Naar de Hoogendijk
Diep voorover, met zijn handen de kraag van zijn jas dichthoudend, worstelde Dries Romeijn zich voort tegen de vroege herfststorm. Door de vele regenbuien van de laatste dagen was de weg haast onbegaanbaar. Meerdere keren was hij al gestruikeld en uitgegleden in een modderplas. Ook nu weer plensde de regen hard in zijn gezicht. Hij kon geen hand voor ogen zien, de maan liet het vanavond ook nog afweten. Soms liep hij ergens tegen een heg aan als hij maar even naast het karrenspoor probeerde zijn weg te vinden. Geen lichtje was er te zien. Een ieder had de luiken voor de ramen stevig gesloten.
Als hij recht voor een huis of boerderij liep zag hij soms een flauw schijnsel door het hartje in de luiken. Hierdoor kon hij zich nog een klein beetje oriënteren. Dries wist dat hij zojuist de boerderij van zijn oom Willem Romeijn voorbij gelopen was. Hij had de boerderij herkend aan de karakteristieke vorm van het achterhuis toen de maan even van achter de wolken tevoorschijn was gekomen. Links van hem moest de Giessen zijn, hij hoorde de golven tegen de walkant klotsen. Nog even doorlopen dan zou hij tussen de bebouwing wat luwte vinden. Hier tussen de boerderijen gierde de storm verraderlijk, hij blies hard tussen de opstallen door. Nog een kwartiertje stevig doorstappen en dan kwam hij in het dorp, daar stonden de huizen wat dichter bij elkaar.
Weer gleed Dries uit, hij belandde languit in een modderplas en met een verwensing krabbelde hij overeind. Nu had hij zijn pakje verloren, het was van tussen zijn kleding weggegleden. Op zijn knieën tastte hij de natte grond af, het pakje moest hij, kost wat kost, terug vinden. Gelukkig, na enkele minuten vond hij het terug, het was natgeregend maar gelukkig niet in een regenplas terechtgekomen. Waarom moest het ook nu net vanavond zo donker zijn, waarom moest hij nu juist vanavond nog zo laat op stap?
Dries had vier weken geleden ruzie gehad met zijn vader, het boterde niet tussen die twee. De oude Wout Romeijn was boer op een grote boerderij op de Hogendijk, een kwartier voorbij de Dam. Hij boerde daar alleen sinds zijn vrouw Alida, in het kraambed van Dries, was gestorven. De zuster van Wout, Jannigie had de kleine Dries na de begrafenis meegenomen, de buren hadden de eerste dagen op de kleine gepast maar Jannigie wilde het in de familie houden.
‘Waar er vier kinderen zijn kan er ook wel een vijfde bij,’ had ze gezegd en had de kleine Dries zonder verder commentaar meegenomen in het koetsje waarmee ze gekomen was. Wout was niet in staat geweest om er iets tegen in te brengen, hij was vol verdriet na de Mis en begrafenis naar huis gegaan waar de familie alle zaken al voor hem hadden geregeld. Hij had Jannigie haar gang laten gaan, ze deed toch altijd haar zin.
‘We nemen de kleine mee’, had ze gezegd, ‘een man alleen moet niet de zorg hebben over een zuigeling’.
Zo was ze vertrokken richting Schoonhoven waar ze met haar man een pijpenwerkplaats dreef met zeven knechten. Daar was Dries twaalf jaar opgevoed en tweemaal per jaar, in de week van Kerstmis en de week van Pinksteren zag Wouter zijn zoon. Ze waren elkaars tegenpolen geworden, Wout een harde werker, een boer met drie werkmeiden en twee knechten, en Dries die, in zijn vaders ogen, een nietsnut was die de gehele dag liep te lanterfanten.
Wout was van huis uit in hart en nieren katholiek hij sloeg geen Mis over op de Dam, ging trouw ter biecht en moest niets hebben van de nieuwe leer die de laatste jaren ook in de Alblasserwaard werd verkondigd. Jannigie, en daardoor ook Dries, gingen regelmatig in het diepste geheim naar de bijeenkomsten van de nieuwe richting. Nu de gevreesde haat van de katholieken tegen de nieuwe leer ook in de waard slachtoffers maakte, vreesde Wout voor het leven van zijn zoon.
‘Hou je toch verre van die protestanten, ‘had hij dikwijls tegen Dries gezegd, ‘het gaat mij niet om hun geloof maar om je leven.‘ Na jarenlange heftige ruzies had Dries vier weken geleden de boerderij verlaten, zijn vader achterlatend na een hevige ruzie.
Terwijl Dries de bebouwing van Giessendam naderde dacht hij na over de jaren die achter hem lagen. Tante Jannigie had hem al gewaarschuwd toen hij twaalf jaar geleden definitief naar de boerderij terug ging.
‘Je vader heeft heel andere gedachten over het geloof dan wij, wees voorzichtig met wat je zegt. Je bent pas twaalf jaar, nog jong, maar vergeet niet wat we je geleerd hebben.’
Deze raadgeving kreeg hij jaren geleden en hij was hem niet vergeten. Ieder week als hij op zondag in de kapel op den Dam de Mis bijwoonde moest hij aan haar woorden denken. Vader was katholiek, katholiek omdat hij niets anders had gehoord in de kapel. Dries moest altijd het waarom weten, hij probeerde meer te weten te komen van die monnik Luther die jaren geleden tegen de wantoestanden van de Kerk opkwam. Waarom waren er in de kapel zoveel gouden voorwerpen aanwezig, waarom had de pastoor zoveel meer macht? Van tante Jannigie had hij geleerd dat het de plicht van Christenen was om te delen. Als hij daar met vader over sprak dan werd hij kwaad en menigmaal had Dries te horen gekregen dat hij zich daar niet mee moest bemoeien, dat was een zaak van de kerk. Vier weken geleden was een van de vroegere knechten op Dries afgekomen en had zijn hart uitgestort.
‘Mijn vrouw is al drie maanden ziek. En zo als je weet ben ik door je vader van het erf gejaagd omdat ik een zodanige pijn in mijn rug heb dat ik niet kan werken en ook ‘s morgens niet de bedstee uit kan komen. We weten niet wat we nu moeten doen, we hebben acht kinderen, het geld is op en er is geen eten meer. We moeten de jongste kinderen de dijk opsturen om te bedelen. Ik heb uw vader gevraagd of hij ons wilde helpen maar ik kreeg als antwoord dat we om geld niet bij hem maar bij de kerk moesten wezen. Daar ben ik geweest maar ik kreeg als antwoord dat ik maar veel en langdurig moest bidden.‘
Dries had onder de bedstee de geldkist gepakt en de knecht enkele gouden geldstukken gegeven.
Dries stond plotseling weer midden in de herfststorm. Een losgerukte tak woei hem in zijn gezicht, losgeraakt van een appelboom die langs de Damstoep stond. Een kreet ontsnapte hem. Hij tastte naar zijn wang en voelde het bloed tussen zijn vingers lopen. Het afgebroken gedeelte, vol splinters, had een diepe kras achtergelaten in zijn wang. Met zijn muts er tegen aangedrukt om zo het bloeden te stelpen, zocht Dries zijn weg door het duister. Door moest hij, hij moest doen wat hij van plan was om deze avond te doen. Nu kwam hij op de Hogendijk, pal tegen de storm in, die zich hier in alle hevigheid liet gelden, worstelde Dries door naar de stee van zijn vader. Tien minuten later zag hij de boerderij liggen. Even scheen de maan tussen de wolken die langs de hemel voort jaagde.
Op de tast liep hij de treetjes naast de stoep af. Een luik klepperde luid achter een schuur. Even stond hij verwonderd stil, de hond sloeg niet aan, het anders zo waakse beest liet zich niet horen
Vervolg Hoofdstukken


