeg Anna de melkmeid wat zij nog meer van die marskramer had gezien.’
Hier onderbrak Dries het verhaal van Janus. Hij vroeg de waard om nog wat eten te brengen en enkele kroezen met bier.
De waard stommelde naar achteren en kwam na een ogenblik weerom met de vraag of koude ham goed was. Janus en zijn vriend vielen op de ham aan alsof ze waren uitgehongerd.
‘Janus,’ vroeg Dries, ‘je verteld mij dingen hier die ik zelfs je vader nog niet verteld heb. Waar haal je al deze waarheden vandaan en wie is je vriend die ik wel van gezicht ken maar niet helemaal kan plaatsen, maar naar ik begrijp, jij volkomen vertrouwd. Niet dat ik er iets op tegen hebt dat jij je vertrouwen in vrienden stelt, zeker niet, maar we leven in een gevaarlijke tijd waar zelfs de muren oren hebben. Zo als je vast hebt begrepen wacht ik met vertellen en vragen stellen totdat de waard weer vertrokken is.’
Janus keek Dries geschrokken aan. ’Heb ik je dat niet vertelt? Vader heeft, nadat Anna het gebeuren met de gevangene aan hem had verteld dit besproken met Berent. Beide hebben mij ingelicht over, ik vermoed, alles wat er was voorgevallen en Berent heeft het geregeld met mijn boer dat ik vanmiddag naar Gorkum kon gaan om zogenaamd een belangrijke boodschap te doen voor hem. Gelukkig vroeg mijn boer niet verder naar de boodschap en ben ik met mijn kameraad op pad gegaan. Berent wilde niet dat ik alleen vertrok en vroeg mij wie ik kon vertrouwen.’
Janus keek zijn vriend aan en klopte zijn vriend op de schouder. ’Dit is een kameraad waar op je kunt vertrouwen. We hebben al jaren geen geheimen voor elkaar en we weten van elkaar hoe we over verschillende dingen denken. We weten zelfs hoe we beiden over de meisjes denken,’ grapte Janus, ’we vinden er beiden niets aan. Ik hoefde er dan ook geen ogenblik over na te denken om Riens mee te vragen. Zijn vader, Arie de Jonge gaf direct toestemming dat we een paar dagen naar Gorkum gingen en waarschuwde ons alleen niet roekeloos te zijn bij hetgeen we wilden gaan doen.’
‘Verstandig van Arie,’ zei Dries die nu begreep wie de vriend van Janus was. ’Weet dat wat we hier doen en waarom we hier zijn niet bekend mag worden bij Jan en alleman.’
‘Maar vertel verder Janus, waarom kwam Berent zelf niet naar hier, waarom betrok hij jullie in het complot?’ vroeg Dries en nam een ferme teug van het bier.
‘Berent wilde achter die belangrijke vent aan om uit te vinden of hij nu dezelfde persoon is als degene die gevangen genomen is door de schout van Giessendam. Hij kon ook niet begrijpen waarom toch de marskramer van plaats moest wisselen met die Spanjaard. Ik moest je zeggen dat hij via de dijk naar Den Bosch gaat, dat jij hem niet hoeft te volgen maar moet proberen uit te zoeken waar de echte marskramer gebleven is in de tijd tussen de moord en zijn arrestatie.’
Janus vertelde Dries nogmaals wat hij van Berent gehoord had over het overbrengen van de gevangene van Dordrecht naar Den Bosch. Ook over de koopman die Berent had ontmoet in de herberg en wat deze verteld had van de marskramer. Later die morgen realiseerde Berent zich dat de koopman gezegd had dat de kramer uit Breda kwam en daar voor de schout wel zou oppassen. Al deze dingen bij elkaar geteld deed Berent besluiten achter de man aan te gaan. Hij was voor de zekerheid eerst nog langs de vader van de melkmeid gegaan en had gevraagd of de gevangene mogelijk uit Breda kwam. Dit had hij pertinent ontkend er was geen spoortje van Brabants dialect te horen geweest. Het was een Spanjaard die was opgebracht en ook ’s nachts had hij zelfs een gesmoorde vloek in het Spaans opgevangen toen de man struikelde over een losse steen in de steeg.
Dries schonk zijn kroes nog maar eens vol uit de kruik die de waard had achter gelaten. Hij had opdracht gegeven om ook voor de beide vrienden een slaapplaats in te ruimen.
‘Vertel me dan nu eens Janus waarom jullie hier de boel op stelten moesten zetten zo als de waard mij vertelde.’ vroeg Dries.
‘Dat is snel verteld, ‘zei Janus. ’We waren te laat, de poort was al gesloten toen we bij de muur aankwamen. Maar daar zaten we niet mee, je hoeft maar een klein eindje langs de muur te lopen en je vind als vanzelf een laag en ingestort gedeelte. Daar klommen we overheen maar met het van de muur afspringen vielen er wat stenen naar beneden en dat veroorzaakte zoveel lawaai dat er soldaten op af kwamen die juist uit een zijstraat kwamen lopen. We moesten hollen om uit hun handen te blijven en via wat smalle steegjes raakten we ze al snel kwijt. Ze kunnen met hun hellebaarden niet snel uit de weg in een smalle steeg. We verscholen ons een poosje in wat struikgewas naast de kerk en vroegen wat later aan de nachtwacht waar we deze herberg konden vinden. Berent had dit wel verteld maar door het geren in die stegen waren we de weg kwijt geraakt. We liepen met de nachtwaker mee in de richting van dit plein maar zagen al snel weer de soldaten aankomen. We moesten er weer snel vandoor en vonden gelukkig nog de deur los.’ zei Janus en knikte in de richting van de deur.
‘Ik denk dat we nu eerst maar naar onze bedsteden moeten gaan, eens alle gegevens moeten overdenken en er een nachtje over slapen en dan morgen beraad houden,‘ beëindigde Dries het gesprek en riep de waard voor een kandelaar voor ze de trap op gingen om van een goede nachtrust te gaan genieten.

Die volgende morgen was Dries vroeg op. Na een paar sneden roggebrood, flink belegd met oude kaas was hij de vroege morgen in gestapt terwijl het nog donker was.
Diep weggedoken in zijn jas, net als meer dan een maand geleden toen hij naar de Hogendijk ging, liep Dries door de koude morgen. Hij wandelde opnieuw door de waterpoort en langs het kasteel van ‘De Blauwe Toren’ naar de rivier. Een waterig zonnetje kwam boven de nevel uit die over de rivier hing. Je kon boven de nevel nog juist de toren van Woerkom zien. De laatste bladeren ritselden in het zachte briesje, die nacht waren ze bevroren en nu de temperatuur steeg dwarrelden ze naar beneden. Luid kwakend vlogen enkele eenden op vanuit het rietgors. Over het stuk grasland huppelden enkele hazen naar een schuilplaats, opgeschrikt door de komst van Dries.
Dries had afgelopen nacht onrustig geslapen. Meerdere keren was hij opgeschrikt door voetstappen die weerklonken in de steeg naast de herberg en moeilijk was hij weer in slaap geraakt.
Hij was blijven nadenken over de verwisseling van de Spanjaard en de kramer en het waarom dat deze in het midden van de nacht naar de pastoor was gebracht.

Volgende bladzij                         Hoofdstukken



Onze Facebook pagina