Uitgeleend

Terug naar het verleden, terugblikken daar waren we mee bezig, we hadden het over op karwei gaan. Op karwei gaan naar een andere plaats of bedrijf is in de meeste gevallen wel leuk, want je ontmoet er andere mensen en maakt met andere manieren van werken. Dit zijn dan ook de twee leukste dingen die je dan meemaak. Voor de rest ga je in de meeste gevallen ergens anders werken als je een karwei kan aannemen.
Zo ook was het geval bij een scheepswerf in de buurt. Deze bouwde snelboten voor de baggerindustrie, havendiensten en loodswezen. Discom maakte daar een prijs af voor het inbouwen van de motoren. Jaren lang zijn daar met een vaste regelmaat mensen van Discom aan het werk geweest. Niet alleen inbouwen van motoren voor deze snelboten maar ook reparatie klussen in de binnenvaart. Door van Mill werden we zelfs weer op karwei gestuurd. Wout en ik hebben maanden gewerkt bij Lanser op de Baanhoek. We moesten daar een zelfvarende ponton inbouwen voor de baggerindustrie. Voordat de motor in de machinekamer geplaatst kan worden moet er eerst een fundatie aangebracht worden. Dit gebeurt met behulp van een stalen lijn die vanaf het roer tot aan de voorste machinekamer schot gespannen wordt. Precies in de lijn van de schroefas. We waren bezig om de maat van de fundatie uit te zetten vanuit de stalen lijn toen ik een elektrische schok kreeg van die stalen lijn. ‘Dat is onmogelijk,’ zei Wout en hij pakte met beide handen de lijn vast. ‘Zie je nou wel, jij altijd met je stroom’. Inderdaad als er maar een klein beetje stroom ergens op stond dan voelde ik dat direct, ook als mijn handschoenen nat waren en ik een elektrode in de lastang moest doen kreeg ik stroom en Wout had er nooit last van. Wel een keer of drie kreeg ik die morgen een schok en Wout lag iedere keer krom van de lach. ‘Man wat ben jij overgevoelig voor stroom’. Tot op een zeker moment. Wout stond, voorovergebogen over de lijn heen, een maat te controleren met een voetjespasser en hij raakte met het puntje van zijn neus de lijn aan. Nou, hij heeft het geweten, met een kreet klapte hij achteruit, over de lijn heen, tegen het schot aan. De lijn schoot los achter aan het roer en kronkelde zich om hem heen. Ik wist niet wat er gebeurde, een klap, een kreet en Wout in een bos met stalen lijn. Er liep een rode streep over het puntje van zijn neus.
Wat was er nu gebeurd? We kwamen er achter toen we de lijn weer aan het roer wilden bevestigen Verschillende lassers hadden hun aardeklemmen vast gemaakt aan het roer. Doordat de roerkoning reeds gevuld was met vet ging de geleiding van de lasspanning voor een deel over de stalen lijn en daar maakte Wout zijn neus contact mee. Dit verklaarde tevens dat er momenten waren dat er geen spanning te voelen was, als ik ertegenaan kwam werd er gelast en voelde Wout er aan dan deed de lasser op dat moment een nieuwe elektrode in zijn lastang.
Het was een leuk bedrijf om te werken daar in Baanhoek. Het was wel een verouderde werf maar een gezellige club met mensen. Ik weet me nog te herinneren dat er een plaatje in de Top 40 stond dat ging over een heideroosje. Een van de lassers wist alleen maar de eerste twee regels van dat versje en die zong hij dan ook de gehele dag door: ‘o, heideroosje, wat ben je mooi. O, heideroosje in je lentetooi,’ Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat ging dat zo door. Waar dat hij zich ook bevond in een dubbele bodemtank of het dak van de stuurhut, overal kwam het geloei van de lasser over zijn ‘heideroosje’ vandaan. Nu was door verschillende mensen aan hem gevraagd of hij niet eens wat anders wilde zingen en als hij geen ander versje kon zijn mond eens wilde houden. ‘Ja, dat wil ik wel, jongens maar steeds ben ik al aan het zingen voordat ik er erg in heb, roep maar als ik weer zing dan stop ik wel.’, stamelde de zanger. Dit ging natuurlijk als een lopend vuurtje over de werf. En iedere keer als hij maar begon met: ‘o, heide........’, dan brulde de hele werf: ‘Piet, stoppen’. Na een paar dagen was het over, Piet zong niet meer.
Wel begon hij op een zekere morgen iedereen langs te gaan met de mededeling: ‘heb je het al gehoord? De paus is dood!’ Nu was Piet een katholiek in hart en nieren en was erg ontdaan van het verscheiden van hun Aanvoerder. Nu komt het eens in de zoveel tijd voor dat zo’n man bij zijn Grote Baas op bezoek gaat en er ook blijft, dus keken we daar niet zo van op. Minder leuk was het dat Piet nu weer dagen riep: ‘heb je het al gehoord? De paus is dood!’ Tijdens de vergadering van bisschoppen in de Sixtijnse Kapel kon hij het ook niet laten om iedere keer als hij rook zag te roepen: ‘is het witte rook? Hebben we een paus?’

Na een week of twee hadden ze gelukkig een nieuwe paus het merendeel van het personeel van Lanser was spontaan rooms katholiek geworden in die dagen want het duurde nog maar enkele dagen dat we hoorden: ‘we hebben een paus, we hebben een paus’. Piet ging compleet uit zijn dak, zo blij was hij. Zijn naaste collega’s trakteerden hij op gevulde koeken. ‘Als je nu eens een week je mond houd over pausen en de katholieke kerk’, zei een van de lassers, ‘Dan trakteer ik op slagroomgebak’. Er ging een gejuich op in de kantine ‘Oké, Piet denk erom, als je bek nog een keer open doet over de paus boor je ons het gebak door de neus’. Piet beloofde zijn best te zullen doen. Er ging nog geen dag overheen of Piet liep snotterend over de werf: ‘heb je het gehoord? De paus is dood!’

Niemand heeft er wat van gezegd, dit maak je maar eens in je leven mee. Twee pausen in drie weken die de pijp geven aan Maarten.

In Gorinchem.

In Gorinchem, achter de Indische buurt om precies te zijn, was een klein scheepswerfje. Daar werkte de eigenaar met drie personeelsleden. Toen ik daar voor de eerste keer op het terrein kwam dacht ik echt dat de tijd vijftig jaar had stil gestaan. Er werd dan niet meer geklonken maar alle spullen daar voor waren nog aanwezig. Op de zolder van de schuur want een loods kon je het niet noemen stond een elektromotor die met drijfwerk de verschillende boormachines en zaagbanken aandreef. Dozen vol met klinknagels lagen nog in de rekken klaar om gebruikt te worden.
In het midden van het terrein bevond zich een giek die zo’n vijftig centimeter uit het lood stond. Moest je daar iets mee optillen dan moest de laadboom met een touw achter de Mercedes van Henk gebonden worden anders kreeg je hem niet om. Aan de achterzijde van die giek stond een keetje van 3x3 meter en dat was de kantine. Het was om een uur of half een dat ik daar voor de eerste keer de werf op kwam. De deur van de keet stond een beetje open en daar liep ik op af. Toen ik bijna bij die deur was stak er iemand zijn kop naar buiten. Ik zeg hier kop want het leek wel een duivel. Zwart haar tot over zijn schouders en een baard die zo mogelijk nog zwarter was. Hetgeen er nog van zijn gezicht te zien was zag helemaal bruin van de roest. ‘Kom er in kerel, jij komt zeker van Discom?’ Ik beaamde dat en keek voorzichtig om de hoek. ‘Kom maar verder hoor we bijten hier echt niet.’ Midden in de keet stond een houtkachel met daarop een grote koekenpan.’ Je treft het goed, we zijn net bezig om een snoekbaars bakken, dus je kan eerst mee-eten voordat we aan het werk gaan’.
Dit bleek achteraf een gewoonte te zijn die regelmatig terug keerde. Op vrijdag was er bijna altijd vis. Henk was dan op donderdagavond wezen vissen, stropen wil ik het hier niet noemen, en altijd bracht hij de andere morgen dan een schoon gemaakte vis mee. De ene keer kon dat snoek en een andere keer weer kon dat ook paling of zoals nu, snoekbaars zijn. Het werken daar op dat werfje was een hele belevenis. Dit waren echte cascobouwers. Gereedschap om een boot in te bouwen was er niet, het enige wat er aanwezig was waren branders en laskarren en een paar oude trappen om aan boord te komen. Toen we de eerste keer de trap op wilde werden de sporten aangewezen welke je over moest slaan. Twaalf treden en er vier overslaan waar je door kon zakken was toch wel een beetje te gek. Dus werd er de container van Discom er weer bijgehaald zodat we alles wat we nodig hadden om een sleepboot in te bouwen bij de hand hadden. Ook een nieuwe aluminium ladder hebben we gekocht. Nadat we alle voorbereidingen getroffen hadden gingen we aan het werk.
Na enkele dagen kwamen we er achter dat dit niet hetzelfde was wat we eerder hadden meegemaakt bij Sondij en bij van Mill. We kregen alle medewerking die we nodig hadden. Als er iets niet aanwezig was hoefde we het maar te zeggen tegen Henk en het werd besteld. Zo ook die keer dat we een plaat van 12 mm nodig hadden. ‘Henk, we hebben morgen een vierkante meter plaat nodig van 12 mm, weet jij die te liggen?’ Nadat hij een kwartier gezocht had tussen allerlei plaat en zelfs nog op een braakliggend terrein naast de werf gekeken had zei hij: ‘morgenochtend vroeg laat ik wel een plaat afgooien, als ik er niet ben moet je de chauffeur wel even helpen met lossen.’ En inderdaad, om half acht die andere morgen, stond er een leverancier aan de poort. ‘Ik kon een plaat brengen van 12 mm dik, kunnen jullie deze even van de trailer halen?’ Dit bleek een plaat te zijn van 12 meter lang en hoe haal je zonder kraan zo’n lange plaat van de auto? Ik stond nog over dit probleem na te denken toen Henk het terrein op kwam rijden. Ik legde hem mijn probleem voor. ‘Laat me er even langs met de Mercedes dan haal ik die plaat er af.’ riep hij vanuit de auto. De chauffeur van de vrachtauto fronste zijn wenkbrauwen en haalde zijn schouders op: ‘hoe wil hij dat doen dan?’
De oplossing was voor Henk heel simpel. Een strop aan de trekhaak van de Mercedes en een platenklem aan de plaat. ‘Rijden maar chauffeur dan hou ik hem wel op de handrem.’ De handrem hield geen stand, de Mercedes werd gewoon achteruit getrokken. Dacht de vrachtwagen chauffeur dat hij gewonnen had in deze ‘touwtrekwedstrijd’ dan kwam hij wel bedrogen uit. Henk schakelde naar de eerste versnelling en liet de handrem los. De rook kwam van z’n banden maar hij won want met een enorme dreun kwam de plaat van de auto af. ‘Zo doen we dat hier,’ zei Henk, ‘Niet zeuren, eerst lossen.’ en stapte de keet in om een kop koffie te halen. Je moest daar niet te moeilijk doen, werk en hou het simpel was het devies.
Er moest op een dag een casco te water en een drijvende bok was eigenlijk te duur, het was niet in het budget opgenomen. Er werd een stuk spoorrails gehaald en een paar lorries. De giek die op de werf aanwezig was kon het casco niet tillen maar er werden een paar mixers met beton besteld. Het beton werd op de voet van de giek gestort zodat er een soort contragewicht ontstond en na een weekend drogen werd de giek in orde bevonden om de klus te klaren. Het casco werd met een paar stroppen aan de giek vast gemaakt en het spektakel kon beginnen. ‘Allemaal aan de kant, Arie, de stekker van de giek is er uit, zet jij de schakelaar eens op ‘aan’’, zei Henk. Nadat de schakelaar aan gezet was stak Henk de stekker in het stopcontact. Langzaam kwam het casco omhoog. ‘Kijk zo simpel is dat nu,’ zei Henk ‘Nu de lorries er onder dan laat ik hem zakken. Ik snap niet dat een tewaterlating zoveel moet kosten’. Het casco lag nu wel op de lorries die op de rails stonden maar de boot lag nog niet te water. ‘Hoe krijg je hem nu in het water Henk?’ vroeg ik, ‘Je kan de boot nu wel naar het water toe rijden maar dan ben je er nog niet. Er moet toch nog een kraan of een bok komen om hem van de wal in het water te takelen.’

De kade was daar een grondwal die schuin afliep naar het water van twee meter hoog. ‘Ik zeg het al zoveel keer, je moet heel simpel blijven, zie je die rails die over de wal steekt, nou daarover rijdt de boot te water.’ was het antwoord van Henk.
Ik kon mij dit niet voorstellen. Er staat een sleepbootcasco van 12 ton op twee lorries op een rails op een werf. De rails loopt drie meter voorbij de kade die twee meter boven het water lig, hoe krijg je op een simpele manier dat casco te water? Ja, het was heel simpel, nadat het casco op de lorries was geplaatst werd er een kabel vast gemaakt aan de voorzijde van de boot. Deze kabel liep via de overkant van de haven naar een lier op de wal en nadat de stekker in het stopcontact gestoken was begon de lier de kabel op te winden.

Heel rustig trok de winch de boot dichter en dichter naar de walkant. Even was er een pauze, ‘Allemaal uit de buurt,’ riep Henk, ‘Let op, daar gaat hij.’ Het was heel simpel, langzaam werden de lorries naar het einde van de rails getrokken toen kwam het grote moment. De rails kiepte voorover en daarmee ook de boot. Het achtereind van de rails vloog de lucht in, lorries werden de grond in gedrukt en de boot schoof over de schuine grondkade het water in. Met een klap knapte de staalkabel en een deel van de rails vloog over de boot heen en bleef haken in een luik aan dek en doordat het andere einde in de grond gedrukt zat lag de boot stil voordat de overzijde van de haven werd bereikt. Dit kon op deze manier nooit gepland zijn. ‘Zo, nu even de roeiboot halen,’ zei Henk, ‘Dan kunnen we hem weer naar de kant brengen en zit de tewaterlating erop. Nogmaals, ik snap nog niet waarom een boot te water zetten zoveel moet kosten.’ Er was aan de sleepboot geen noemenswaardige schade te bekennen. Hier en daar was de verf wat beschadigt maar dat was zo verholpen. Wat mij nog het meest verbaasde was de rust die er heerste op de werf, niemand was opgewonden over hetgeen er gebeurde, een ieder beschouwde het normaal dat op deze manier een boot te water ging. Alles wat Henk voorstelde werd uitgevoerd.
Tegenwoordig zou er eerst een hele discussie aan vooraf gegaan zijn maar daar werd niet gediscuteerd, Henk stelde niets voor, hij liet uitvoeren. De boot lag te water en het werk wachtte weer. De volgende morgen hoefde we niet de trap op om aan boord te komen maar we konden zo aan dek stappen. Dat het werken daar een hele belevenis was blijkt ook wel uit het volgende. Op een zekere dag moest mijn collega, die voor het eerst daar op karwei ging, nodig naar de WC. Leen, waar kan ik hier naar de WC?’ vroeg hij, ‘Ik moet verschrikkelijk nodig met de broek af.’ Er was ernaast de werf een braakliggend terrein waar veel riet groeide en als je een kleine boodschap moest doen ging je daar naar toe. Ook stond er een WC aan de walkant, tussen het riet.
Deze WC moet ik eerst even beschrijven. Drie staalplaten van tien streep dik aan elkaar gelast en een plaat er bovenop. Een deur van staal en aan twee zijden een oud patrijspoort voor een beetje licht. Ook de voorste helft van de vloer was een plaat ijzer en de achterste helft was open. Boven dat open gedeelte was een plaat gelast met een gat erin gebrand waar je op kon gaan zitten. Een toiletbril ontbrak zodat je op een roestige plaat ijzer zat. Het geheel was zo geplaatst dat, wat je kwijt moest, met een plons twee en een halve meter lager in de haven terechtkwam. Ter reiniging en vermaak was in de hoek een paar oude Panorama’s opgehangen. Het hok zat dik onder de spinnenwebben en aan het dak en de zijwanden zaten dikke plakken roest.
‘Daar tussen het riet, dat is de WC, het is daar erg smerig dus je moet wel erg nodig moeten anders zou ik je willen adviseren om even naar het station te rijden,’ zei ik tegen Wim. ‘Dat haal ik niet meer, ik ga daar wel even,’ zei hij en verdween in het riet. Het was hoog zomer buiten was het dertig graden en toen Wim de deur van de WC opentrok moet het daar wel vijftig graden geweest zijn. Jaap en ik stonden op het dak van de stuurhut toen we Wim het hok in zagen gaan.
‘Wat gaat hij doen?’ vroeg Jaap waarmee ik op het dak aan het werk was verbaasd. ‘Wat denk je zelf?’ zei ik, ‘Wat zou hij daar gaan doen? Hij gaat daar echt niet voor zijn plezier in de hitte tussen de spinnen de Panorama te lezen.’ ‘Effen een geintje,’ zei Jaap en pakte een stuk ijzer van het dek. Een stuk plaat van 30 bij 30 centimeter en het was wel een centimeter dik. Hij klom weer op het dek en met een enorme zwaai wilde hij dit stuk onder de WC gooien zodat het water op zou spatten. ‘Hij heeft dan geen Panorama nodig,’ zei Jaap, ‘Ik zal hem wel afspoelen.’ Het idee was beter dan de richting. Met een klap kwam het brok ijzer op het dak van de WC terecht. Even gebeurde er niets. Toen vloog de deur open, Wim tuimelde erachteraan, zijn overall en broek op zijn enkels. Helemaal onder het zweet, onder de plakkaten roest en overdekt met spinnenwebben. Struikelend vluchtte hij het rietveld in en we zagen nog net twee machtige hammen, met een afdruk van een rond gat veroorzaakt door de stalen plaat waar hij even tevoren nog op gezeten had. Na tien minuten kwam hij terug aan boord. ‘Mag ik de sleutel van je auto even Leen? Dan rij ik toch maar even naar het station.’ Blijkbaar was hij nog niet aan de boodschap toegekomen.
Jaap zat altijd vol met geintjes. Op een morgen stapte hij als eerste de keet binnen. We hadden de hele week al last gehad van ratten in de keet en Henk had een rattenklem gezet. ‘We zullen dat kreng wel eens effen vangen,’ had hij gezegd, ‘Het is toch van de gekke dat als ik wil gaan schaften de ratten van de tafel springen.’ Toen Jaap die morgen de keet in kwam zat er zo’n rat in de klem. Ook Wim stapte net binnen. ‘Kijk Wim,’ zei hij, ‘Dit is de eerste rat die geef ik aan Henk dan kan hij zien hoe goed hij is als rattenvanger. Ik zal de rat in Henk zijn laars leggen dan vindt hij hem wel.’ Ondertussen kwamen er meer mensen de keet binnen en toen we aan de koffie zaten kwam ook Henk. Hij trok zijn klompen uit en zei ‘Ik doe mijn laarzen maar aan vandaag want ik geloof niet dat het vandaag nog droog wordt.’ Nu waren zijn laarzen van die zogenaamde laslaarzen met een wollen voering erin. Die voering gaat wel eens dubbel in de laars als je ze uittrekt en hij dacht dat dit nu ook weer het geval was. Het ging in ieder geval niet gemakkelijk om in de laarzen te komen. Hij stond te stampen op de vloer en bromde: ‘wat een rotlaarzen zijn dit toch, zit weer die voering dubbel, ik kom er niet eens in.’ Hij trok de laars weer uit en keek wat er met de voering aan de hand was. Daar vond hij de rat. ‘Kijk nou eens, nu moet ik je vrouw toch gelijk geven Henk,’ zei Jaap met een stalen gezicht, ‘Man, wat heb jij last van zweetvoeten, de ratten gaan er kapot aan’ ‘Dat geeft niets, dat spaart weer hondenvoer uit,’ zei Henk en gooide de dooie rat naar zijn hond die hem opving en er mee van door ging, ‘Daar lust de hond wel pap van, thuis heb ik nooit last van ratten.’ Ik weet niet waarom hij geen thuis last van ratten had, kwam dat van zijn zweetvoeten of omdat zijn hond zo’n goede neus had.
De hond van Henk van een jachthond. Waar dat Henk ook naar toe ging de hond was altijd in zijn buurt. Wanneer Henk met de Mercedes wegging deed hij het kofferdeksel open en dan sprong de hond erin. Het gebeurde regelmatig dat de hond de hele dag in de kofferbak bleef zitten. Of dat de klep open stond of niet de hond kwam dan er niet uit. Zo ook gebeurde het op een dag dat Henk zei: ‘Leen, ga je met mij mee op karwei vanavond? Er moet een nieuwe koelwater inlaat gemaakt worden aan boord van een schip. Als jij nu gereedschap in de auto laadt dan ga ik even bellen en brood halen om vanavond mee te nemen.’ Ik vond het best en ging gereedschap bij elkaar zoeken. Toen ik echter de achterklep van de Mercedes open trok sprong die hond er in en wat ik ook probeerde hij wilde er niet meer uit. Het beest gromde en trok de bovenlip op dus ik liet hem daar maar zitten. Het gereedschap lag ik naast hem neer en daar reageerde hij niet op. Ik dacht als straks Henk terug komt dan stuurt hij dat beest er maar uit. Na een half uurtje kwam Henk terug, ‘Het gaat niet door vanavond, we gaan morgenochtend, dan is pas de helling vrij in Tolkamer waar het schip ligt, laat het gereedschap maar liggen dan kunnen we morgen direct weg.’ Zo gezegd, zo gedaan. Ik had echter geen erg meer in de hond gehad.
De volgende morgen zijn we direct naar Tolkamer gereden en onderweg zij Henk: ‘wat een rot lucht hangt er weer in die auto, die rothond van me mag voortaan niet meer in de auto slapen.’ Opdat moment schoot het mij te binnen dat de hond nog in de kofferbak zat. Hij had de hele nacht daarin gezeten want Henk zei dat hij hem ‘s avonds al gemist had. Ik ging bijna over mijn nek toen de kofferbak open ging, alle gereedschap en ook de hond zaten onder de hondenstront en hondezeik. ‘Dat spoelen we er wel af,’ zei Henk en ging een emmer halen. Nadat het gereedschap weer schoon was zocht Henk een tak op en gooide die in de rivier. ‘Ga jij die maar halen, ‘ zei hij tot zijn hond, ‘Dan word jij ook een beetje schoon.’ Hij gooide nog enkele emmers water in de kofferbak en zei: ‘die is vanavond, als we klaar zijn aan boord, wel weer leeg gelopen.’ De hond was weer terug op de wal en schudde zich eens flink uit. ‘En jij, stomme hond, op de achterbank, jou wil ik vandaag niet meer zien.’ En inderdaad de hele dag hebben we de hond niet terug gezien. ‘s Avonds om tien uur toen we klaar waren met het karwei was de achterbank weer nat. Wie is er nou stom de baas of de hond?

Frankrijk.

‘Kunnen jullie niet even langs komen? Er is iets niet in orde met de stuurinrichting van ons schip.’ Het is weer zover. Tussen Kerst en Oud- en Nieuwjaar denk je lekker aan de oliebollen te kunnen zitten maar om de haverklap belt er een schipper op die problemen heeft aan boord. ‘Wij willen ook wel eens thuis zijn tussen Kerst en Oud en Nieuw.’ zei Leen tegen Onno, de schipper van de Riaonno die belde. ‘Wat is er eigenlijk aan de hand met het stuurwerk?’ ‘Er werkt niets meer en we liggen hier in een smal kanaal in de buurt van Reims, we moeten geholpen worden want we liggen zo dat er geen schip meer langs ken. Stuur maar iemand want het kost ons anders handen vol geld als we niet voor twaalf uur morgenmiddag weg zijn,’ zei Onno die helemaal in paniek bleek te zijn. We vroegen naar alle mogelijke problemen die er zouden kunnen zijn maar we kregen niets zinnigs uit hem. Er zat geen andere mogelijkheid op dan de auto te laden met alle dingen die we nodig dachten te hebben. Leen had een verjaardag en vroeg of ik wilde gaan. Nu is een verjaardag van een ouder niet iets dat je zomaar voorbij laat gaan en wederzijds werd dit begrepen dus restte er niets anders dan het thuisfront in te lichten en om tien uur die avond vertrok ik.
Het sneeuwde zo erg dat op de snelweg niet harder gereden werd dan 60 kilometer per uur en het was dan ook al vijf uur toen ik de ‘Riaonno’ zag liggen. Het was donker aan boord maar na een paar flinke bonzen op de luiken ging er licht een lamp aan. ‘Waar blijf je toch?’ vroeg Onno die de deur voor mij opende, ‘We waren al bang dat je het niet kon vinden.’ Ik ging de stuurhut binnen en vertelde hem hoe het weer buiten was, ‘Kijk even naar buiten Onno, dan ken je beter inschatten hoelang je er over doet van Hardinxveld naar Reims, ik ben bek af van het turen in de sneeuw, zet eerst maar een pot koffie dan ga ik even kijken in de achterpiek. Ik ben benieuwd wat ik daar vind.’ Onno verdween in de keuken en ik naar het achterdek. Na wat gepruts in het donker kreeg ik de klep naar de achterpiek open. Ik knipte mijn zaklamp aan en een blik was voldoende. Er was een bout uit de stuurcilinder gevallen en deze lag 10 centimeter lager.
Ik had nog nooit goed naar een M16 bout gekeken maar dit was een speciale bout. Het was net of die bout me uitlachte: ‘Ben je helemaal speciaal voor mij gekomen’? Wat was het geval, de cilinder was gemonteerd met twee M16 bouten op een fundatieplaat en ter voorkoming van hetgeen nu gebeurd was had er een splitpen door de bout en moer geplaatst moeten zijn. De gaatjes waren er al voor ingeboord maar nergens was er ook maar een stukje van de splitpen te vinden. Ook in de andere bout waren de gaatjes al geboord. Blijkbaar waren er geen pennen gemonteerd geweest. Binnen vijf minuten zat de losgelopen bout weer op zijn plaats en met een stuk laselektrode door de bout heen zag ik geen aanleiding dat het weer mis zou gaan. ‘En Leen,’ vroeg Onno toen ik wit besneeuwd weer binnen kwam, ‘hoelang gaat de reparatie duren? Ga je eerst een poosje slapen of ga je eerst aan het werk?’ Ik vertelde hem niet dat het probleem al verholpen was. ‘Ik ga een paar uur op de bank liggen dan kijk ik als het licht is wel of ik wat kan zien.’ Na een pot koffie samen opgedronken te hebben viel ik als een blok in slaap op de bank.
Om acht uur maakte Ria mij wakker, ‘Leen er is koffie, Onno is naar de sluis om te informeren of er nog schepen aankomen, ik hoop maar van niet want anders moeten ze blijven wachten totdat ons roerwerk is gemaakt.’ Ik wreef de slaap uit mijn ogen en zei;’ ik ga eerst even naar buiten en kijken wat er aan de hand is met het roer’. Na tien minuten kwam ik terug met een pak elektrode die ik in het midden had doorgezaagd. ‘Alstublieft, hier heb ik de oplossing van het probleem. Om de 24 uur een nieuw stuk elektrode in de bout plaatsen van de stuurcilinder. Voor tien minuten werk ben ik uit Hardinxveld komen rijden. Dit had Onno zelf ook kunnen doen. Ik ga terug naar Holland en vertel maar aan je man dat de elektroden niet langer dan 24 uur er in mogen blijven.’

Bouwvakkers.

Marco en ik zijn in de tijd dat we in de Blikstraat werkten ook nog eens door Bree als bouwvakker op karwei gestuurd. Ik was er al een week aan het werk toen Marco ook mee ging. Het bedrijf van Bree zou gaan verhuizen naar Papendrecht. Er was een loods gekocht en er moest op dat zelfde terrein een loods bij gebouwd worden. Ook moest de bestaande loods worden aangepast. Wij moesten dan de bouwvakkers die daar aan het werk waren assisteren. Stenen met behulp van de heftruck op de steigers zetten en leidingen verleggen en meer van dergelijke karweitjes. Er was ook een ploeg van een plaatselijk loonbedrijf bezig met grondwerkzaamheden. In een van de loodsen stond nog een oude directiekeet, dat hadden we ingericht als schafthok. Om de beurt werd er koffie gezet. Met een man of tien zaten we soms in dat hok en altijd waren er heftige discussies over werk, bazen en buitenlanders. Tot vervelends toe zat een vent van het loonbedrijf te schelden op gastarbeiders. ‘Opvreters, dat zijn het, er deugt er niet een van, op een lekke boot schoppen en terug sturen waar ze vandaan komen,’ zei hij, ‘Het is de schuld van de buitenlanders dat er zo weinig werk is in Nederland. Ik kan nergens anders aan de bak komen dan op dit bedrijf’ Ik was dit spuugzat, altijd weer dat schelden op buitenlanders. Hij had op een ding geen ongelijk, er was veel werkeloosheid in die jaren maar niet alleen onder de Nederlanders, zeker ook onder de allochtone bevolking. En dat hij nergens anders kon gaan werken dan bij het loonbedrijf was zeker niet de schuld van een buitenlander.
We hadden verschillende keren geprobeerd om met de loonwerker hierover een discussie aan te gaan maar hij bleek een bord voor zijn hoofd te hebben waar niet langs of overheen te kijken was.
Het was om tien uur dat ik tegen Marco zei: ‘kom we gaan eten, nu krijg je een stelletje rabauwen te zien. Er is er een bij die niets anders doet dan schelden op zijn baas en op buitenlanders.’ Het was net wat ik voorspeld had: ‘weet je wat mijn baas nu weer gedaan heeft?’ zei de loonwerker, ‘nu heeft hij een buitenlander aan genomen om bij de graafmachine te lopen. Die Turk mag wel oppassen want als hij bij mij komt te werken laat ik nog eens een bak grond op hem vallen, dan zijn we er snel vanaf’. ‘Jan,’ zei ik tegen hem, ‘Weet je wel wat je zegt? . Deze jongen hier,’ en ik wees op Marco, ‘Deze jongen, is ook een buitenlander, die is door zijn moeder die in de sloppen van Milaan woont, naar Nederland gestuurd om wat geld te verdienen. Wil jij hem ook terug sturen?’ Nu was het midden in de zomer en Marco was net terug van vakantie dus het was niet moeilijk om hem voor een Italiaan door te laten gaan. De loonwerker keek even schuin naar Marco, pakte zijn broodtrommel en thermosfles op en verdween. Hij heeft niet lang meer gewerkt op die klus, misschien heeft een buitenlander zijn baan wel gekregen.


‘Jij moet wel effen weten dat ‘s avonds die lamp aan moet en ‘s morgens niet vergeten hem weer uit te zetten. Kost alleen maar stroom voor niets al hij blijft branden’. Ik had van Leen van de Linden, die bij hem gewerkt had, al eens van de speciale nukken van de man gehoord en beloofde dat ik dit zou doen. ‘Dan krijg je van mij wel eens een doosje sigaretten’ beloofde hij nog. Ik heb dat maanden vol gehouden, ‘s morgens uit ‘s avonds aan. En als ik hem ‘s morgens vergeten had om uit te zetten bleef hij in zijn woonkamer voor het raam staan en alsmaar naar de lamp wijzen. Net zolang totdat iemand de lamp uit deed.
Kort er na heb ik er maar een tijdschakelaar tussen gebouwd. Fl 25, - kostte deze en ik was van dat probleem af, beter gezegd, de heer Damen had geen probleem meer. Precies op tijd ging het licht aan en uit, en het heeft zeker een half jaar geduurd voordat hij me hierover aansprak: ‘hier heb je nog eenmaal een pakje sigaretten nu krijg je ze niet meer want het licht gaat nu vanzelf aan en uit.’

Koffie zetten.

In die jaren was het de gewoonte om op toerbeurt koffie te zetten. Niet dat dit altijd vlekkeloos liep want het gebeurde met vaste regelmaat dat vergeten werd om het koffiezetapparaat aan te zetten. Als we dat nu maar op tijd door hadden dan was het de kunst om de vrouw van de schipper zo ver te krijgen dat zij koffie schonk. Dat ging dan ongeveer zo. Wout vroeg dan verbaast, terwijl hij vergeten was koffie te zetten, ‘Zeg, Leen je heb weer wat vergeten zeker, moeten we nu weer een kwartier wachten in de kantine voordat we koffie hebben? Meestal zei de schipper dan:’ mijn vrouw zet wel koffie jongens, werk nog maar even door dan zal ik mijn vrouw wel waarschuwen.’
In die tijd kwam Marco bij Discom werken en ik geloof dat het eerste wat hij moest doen was leren om een goede kop koffie te zetten. Wie dat hem dat geleerd heb weet ik niet meer of Wout of misschien Leen van de Linden wellicht had zijn moeder hem dat al geleerd maar dat hij een goede bak koffie kon zetten is zeker want tot eind van de jaren negentig zetten hij nog steeds koffie en als de koffie eens niet te drinken is, heeft Marco vakantie of is hij snipperen.
Nu smaakte bij al die verschillende schippers de koffie vanzelf ook verschillend. Je kon natuurlijk geen op - of aanmerkingen hebben op de smaak van de koffie die je aangeboden kreeg maar van de koffie van een schipper wil ik je nog wat vertellen. Het was aan het begin van de zomer dat we een werk aangenomen hadden aan boord van de ‘Riaonno’. Het was een klein binnenvaart schip waarop een hydraulisch stuurwerk geplaatst moest worden. De naam van het schip was weer origineel verzonnen. Je raadt het al, zij heette Ria, hij Onno. Nu was dit jonge stel, ik denk dat ze zo rond de 23 jaar waren, niet zo bijzonder schoon. In ieder geval niet wat je van schippers verwachtte zou. In de machinekamer was het een en al chaos en in de stuurhut was het niet veel beter.
Ik was bezig om het oude stuurwerk af te breken toen ik tussen een radiator een zakdoek zag zitten. Nu was er 10 centimeter boven de radiator een raamkozijn gemonteerd die ik er van afgehaald had. Ik wees Ria op de zakdoeken die daar tussen zaten. ‘Moet je eens kijken,’ riep Ria tegen Onno ‘Nu weet ik waar dat jij al de zakdoeken laat’ Met een elektrode die daar lag viste ze wel 20 zakdoeken tussen de radiator uit. ‘Ja, die heb ik daar tussen gestopt om te drogen toen ik verkouden was,’ zei Onno Dit bleek geweest te zijn, volgens Ria tussen oktober en half november. Het was opdat moment begin juni dus ze waren zeker droog. Wat heeft dit nu met koffie te maken zul je denken, nou het laat zien dat dit stel niet zo op hygiëne lette. Enkele dagen later, Ria was even de wal op om boodschappen te doen, vroeg Onno of we soms koffie wilde. We hadden van Ria al een paar keer koffie gekregen en daar was niets mis mee, dus stuurden we Onno naar beneden om koffie te zetten.
Trots als een pauw riep hij even later: ‘jongens, het is mij weer gelukt, de koffie is bruin.’ En inderdaad de geur van de koffie verspreide zich over het dek. Vlug werden uit de kantine de broodtrommels gehaald en aan dek werd de koffie in geschonken. Ik nam als eerste een slok koffie, gelukkig een klein slokje omdat ik dacht dat deze nog wel warm zou zijn. Wat ik toen proefde is met geen pen te beschrijven. Mijn gehemelte kromp in elkaar, mijn tong verdraaide zich en toen de koffie in mijn maag terechtkwam kon ik met moeite voorkomen dat deze zich omkeerde. Uiterlijk was dit ook aan mij te zien want Marco en Leen van de Linden keken me aan op een manier zo van, moet er een dokter aan te pas komen of krijg je het nog onder controle. Dit laatste lukte mij met grootste moeite.
Ik zat op een bolder met mijn rug tegen de damwand aan en was niet van plan om nog een slok te nemen. Maar wat nu gedaan, lag dit aan mij of was de koffie zo smerig. Inderdaad de koffie was smerig want toen ik Leen een slok zag nemen en Marco voorzichtig zag proeven wist ik het zeker. Onno dronk intussen gewoon door. Ik heb de koffie tussen wal en schip laten lopen. Met een plons ging mijn koffie overboord, zo daar was ik vanaf. ‘Wat hoorde ik daar voor een plons, viel er wat overboord?’ vroeg Onno die al op wilde staan om te kijken. ‘O, dat zal een moer geweest zijn uit mijn broekzak, blijf maar zitten je ziet er toch niets van’ zei ik. Er dreef een bruine koffievlek langzaam tussen wal en schip naar achter.
Marco besloot om geen slok meer te drinken wat hij me met gebaren en gezichten duidelijk maakte achter de rug om van Onno. Leen van de Linden zat met Onno te praten en moest wel zo af en toe een slokje nemen. Onno dronk intussen gewoon door. Wij lagen dubbel van het lachen af en toe schaterde we het uit. Onno keek dan heel verbaast en vroeg wat er aan de hand was. Ik weet niet meer wat we voor smoezen we verzonnen hadden maar de pret werd steeds groter. Wat zat die Leen voor het blok, hij kon er niet meer onderuit. Tot overmaat van ramp vertelde Onno nog dat hij voor zijn moeder ook wel eens koffie had gezet en zij vond dat ze nog nooit van die lekkere koffie had geproefd. Dit kwam, vertelde hij verder, omdat hij koffiebonen gebruikte die hij in Schiedam haalde bij de fabriek.
Onno dronk intussen gewoon door. Toen hadden we iets waar we om konden lachen zonder iemand uit te lachen. We brulden het uit: ‘Onno, koffiebonen worden niet in een fabriek gemaakt hoor, die groeien ergens in Zuid Amerika’. Geduldig heeft hij ons alles verteld van koffiebonen, melanges, branderijen en koffieproevers. ‘Je moet uitkijken dat je niet iemand uitlacht want je ziet nu toch wel dat ik alles weet van koffiebranderijen en zo maar die noemen wij, schippers, de koffiefabriek.’
‘Ik hoor het wel weer,’ hoorde we een stem vanaf de wal, ‘Onno zit weer eens te bluffen over zijn kunst van koffie zetten. Het valt mij alles mee dat hij voor jullie koffie gezet heeft, ik moet het altijd zelf doen. Vooruit, koffieleut, schenk voor mij nu ook eens in’. Ria kwam de loopplank af en ging op de luiken zitten in afwachting van haar koffie. ‘Vertel ondertussen eens waar jullie zo’n pret om hebben, ik hoorde jullie al in de Havenstraat lachen.’ Gelukkig kwam Onno met de koffie aan dek zodat we op die vraag niet hoefden te antwoorden. ‘Waar heb je eigenlijk melk vandaan gehaald Onno? Ik ben speciaal naar de buurt geweest voor koffiemelk.’ Hij bleek nog een open blikje gevonden te hebben ergens boven in een kastje achter een stapeltje kerstkaarten. ‘Nou dat zal dan wel lekker smaken. Ik heb dat vorig jaar gebruikt om kerstkaarten mee dicht te plakken want er is geen betere papierlijm dan zure melk.’ Opdat zelfde moment plonsde er nog twee bekers koffie overboord. Onno dronk intussen gewoon door, hij dronk zijn koffie zwart!!!!!!!!

We hebben tijdens het inbouwen van de nieuwe stuurinrichting nog een keer koffie aan boord gedronken. Een collega had toen een dennennaald in zijn koffie, hoe die erin kwam is altijd een raadsel gebleven. Ria stootte diezelfde avond haar beker met koffie omver en een jaar later zat de aangedroogde koffievlek nog op de voet van de schemerlamp.

De vrouwen van de schippers.

Ook hiermee hebben we veel gelachen in die tijd. Toen de Riaonno voor de kant lag ging Ria iedere morgen in de haven zwemmen tot ergernis van Onno. Ria was een jaar of 23 en als ze in haar bikini op het dek lag te zonnen was het helemaal niet verwonderlijk dat de ‘heertjes’ van de haven altijd aan de noordkant van de haven stonden. De ‘heertjes’ noemde wij de oud schippers en meer van dat soort mannen die aan de haven op de leugenbank zaten. Onno was een verschrikkelijk jaloerse echtgenoot, als Ria aan boord was en we zaten in de kantine te eten en Marco zei bijvoorbeeld: ‘ik ga even naar de haven kijken ‘ dan ging Onno direct mee.
Heel anders was het toen er eens een klipper voor de kant lag waar een nieuwe motor ingebouwd moest worden. Het was ook weer mooi weer en de vrouw van de schipper liep de hele dag buiten in bikini. Ze waren pas getrouwd en ik kan niet zeggen dat haar man jaloers was. Op zekere dag komt er een monteur van de motorleverancier met zijn maatje aan boord. Het maatje was een jaar of 4 jonger dan Janny, de vrouw van de schipper, ik denk dat hij 16 jaar was. We waren bezig de motor aan te sluiten toen hij de machinekamer in kwam. ‘Hebben jullie dat gezien jongens. Daar ligt een meid op het voordek te zonnen. Het is een plaatje om te zie. Die zou ik best wel eens een flinke beurt willen geven.’
Wij zeiden niets terug, we wisten dat haar man in een tank bezig was om deze schoon te maken en konden het op een briefje geven dat hij gehoord had wat Bas gezegd had. Volgens mij is die meid best wel in voor een feestje,’ begon Bas weer. We hoorden Janny boven ons over het dek lopen en de roef in gaan. ‘Nou Bas,’ klonk er een holle stem uit de stuurboord brandstoftank, ‘Dat zou best wel eens een oplossing kunnen zijn van twee problemen.’ Ondertussen kroop Kees, de schipper, uit de tank. ‘Zij had vanmorgen ook al zo’n zin dus loop maar mee naar boven dan gaan we het direct maar vragen’. Met een kop als een biet stamelde Bas: ‘sorry schipper, ik had U niet gezien, neemt mij alstublieft niet kwalijk. Ik had dit nooit mogen zeggen, nogmaals mijn excuses schipper.’ ‘Ben je gek Bas, geen probleem hoor, kom maar mee naar boven we gaan gewoon vragen aan Janny of dat ze er nog zin in heeft.’ Hij duwde Bas voor zich uit de trap op naar boven. Verbijstert hoorde en zagen we dit aan. Tussen de binnenkomst en het vertrek van Bas had nog niemand anders een woord gezegd.
We hoorden Kees roepen: ‘Janny kom eens naar boven hier is iemand die met je de kooi in wil.’ Wat een oplossing van Kees, iedereen zou zich in de toekomst wel bedenken om wat van zijn vrouw te zeggen. Ondertussen waren wij beneden blauw aangelopen van de lach, hoe zou dit aflopen? We hoorde Janny de trap oplopen en de stuurhut binnen gaan. ‘Nou, kom jij maar mee naar beneden, ik heb ook wel zin en je ziet er patent uit.’ Opdat moment rukte Bas zich los en verdween de wal op.
Kees kwam weer naar beneden de machinekamer in en mompelde: ‘nou, dan niet.’ Terwijl hij weer de tank in kroop zei Jos: ‘je had hem goed te pakken Kees maar dreef je het niet een beetje te ver door?’ ‘Welnee hoe kom je daarbij, we hebben een vrij huwelijk dus had ik daar ook weer een poosje vanaf geweest.’ Of dat hij dit nu meende of niet, daar zijn we nooit achter gekomen maar Bas hebben we niet meer terug gezien en Kees heeft nooit opmerkingen over zijn vrouw gehoord bij Discom.

Ik heb het al even gehad over de heertjes van de leugenbank. Deze mannen hadden die avond thuis heel wat te vertellen en ik weet niet of dat ze thuis dit geloofd zouden hebben.
Op een zekere dag lag er een Belgische schipper voor de wal. Ik weet niet meet hoe dat het schip heette maar de man had een vrouw aan boord waar dat Kenau tijdens de belegering van Haarlem in 1572 een geduchte medestander aan gehad zou hebben. Als Sjors maar even uit het zicht was stond ze aan dek te roepen aan hem en Sjors holde dan weer terug naar boord. ‘O, ik moet gaan ons kapteintje roept’, zei hij dan en vloog naar boord. Zelf kon ze niet al te best meer uit de voeten, ze kon ieder moment bevallen van hun eerste kind. Deze twee mensen kwamen uit de buurt van Antwerpen en spraken een dialect dat bijna niet te verstaan was. Zijn stopwoord was: ‘het komt gemaokt van Brussel’. Waar dat op sloeg zijn we nooit achter gekomen, wel wisten we op den duur dat een plat laddeke, een stuk strip was en een rondelleke een sluitring.
Op en avond, om 8 uur, moest Sjors van zijn vrouw de roef boenen. De Hollandse schippers proberen iedere morgen de dauw weg te spoelen, de Belgen willen ‘s avonds de dauw van het schip te halen. Met een paar krijsen werd Sjors opgedragen de dekwas slang aan te sluiten en een jerrycan met sop te halen. Direct kwamen wat ‘heertjes’ aangeslenterd het gekrijs van de vrouw was tot aan de leugenbank te horen geweest. ‘Hebben jullie niks anders te doen dan hier aan de haven rond te hangen? Ga anders naar huis en help jullie vrouwen ook eens. Neemt een voorbeeld aan Sjors van mij die is altijd voor zijn vrouw bezig ‘ riep ze in plat Vlaams de mannen toe. De drie ‘heertjes’ stonden op een rij, handen in de zakken, een klein beetje wijdbeens en twee van de drie hadden een pet op. ‘Och vrouw,’ sprak de middelste, ‘Waor maok je eige toch druk om, we doen toch ommers gin mins kwaod hier.’ De rechtse deed ook een duit in het zakje: ‘ik zie ut al, die man van je hep gin bliksum te zegge.’ ‘En waarom dan niet vent?’ riep ze vinnig terug. ‘Omdat de rook van je schoorsteen nie tegen de waaind in gaot, want waordat dat wel zo is mag de vint wat zegge’ Even bleef het stil aan boord, ze moest het even verwerken. ‘Och vent, stik erin ‘ riep ze terug en joeg Sjors de hut in om een bezem te halen. ‘Pas maor een bietjie op mit je man, hou hum mar tot vriend’ sprak het rechtse ‘heertje’, ‘Strakkie hep je him nog nodig om de dokter te haole.’ De heertjes rolden tegen elkaar van de lach.
Sjors kwam opdat moment terug met zwabber en de dekwas slang en samen gingen ze aan de slag. Sjors voorop met slang en zwabber en daarachter de vrouw met de jerrycan met sop. Zo af ten toe draaide hij zich om en deed de vrouw wat sop op de zwabber. Het sop liep dan van de bezem af door het gangboord, zo de haven in. ‘He vrouw,’ riep een van de ‘heertjes’, ‘dat mag hier niet in Holland hoor, wij doen hier ook aan het milieu.’
Wat er toen precies gebeurde is niet meer te achter halen. Het feit is wel dat ze wat tegen Sjors riep, deze verstond haar weer niet en met een: ‘awel vrouwke wat isset?’ draaide hij zich om. De zwabber stond tegen de roef maar hij vergat dat hij de waterslang nog in zijn hand had. Precies tegen haar dikke buik spoot de vent en in een fractie van een seconde haalde de vrouw uit met de jerrycan die ze in haar hand had. Het was maar een klap maar hij was 20 franc waard. Sjors ging languit onderuit in het gangboord. Finaal van de kaart, door de klap of van de schrik, het is niet bekend, maar de ‘heertjes’ zagen het gebeurden. Verbijstering op de kade, wie had zoiets ooit gezien. Kalm bleef de vrouw staan en riep de mannen toe:’ awel, da ziedde, da kompt ervan als ge nie oplet.’ Na enkele ogenblikken kwam Sjors weer op de been, hij mompelde nog iets van, ‘Awel ‘t komt van Brussel’ en stond wat op zijn benen te zwaaien; zijn hele haar en baard onder het zeepsop het leek wel of Neptunes uit zee opdook. Eerst dachten we nog dat alleen de ‘heertjes’ het hadden gezien maar dat was niet zo. Er ging een gelach op die tot aan de Buurt te horen was, schippers die er lagen, chauffeurs die hun vrachtauto opdat moment parkeerden, personeel van nabij gelegen scheepswerven, en moeders die langs de rivier wandelde met hun kinderwagen, een ieder die bleek het te hebben gevolgd en zien gebeuren.
Vijf dagen later op een 2e Pinksterdag stond Sjors om 6 uur ‘s morgens bij Leen van de Linden aan de deur te bellen. ‘Ons vrouwke moet een kind bekommen’. Leen heeft hem naar de dokter gestuurd, dat is geen werk voor Discom.
Jaren later heb ik nog eens wat van Sjors gehoord via een schipper die tijdens het voorval in de haven lag. Sjors lag met een geladen schip voor een sluis, ergens in Vlaanderen, toen zijn vrouw boodschappen wilde doen. Sjors had al een paar maal gezegd dat je daar niet tegen de wal aan kon meren maar ze moest en zou naar de wal. Hij heeft ze met de zwaaiboom aan wal gezet en moest kort erna schutten. Op de sluis heeft hij de baby en wat kleren voor hun beide afgegeven en tegen de sluiswachter gezegd dat zijn vrouw ze wel op komt halen. Een ding weet ik nu zeker dat bij Sjors de rook tegen de wind in gaat. Hij heeft nu alles te vertellen aan boord. Hij vaart nu al jaren alleen.

Soort van werk

Als je het voor af gaande leest lijkt het of dat het in de begin jaren van Discom alleen maar gezelligheid was wat of dat de klok slaat. Nou, ik ken je verzekeren dat het niet zo was. Er was altijd afwisseling, dat is zeker. De ene keer had je werk waar naar je ‘s avonds op de bank wel eens met plezier aan terug dacht. De volgende dag had je soms werk dat je ‘s avonds dacht: morgen ben ik ziek. Als het warm weer was dan kwam er geheid een schipper voor de wal waarbij je onder in de machinekamer moest werken. Sneeuwde het daarin tegen dan was er werk te doen aan het dek. Een dennenboom verhogen of een luikenkap wijzigen met 15 graden vorst is echt geen pretje. Regen en wind zijn we nooit uit de weg gegaan. Hetzelfde geldt voor smerige karweitjes, bijvoorbeeld in de machinekamer. Als er een motor uit het schip getakeld was die daar een jaar of vijftig in gestaan had dan moest wel de fundatie schoon gemaakt worden voordat de nieuwe motor geplaatst kon worden. Er lag dan een laag olie, vet en poetslappen die er minstens enige tientallen jaren gelegen had waar de schimmel op stond. Wout had nogal een gevoelige huid en zat dan ook na zo’n karwei onder de uitslag die wekenlang kon duren. Ik zie Leen van de Linden nog staan, nadat de schipper hem verzekerd had: ‘die leiding kun je gerust afkoppelen daar heeft, zolang ik op dit schip vaar, is er geen druppel olie doorheen gestroomd.’ De leiding liep net boven zijn hoofd en nadat hij de koppeling had losgedraaid gutste er van die verschimmelde en verrotte olie over hem heen. Korsten met vet lagen op zijn hoofd en schouders en hij kon direct naar huis om te douchen. Als er eens geen werk was moest je toch op stap om werk te krijgen of werd je uitgeleend bij een plaatselijke scheepswerf. Daar gingen ze dan echt niet op zoek naar een leuk en schoon karweitje, je moest maar aanpakken wat er was.


Maanden op karwei.

We hebben gewerkt in verschillende omstandigheden, weken reden we naar Almere-haven. Om vijf uur uit bed om kwart voor zes in Almkerk om een collega op te halen en om halfzacht was je aan het werk. Als het voor een paar dagen is gaat het nog wel maar we hebben daar gewerkt van mei tot maart. Ik weet nog goed, ‘s morgens een half uur eerder weg als het sneeuwde en het was glad op de weg. We zijn bij mijn weten daar nooit te laat aangekomen, wat voor weer het ook was onderweg.
We moesten daar eens een duwboot inbouwen. Dat was in de zomer, en ik moest de cv aanleggen. Op zich was dat best wel leuk werk, ik was immers pijpfitter geweest op een scheepswerf. We hadden zelf een werkcontainer gemaakt die we op zulke klussen meenamen. We hadden dan alles bij de hand, laskar, branders, boorstelling, ja zelfs een zaagbank stond erin. Soms was het in die container drukker dan in de werkplaats van de werf. Hier was alles bij de hand, en als je maar gereedschap bij je had op die werf in Almere dan was je een toffe goser. Daar kwamen we achter, binnen enkele dagen waren we door het gereedschap heen. Niemand wist waar het was en niemand had het geleend. We hebben toen een razzia gehouden en het gereedschap terug ‘gestolen’ met medeweten van hun directeur. De container bleef voortaan wel op slot en een ieder van Discom had de sleutel in z’n zak. Het personeel van de werf veranderde op slag. We zouden mensen zijn die niets voor een ander over hadden, we zouden alleen uit zijn om onze zakken te vullen.
Nu hadden we daar de inbouw van de hoofdmotor voor die duwboot inderdaad ook aangenomen. Dat wil zeggen, hoe minder uren je over die inbouw deed, hoeveel te meer dat je over hield. Wat dat betreft hadden de mensen gelijk, we waren daar om wat te verdienen. Aan sommige personeelsleden was dit uit te leggen maar er waren erbij die kon je dat niet aan hun verstand gepraat krijgen. Dat waren mensen waar ook niet leuk mee samen te werken was. Je had daar twee type mensen: de ene club kon wel met de in geleende mensen werken en de andere club kon of wilde dat niet. Wat we ook deden deze mensen probeerde je altijd tegen te werken. Op zekere dag kwamen we ‘s morgens aan boord en bijna alle vullingen, die we al hadden pasgemaakt voor onder de motor, waren op raadselachtige wijze verdwenen We hadden alles afgezocht en konden deze passtukken nergens meer vinden. We gaven toen de moed maar op, hier was niet te werken.
Ik was al bezig ons gereedschap bij elkaar te zoeken en op te bergen in de container van ons toen Steef Sondij, de eigenaar van de scheepswerf, op ons toekwam en zei: ‘ik ken het best begrijpen dat jullie vertrekken want wat er nu gebeurd is daar schaam ik mij diep voor. Ik beloof jullie dat ik alles zal doen om de dader op te sporen maar alstublieft, willen jullie blijven. Ik weet niet wat we anders moeten. Over drie weken moet de boot opgeleverd worden en zonder jullie hulp krijgen we het niet voor elkaar’. De man stond er met tranen in zijn ogen bij, het was gewoon ontroerend om mee te maken. Opdat moment kwam Steef zijn vader, die daar ook werkte, erbij staan en hoorde nog juist de laatste woorden van zijn zoon. ‘Dat moet je niet doen jongens, ga voor vandaag naar huis, wij betalen gewoon die dag uit aan jullie en kom morgen maar weer terug dan hebben we het probleem opgelost, de vullingen zullen dan ook weer terecht zijn’.
Wat bedoelde de oude Sondij hiermee? Wist hij dan waar de vulstukken waren? We hebben de container afgesloten en zijn terug naar Discom gegaan. Daar hebben we uitgelegd wat er aan de hand was en kregen de raad om de andere morgen maar weer gewoon naar Almere te gaan. Ik weet niet of er ooit contact geweest is tussen de directie van Discom en die van Sondij over dit probleem.
Die volgende morgen gingen we met nog meer tegenzin naar Almere. Daar aangekomen, de heren Sondij dachten dat we niet meer zouden komen omdat het precies halfzacht was toen we het terrein op reden, stond onze mok weer als vanouds reeds ingeschonken met koffie. Het overige personeel ging aan het werk toe wij binnen kwamen, verschillende wenste ons een goeiemorgen. Vader en zoon Sondij zaten als enigste nog in de kantine. Steef zei: ‘jongens, als er nog eens wat voorvalt met ons personeel, kom dan direct naar me toe. De vullingen liggen weer in de machinekamer maar je moet ze schoonmaken en ze zelf onder de motor plaatsen dat kunnen we niet. Geef maar op hoeveel tijd het kost dan wordt dat vergoed. Ik hoop dat jullie nog bij ons willen werken?’ ‘Natuurlijk willen we de klus afmaken Sondij’ zei ik, ‘Maar dan moet het niet zo gaan als de afgelopen maand’.
Wat er in dat kwartier dat we met de beide heren Sondij besproken hebben weet ik niet zo goed meer te herinneren maar met een gevoel van, we gaan er weer tegenaan, hebben we de kantine verlaten. Maanden na die tijd hoorden we wat er die dag voorgevallen was. Sondij liet gewoon niemand van de werf vertrekken voordat hij wist wie ons dat kunstje had geflikt. ‘s Avonds om negen uur mochten de mensen naar huis, Steef had een ieder afzonderlijk bij zich in kantoor gehad en na die avond waren er twee mensen minder aan het werk bij Sondij.
Zo had die Oud-Amsterdammer het even opgelost. Hij had met zijn vader tot twee uur in de nacht met een magneet aan het dreggen geweest. Maar eerst moesten we aan de slag om de duwboot op tijd af te krijgen. Met het overige personeel was best te werken. Verschillende mensen kwamen op het gebeuren terug maar we hadden Steef beloofd er verder geen woorden over vuil te maken en daar hielden we ons aan. Om op die cv installatie terug te komen, dit was de eerste keer dat ik werkte met klemfittingen. Voor die tijd werden de meeste cv installaties nog in elkaar gefit met draadsokken en dergelijke. Hier moest het met klemfittingen en ik vond dat het veel gemakkelijker en sneller ging. Nou dat heb ik geweten, nadat de hele installatie in elkaar gezet was moest deze gevuld worden met water. ‘Ik ga even naar de wal om de kraan open te zetten voor het afpersen van de leiding’ zei ik tegen een collega. ‘Roep even als je het ergens ziet lekken’. Enkele tellen nadat ik aan de wal de kraan open draaide brulde ze vanuit de machinekamer al: ‘kraan dicht, lekkage’. Even dacht ik nog dat het een geintje zou zijn maar het tegen deel was waar het lekte van alle kanten. Van af die tijd doe ik eerst wat vet aan de snijring van een knelfitting.

Nee, het op karwei gaan, zeker als je daarvoor 4 uur op een dag in een auto moet zitten en dan nog zoveel tegenwerking krijgen, is echt niet om naar terug te verlangen. We hebben die winter ook een echte winter gehad, sneeuw, hagel, ijzel en een harde oostenwind was geen uitzondering. Er lagen daar 6 stuks zogenaamde onderlossers in de haven van Almere die allen onderhoud moesten hebben. Steef had deze onderhoud klus aangenomen om ons zo aan het werk te houden voor een maand of drie want daarna had hij weer een klus waarbij wij weer de motor moesten inbouwen.
Die maanden op die baggerschepen waren geen pretje dat kan ik je verzekeren. Het was altijd werken aan dek, in weer en wind. Toen het voorjaar om de hoek kwam kijken kregen de baggerboeren opeens zoveel haast dat we meer personeel nodig hadden en die brachten we mee uit Hardinxveld. Ingeleend van een naburige scheepswerf. Zaten we voorheen met drie man in een auto, nu zaten we met vijf man in een Kadett. Ik was blij dat in maart Discom een order kreeg van Aggreko om containers om te bouwen tot behuizing voor generatorsets. Sondij kon hoog en laag springen met zijn volgende inbouw, we gingen met al ons gereedschap en container richting Hardinxveld.

Anders dan?

Ik heb altijd het idee gehad dat er vroeger meer tijd, en dus geld, beschikbaar was voor het opvangen van mensen die nu werken in een sociale werkplaats. Op de scheepswerf waar ik werkte, voordat ik in dienst kwam bij Discom, had je ook een aantal van die, hoe zal ik dat benoemen, mensen die anders zijn dan anderen. Mensen die wat langzamer zijn door wat voor reden ook. Er zat soms ook hier of daar een steekje los. Deze mensen waren voor een grotere werf of bedrijf bijna onmisbaar, op economisch en zeker sociaal vlak.
Waarom moeten deze mensen gedwongen worden om in een beschermde omgeving te werken zoals tegenwoordig in een sociale werkplaats? Ik wil niet beweren dat al de mensen die in een sociale werkplaats werken het daar niet naar hun zin zouden hebben of dat allen zouden kunnen werken in het bedrijfsleven. Maar op de grotere bedrijven waar ik heb gewerkt, hadden deze mannen een plaats die door vele gewaardeerd werd. Op de scheepswerf waar ik vandaan kwam werkte deze mensen als corveeër of als hulp bij een oudere vakman. Ze deden werk waar menig een zijn neus voor zou ophalen. Ze brachten op de een of andere manier een bepaalde sfeer in de groep.
Herman was een man, waar ik in de leerschool op de Merwede kennis mee maakte, die de hele dag niets anders deed dan lachen en de prullenbakken, die her en der in de fabriek stonden, leeg haalde en ook schoonmaakte. Overal waar hij kwam maakte die een praatje, hij wist altijd de laatste nieuwtjes van de streek en ook de laatste nieuwe mop. Het was een wandelend nieuwsblad. Hij was allang de pensioengerechtigde leeftijd gepasseerd maar had kip noch kraai in de wereld zo als hij altijd zelf zei en bleef dus gewoon doorwerken. Goedlachs en altijd vrolijk was hij in voor een grapje. Hij en vele van zijn collega’s uit de corvee ploeg gaven nou net dat beetje meer aan een groep met mensen die ik mis in de tegenwoordige, gejaagde tijd.
Komt dit nu omdat deze mensen niet mee gaan in het snelle tempo waarin we nu leven of is het omdat het rendement van zulk personeel te laag ligt, ik ben er nog steeds niet achter. Of zou het komen omdat op een werkploeg van vijftig man twee minder productieve werknemers niet financieel opvallen? Een ding is wel zeker, als je met oud collega’s terugblikt kom je als vanzelf weer bij deze mannen uit. Dan hoor je ‘Weet je nog, toen en toen, met die en die?’ Niet dat je iemand uitlacht maar het is meer dat je herinneringen ophaalt over mensen waarmee je gelachen hebt. De doelstellingen van de bedrijven zijn toch niet alleen economisch en sociaal maar toch ook maatschappelijk? Wordt dit laatste vandaag de dag niet wat snel vergeten?
Onze Facebook pagina
In de loods.

Het gebeurde nog wel eens dat er niet veel te doen was in de scheepvaart en dan moest er toch werk binnen gehaald worden. We werkten in die tijd met een ploeg van een man of 6. Zo hebben we eens voor de BBC, de Betonijzer Buig Centrale, een tijd lang vlechtwerk in elkaar gezet. Zij leverde het ijzer dat al in een vorm gebogen was en wij moesten dan daarvan een soort honingraat in elkaar lassen. Dit gebruikte hun klanten als bewapening om betonnen balken van te maken. De stukken waren een meter of vijf lang en wogen een kilo of twintig. Als je constant aan een stuk doorwerkte kon je precies duizend meter op een dag maken. Dan moest je wel echt acht uur werken en kon je tussen door een keer naar de WC en een sjekkie aansteken. Op gaan staan roken was er niet bij want dan kwam je niet verder dan negenhonderd vijftig meter op een dag. Je verdiende aan dat werk nog niets ook maar ja, wat wil je als je niets te doen hebt. We hebben bij elkaar met drie man bijna honderd kilometer van dat rot werk gemaakt en ik was blij dat er weer een schipper voor de wal kwam. Jaren later had de BBC ons weer eens nodig want ze hadden iets nieuws uit gevonden. Dat waren zogenaamde stekkenplanken. Een bak van strekmetaal die paste in een contra bak van staal. Ook daar hebben we kilometers van gemaakt. Marco en ik hebben allebei nog de littekens van dat strekmetaal op onze handen.


Een van de laatste schepen die in de Blikstraat bij Discom voor de kant lag was een steekhopperzuiger. Dit is een zuiger die een zuigarm naast het schip heeft waarmee zand opgezogen wordt. Het nadeel van een steekhopperzuiger is dat er nogal eens iets kon fout gaan met de zuigarm. Als de arm te diep in het zand gaat of er liggen rotsen op de bodem dan gebeurde het in het verleden nog wel eens dat het schip over de arm heen voer. Hierdoor was het zelfs mogelijk dat er hoppers zoveel averij opliepen dat deze naar de diepte verdween. Ook deze schipper die we voor de wal hadden liet zijn hopper ombouwen tot sleephopper. De zuigarm sleepte achter het schip aan. Op uren basis werd een afspraak met de schipper gemaakt en eens in de week werd de rekening opgemaakt. Het zal ook in die tijd geweest zijn dat Leen van de Linden een andere werkkring vond. Na Wout was dit de tweede aandeelhouder die uit de BV stapte. Wout was nu al enkele jaren leraar op een technische school. Maar nu ook Leen weg ging bij Discom was er ineens niemand meer van de directie die leiding gaf aan het dagelijks gebeuren in de loods. We werkten toen met vijf of zes mensen. Door van de Bree en de schipper die voor de kant lag werden duidelijke afspraken gemaakt en met het overige personeel werd de klus aan boord geklaard.

Dempers.

Van de Bree had in die jaren al te kennen gegeven dat we eigenlijk een eigen product moesten zien te vinden. In de scheepsbouw was er eigenlijk niets te verdienen. We hadden nu al enkele jaren containers verbouwd tot aggregaat omkasting in opdracht van Aggreko. In deze containers moesten we ook de uitlaten ophangen voor de motoren. Dit werk moesten we maar uitbreiden, hier was volgens hem wel geld in te verdienen. Bij schippers was het niet te halen. Er werd meer personeel aan genomen, met name plaatwerkers. Ook werd er een nieuwe bedrijfsleider aangesteld. Deze man had gewerkt bij het bedrijf waar van de Bree de uitlaten bestelde voor de aggregaatsets. ‘Probeer in een paar jaar te leren om ook deze uitlaatdempers te bouwen, ‘ zei van de Bree, ‘Op het gebied van geluidsreductie valt geld te verdienen. De geluidsnormen worden steeds strenger.’ We hadden als eerste klant voor de dempers natuurlijk van de Bree. Hij wilde in de containers uitlaat dempers van Discom. De uitvoering van de dempers had Piet helemaal in zijn hoofd zodat we het wiel niet opnieuw behoefden uit te vinden. Ik betwijfel overigens of dat we of het gebied van berekeningen van geluidsreductie in staat waren om iets uit te vinden. We hadden in de loods een plaatschaar en een kantbank en met een wals erbij konden we aan de slag. Nu werden in die jaren altijd ronde dempers voor de containers gemaakt maar op aanwijzingen van Bree begonnen we aan een nieuw concept. Vierkante dempers gingen we bouwen. Geen twee ronde dempers aan de zijkant van de containers maar een vierkante in het midden dan hield je aan de zijkanten ruimte over om rechtop te lopen. Iets wat voordien haast niet mogelijk was, je stond altijd gebukt naast de generatorset.
We hebben die eerste jaren heel wat prototypes gemaakt. Geen een demper was hetzelfde. En duidelijke tekeningen werden er niet gemaakt. Als er al tekeningen waren werd er geen goede administratie van bij gehouden. De dempers die we maakten en aan de geluidseis vol deden gingen soms jaren mee. In 1998 kwam zelfs de eerste demper terug, deze was leeg geblazen en de klant vroeg of we hem weer opnieuw konden vullen met basaltwol. Het was een leerzame tijd deze begintijd van het bouwen van uitlaatdempers. We hadden natuurlijk veel geluk dat de dempers die we maakten uit konden proberen bij het bedrijf van Bree. Als we daar niet hadden kunnen testen en uitproberen hadden we nooit in die korte tijd zoveel kunnen leren. Met een oude ventilator werden testen gedaan om een zo laag mogelijke tegendruk in de dempers te creëren. Hele berekeningen moesten gemaakt worden waar ik nog nooit van gehoord had. Ook moest er een nieuw soort vonkenvanger ontwikkeld worden voor deze vierkante dempers. Met behulp van een zogenaamde Pito buis en waterkolom werd de gassnelheid in de vonkenvangers gemeten.
Door dat voor ons dit terrein geheel onbekend was werden er vanzelf ook fouten gemaakt. Ik weet me nog te herinneren dat we een vonkenvanger aan het testen waren die een tegendruk had waar de conventionele vonkenvanger bij in het niets viel. Maar na eindeloos rekenen en vergelijken van vorige uitkomsten, bleek dat we de formule die nodig was niet goed hadden onthouden. We hadden het ezelsbruggetje van school vergeten: mijnheer Van Dalen Wacht Op Antwoord. Tijdens inbouwen van motoren hoefde je geen wortels te trekken. Hoogstens iets boven je macht verheffen. Er was er in die tijd nog geen computer bij Discom, dus iedere keer dat er met behulp van een formule een berekening moest worden uitgevoerd, moest je de formule met een calculator uitrekenen. Nu was ik thuis bezig met een zelfstudie, programmeren in Basic op een Commodore 64 en probeerde ik de formule in een programma te verwerken. Na vele avonden programmeren lukte het me om een programma te maken waarmee ik de gegevens kon verwerken. ‘Kijk eens even, Piet,’ zei ik op een morgen, ‘hier heb je de uitkomst van wat we gisteren hebben getest. Ik denk dat we een fout gemaakt hebben in deze formule.’ Piet rukte de uitdraai uit mijn handen en bromde: ‘waar heb je dit vandaan? Ik ben gisteravond ook nog aan het testen geweest en vond dezelfde uitkomst.’ Vol trots vertelde ik hem dat ik thuis aan het programmeren was geweest en dat het programma klaar was. Hij wilde dat wel eens zien en dat ik verwacht. Ik liep naar mijn auto en pakte de computer en na hem aangesloten te hebben kon ik mijn kunsten laten zien. De computer vroeg gegevens en die konden we dan eenvoudig invoeren. Niets geen ellenlange formules invoeren op een zak Japannertje, de computer deed het werk en maakte geen vergissingen. Een druk op de knop en er kwam netjes een print uit waarop stond wat het resultaat was.


Hier begon het spaak te lopen, dit was niet de bedoeling van Piet. Waren we voor die tijd collega’s die samen aan een probleem werkte, nu ging het toch te ver naar zijn zin. ‘Weg met die computer,’ zei hij, ‘Het heeft geen zin om daarmee te werken, ik ken dit zelf ook wel.’ Ik ben wel doorgegaan met programma’s schrijven en na maanden testen en ‘s avonds de gegevens thuis vergelijken kregen we het wel voor elkaar om een nieuw soort vonkenvanger te maken. ‘En nu op de vonkenvangers een Veritas keur halen,’ zei van de Bree, ‘Leen, jij ben toch in de ziektewet, als jij nu de tekeningen maak en er mee naar DNV gaat dan brengen we het oude type vonkenvanger ook gelijk onder keur.’ Dit was eerder gezegd dan gedaan. Ik was op dat moment inderdaad in de ziektewet. Een dubbele liesbreuk en ik liep op een operatie te wachten. Tillen mocht ik niet en had met de arts van het GAK een regeling getroffen dat ik voor 75% in de ziektewet zat. Dit werden de eerste uren dat ik op kantoor aan het werk ging. Hoe moest ik dit aanpakken, waar moest ik beginnen, waar moest ik het adres van Veritas vandaan halen, hoe kreeg ik de vonkenvanger op papier. Als een vis op het droge voelde ik me. Ik vroeg Piet om raad en kreeg als antwoord: ‘vraag dat maar aan Bree, jij kan toch zo goed met hem opschieten, zoek het zelf maar uit.’
Hier kon ik het mee doen, geen medewerking hoefde ik van hem te verwachten. Dit kon ik niet begrijpen, we werkte bij hetzelfde bedrijf aan hetzelfde probleem. Ik wilde dat we een eigen product kregen en dat Discom groeide en een keer mee ging tellen als demperfabrikant. Hier wilde ik mijn steentje aan bijdragen. We kregen de kans om ons in de materie, zover als kon, te verdiepen, waarom wilde hij nu altijd alle kennis voor zich zelf houden? Met informatie die ik kreeg van Bree ben ik aan de slag gegaan. Uren heb ik staan tekenen achter het bord maar na een paar weken kon ik met de tekeningen naar Schiedam om te informeren hoe of we de vonkenvanger konden laten keuren. ‘Laat de tekeningen maar hier dan zullen we daar van de week naar kijken,’ zei de adviseur van Veritas, ’Kom maandag maar terug en dan zullen we wel verder zien.’ Ik vond dat dit wel heel gemakkelijk ging, ik verwachtte dat over een week de stempels op de tekeningen zouden staan. Op de afgesproken tijd stond ik voor de inspecteur van Veritas. ‘Ik ben er nog niet uit, ‘ zei hij, ‘we weten wat een vonkenvanger is en wat er van verlangd wordt maar we zijn er nog niet uit hoe we deze moeten testen.’ Dat wist ik, ‘sAvonds in de donker, met een open sluiter van een fototoestel,’ vertelde ik hem, ‘dan kun je precies zien op de foto of er vonken uit komen.’ ‘Dat is een goed idee, ik zal dat uitwerken en bel je over enkele dagen terug’ zei hij. Enigszins teleurgesteld ging ik terug naar Discom. ‘En heb je nu die keur al?’ vroeg Piet schamper, ‘Je moet nu niet denken, als je een paar weken zonder overall loopt, dat je de mensen van Veritas de wet voor kan schrijven, voor zo’n keur ben je zeker een paar maanden kwijt.’
Enkele dagen later belde de man van Veritas op met de mededeling dat we een proef opstelling moesten regelen, dan konden we op een avond de foto’s maken. ‘Het idee van jouw was een prima idee, mijn chef heeft de test goedgekeurd dus met een paar weken kunnen we testen.’ Met medewerking van Bree is er een proefopstelling gemaakt. Twee generatorsets, waarin een demper van Discom gemonteerd was werd ter beschikking gesteld. Een met een type C en een met een type CS. Ik controleerde vooraf of het wel een demper was met een vonkenvanger die getest moest worden. Op de afgesproken avond kwam de inspecteur met een fotograaf naar de proefopstelling, het stormde hevig en het goot van de regen. ‘We hadden geen slechtere avond uit kunnen kiezen,’ zei Karel de inspecteur, ‘ik hoop maar dat we wat op de foto’s kunnen zien.’ ‘Ik hoop eigelijk dat we daarop niets te zien krijgen. Laat het maar helemaal donker blijven.’ zei ik. Hij beaamde dat: ‘inderdaad, er moeten geen vonken te zien zijn, laten we maar beginnen.’ Er was een heel schema opgesteld, de motor moest verschillende tijden vollast en onbelast draaien. Na een half uur onbelast draaien werd de schakelaar omgehaald een dikke zwarte rookpluim steeg op vanaf het dak van de container. ‘Als er nu geen vonken op de foto te zien zijn dan is voor mij de proef geslaagd,’ zei Karel,’ Ik heb nu twintig foto’s laten maken. Dit moet voldoende zijn.’ Alle apparatuur werd opgeborgen en we gingen naar kantoor voor een kop koffie. Karel was zijn papieren aan het invullen en zei tegen zijn collega, de fotograaf: ‘wil jij even op de demper gaan kijken welk bouwnummer er ingeslagen staat? Neem een blocnote mee en schrijf het even op.’ Samen liepen we naar de containers en ik lichtte hem bij met de zaklamp. ‘Bouwnummer 177.’ las hij op, ‘dat is gemakkelijk te onthouden.’ Hij moest het bouwnummer onthouden ik kon het niet want toen ik met de zaklamp op de typeplaat scheen zag ik iets werd het zwart voor mijn ogen. De demper die in deze container zat was een uitlaat zonder vonkenvanger! ‘Wat is het referentie nummer, Jan’, vroeg Karel, ‘En welk type demper is het’ ‘Bouwnummer 177 maar naar het type heb je niet gevraagd,’ was zijn antwoord. ‘LHC-S 125,’ zei ik vlug, ‘Het type vonkenvanger is CS’ Ik wist op dat moment niets beter te zeggen, wat moest ik nu, er zat in deze uitlaat helmaal geen vonkenvanger. De andere dag ben ik wezen informeren hoe het kwam dat de demper verwisseld was. Het bleek dat niet de demper verwisseld was maar het verhuurbedrijf had de hele generatorset omgewisseld. De set die als proefopstelling moest dienen was een tiental kVA zwaarder en was op het laatste moment verhuurd dus hadden ze hem maar omgewisseld. Wekenlang heb ik in spanning gezeten, wat zou de uitslag zijn. Niet alleen van de test maar ik moest ook nog naar het ziekenhuis. Op de dag dat ik thuis kwam uit het ziekenhuis belde van de Bree me op: ‘Nou het is voor elkaar, we hebben de certificaten binnen. Discom heeft nu gecertificeerde vonkenvangers’.
Zes weken had het uiteindelijk geduurd vanaf het moment dat ik begon met tekenen tot het moment dat we de certificaten binnen kregen.









Vierkante dempers

Nu we de certificering van de vonkenvangers rond hadden konden we beginnen met bouwen. Natuurlijk werden het vierkante dempers, we hadden hiervoor de machines in huis om het plaatwerk te maken. Het bedrijf van Bree had ook vestigingen in het buitenland en ook daarvoor moesten we ook de dempers maken. Deze vestiging was een echt productiebedrijf, de bestellingen varieerde van tien tot soms wel vijftig stuks in een levering. Al het plaatwerk werd door Discom zelf gemaakt. Stalen onderbakken met RVS deksels. Een uithoekschaar hadden we toen nog niet dus moesten alle hoeken nog met de slijptol worden uit geslepen. Je was voor een order van vijftig stuks dagen aan het knippen, slijpen en zetten. Het binnenwerk werd altijd gemaakt van vierkanten perfo kanalen want dat gaf meer dempend oppervlak. Tenminste dat veronderstelde we. Uit vergelijkingen met standaard dempers werd geprobeerd een demper te maken die minstens zo goed zou dempen. Maar toch werden we iedere keer weer verrast door de negatieve of positieve resultaten. De ene keer was de klant razend enthousiast en de andere keer kregen we een fax dat het nergens op leek.
Achteraf is het niet verwonderlijk dat zulke verschillen in resultaat op traden. We hadden wel wat geleerd van de testen met tegendrukken maar van demping hadden we absoluut geen kaas gegeten. Op een zeker moment hadden we een container afgeleverd met een nieuw type demper erin. De demper moest weer kleiner worden dan de laatste keer, de ventilator was groter dus er was minder ruimte over voor de uitlaat. Nu moest dit een super stil aggregaat set worden en de klant liet geluidsmetingen verrichten door een onafhankelijk bureau. Het resultaat was bedroevend. ‘Hebben jullie nu nog niets geleerd,’ zei van de Bree, die ik op het terrein in Papendrecht tegen kwam, ‘Na zoveel maande testen had ik wel een ander resultaat verwacht. Probeer eens of dat je van dit bureau een rapport kan krijgen met tekst en uitleg.’ Dat was mogelijk er werd afgesproken dat iemand van het bureau de andere week het rapport af zou geven in de Blikstraat. Je mag eerst wel toestemming vragen bij Bree,’ zei Piet, ‘Anders hebben we straks een probleem met hem omdat het geld kost. Je weet hoe hij kan reageren: als het geld kost lijkt het me niks.’
Ik heb nog getracht hem uit te leggen wanneer Bree deze opmerking plaatste, je wel de omstandigheden moet onthouden en niet te pas en onpas dit napraten. ‘Ik heb je toch verteld wat Bree zei toen we aan het proefdraaien waren,’ zei ik, ‘een rapport met tekst en uitleg, dan moet de man wel zelf komen of wil je dat over de telefoon doen?’ Daar had ik de spijker op zijn kop geslagen, als hij dat nu via de telefoon zou doen dan kreeg ik geen tekst en uitleg. ‘Ik zal het wel met Bree bespreken als ik hem zie, om nu zoveel kosten te maken als het per telefoon kan dan vind ik dat veel beter.’ was zijn commentaar. Nu had ik de afspraak al gemaakt en voordat hij met Bree gesproken had kwam op een vrijdagmorgen de man met zijn rapport naar de Blikstraat. ‘Bekijk het maar.’ zei Piet, ‘ handel jij dat maar af met die man, ik wil er niet bij zijn, dan draag je zelf de gevolgen maar.’ Vier uur heb ik met deze man op kantoor gezeten en er ging een hele nieuwe wereld voor mij open. Ik vertelde hem dat ik niets van het principe van de demping snapte en dat we probeerden om uitlaatdempers te maken. ‘Dat geeft niets,’ zei hij,’ Ik zal proberen de grondbeginselen eenvoudig uit te leggen.’ Hij vertelde over aantal cilinder, toerentallen, 2- en 4 takt motoren, hoge en lage frequenties, reflectie, absorptie, insteekpijpen en ¼ labda. Met behulp van schetsen en voorbeelden werd het mij langzaam aan duidelijker. Ik wist nu ook wat een kwatlattum pijp was waar Piet het altijd over had.
De leveringen aan Schotland werden per fax besteld via het kantoor van Bree. De types van de dempers waren meestal hetzelfde als van het aggregaat. Zo heette een demper soms 150 kVA, omdat deze toegepast werd op een 150 kVA generatorset. We hadden nog geen standaard aanduiding voor deze vierkante dempers. Wel moest er ergens iets vermeld zijn op het typeplaatje waar dat je aan kon zien welk soort vonkenvanger er toegepast was. Je kreeg dan zoiets van 150 kVA LHC125. Zo kregen we eens een fax van Bree waarop stond een levering van 75 stuks silencers type LHC125 6’. Een bouwnummer had de klant niet vermeld maar van dit type hadden we wel vijf verschillende geleverd. Nadat er wat heen en weer gefaxed was over afmetingen en dergelijke bleven er twee mogelijkheden over. Het sturen van faxen was niet zo eenvoudig want dat moest allemaal via het kantoor van Bree. ‘Dit is de laatste keer geweest, ga nu maar zelf een fax kopen,’ zei Bree tegen Piet, ‘Maar voordat je een fax stuurt naar Schotland wil ik hem wel eerst lezen.’ Die zelfde dag werd er een fax gekocht en werd door de PTT de andere week aangesloten. De orders kwamen nu in de Blikstraat binnen en het begon nu echt op een bedrijf te lijken. Faxen werden gestuurd naar toeleveranciers en transportbedrijven. Prijs aanbiedingen van verschillende transporteurs kwamen per fax binnen.
Ondertussen waren we met een man of zes druk bezig om de vijf en zeventig dempers te maken. Rechthoekige demperbakken met een RVS deksel en met een resonantie gedeelte erin. Een verfspuit hadden we toen nog niet dus moesten alle dempers met een verfrolletje geconserveerd worden. De hele loods stond vol met dempers. 15 stapels van vijf hoog. Het laden van de vrachtauto’s was een avond werk, de hele kap moest afgebroken worden want een heftruck hadden we nog niet. Drie dagen later kregen we van de klant een fax binnen waarin ze vroegen of we een vooruitziende blik hadden. De dempers die we gestuurd hadden waren de dempers die ze nog moesten bestellen. We hebben weken overgewerkt om alsnog de juiste dempers te leveren. Vanaf die tijd zijn we het type van de demper ook op de tekeningen gaan zetten. We wilden niet meer het risico lopen de verkeerde dempers te sturen. Een fax met de afmetingen ging voortaan ter bevestiging retour naar de klant.

Frankrijk

In de loop van de jaren hebben we bij Discom heel wat kranen gemaakt. De eerste maakte we voor ons zelf in de Leemansstraat. Twee voor het bedrijf in Groot-Ammers, twee voor Genko, drie voor Aggreko in Papendrecht en nog twee voor de loods in de Blikstraat. Voor een nieuwe vestiging van Aggreko in Frankrijk kreeg Discom de opdracht om een portaalkraan te maken. We kregen een tekening waarop de maten stonden hoe hoog de kraan moest worden en hoe breed. De takel werd bij Discom afgeleverd en we bouwde in een tweetal weken de gevraagde kraan. Met een verfroller werd de kraan mooi blauw geverfd en nadat alles genummerd was werd het geheel per vrachtauto opgestuurd naar een plaatsje in de buurt van Parijs. Wat mijn collega en ik nog niet wisten was dat de kraan ook door Discom moest worden opgebouwd in Parijs.
Op een avond waren Rien en ik aan het overwerken toen van de Bree de loods liep met in zijn kielzog Piet die naast de loods woonde en Bree had zien arriveren. ‘Wanneer ga je de kraan in Parijs opbouwen?’ vroeg hij aan mij, ‘Aan een kraan in losse onderdelen heb ik ook niets. Over drie weken moet het depot gaan draaien dus enige haast is wel geboden.’ ‘Als ik klaar ben met de demper tekenen voor Schotland dan gaan Leen en ik naar Parijs.’ zei Piet. ‘Ik heb nog enkele dagen nodig dan kan Leen onder mijn leiding de kraan op gaan bouwen.’ ‘Daar heeft Leen helemaal jouw leiding niet bij nodig, over enkele dagen is hij terug,’ zei Bree tegen Rien en mij, ‘Morgenochtend om zeven uur zitten jullie in de auto en met een week zijn jullie weer terug’ Om op vrijdagmorgen te vertrekken en wel op de verjaardag van mijn zoon vond ik wel een beetje te gortig en we spraken dan ook af om op maandagmorgen op weg te gaan. ‘Ik zal morgen wel een route beschrijving voor jullie maken dan kunnen jullie op zondagmiddag op weg,’ zei Piet, ‘Dat scheelt weer een dag reistijd.’ Bree die wel wist dat Rien niet op zondag werkte draaide zich om naar Piet en zei kribbig: ‘als jij zondag nu de tekeningen afmaakt waar je mee bezig bent dan kunnen de jongens direct aan de slag als ze terug komen.’ ‘Dat kan nu allemaal wel maar hoe moeten Rien en Leen de weg vinden, ze zijn nog nooit op karwei geweest in Frankrijk. Ik heb van de jongens van Aggreko gehoord dat het plaatsje moeilijk te vinden is, ‘ verdedigde Piet zich. ‘Dat zal wel los lopen, het is niet de enigste keer dat ik op karwei in Frankrijk gaat.’ zei ik, ‘ Er was al leven voordat je bij Discom kwam. Als ik het helemaal niet meer weet dan zwaai ik wel met een briefje van 100 franc naar een taxi en die brengt mij er wel.’
‘Kijk Piet, z moet je dat doen. Leen heeft het door, ‘ zei Bree, ‘Dat doe ik ook altijd en zo kom je nog ergens vlug en goedkoop. Dat is goedkoper dan eerst bij Aggreko te gaan informeren hoe je moet rijden en een route beschrijving maken.’ Nu had ik dat smoesje jaren voordien al eens van hem zelf gehoord. We hebben niet met een briefje van 100 franc hoeven wapperen want na een telefoontje, op zaterdag, met iemand van Aggreko was het gemakkelijk te vinden.
We arriveerden in het motel, welke van de Bree ons had aanbevolen, aan de rand van het dorpje om twee uur in de middag zodat we die zelfde dag nog kennis konden maken met het al aanwezige personeel op de nieuwe locatie. Jean, waarmee we de kraan zouden opbouwen sprak geen woord Engels, tenminste de eerste twee dagen niet. Als we gereedschap nodig hadden moesten we met gebaren duidelijk maken wat we bedoelden. En als we er helemaal niet meer uit kwamen moesten we met behulp van de secretaresse, die een paar woorden Engels sprak, en een woordenboek een oplossing vinden. Tot onze verbazing werden we de derde morgen door Jean begroet met: ‘Good morning, did you sleep wel and how was your breakfast.’ Op onze vraag welke cursus hij die nacht gevolgd had antwoordde hij: ‘ik was bang dat jullie mij uit zouden lachen om mijn Engelse uitspraak maar ik heb begrepen dat jullie ook niet zo goed Engels spreken. Nu durf ik het wel.’

Nu was er beter te werken en op vrijdag werd de kraan overeind gezet. We hadden nog wel een dag of drie nodig om de rails te leggen en de takel elektrisch aan te sluiten. Die vrijdagavond waren we vroeg teruggegaan naar ons motel. ‘Ik ga eerst eens lekker een uur in bad liggen,’ zei ik tegen Rien, ‘Om halfnegen zie ik je wel bij mij op de kamer dan gaan we om negen uur eten. Ik ben benieuwd wat we dan krijgen.’ We hadden in het restaurant hetzelfde probleem wat we al eerder hadden bij Aggreko, niemand verstond daar Engels en wij spraken geen woord Frans.

Nadat ik de TV had aangezet ging ik naar de badkamer en terwijl het bad vol liep, wat heel snel ging, stond ik me te scheren zag ik via de spiegel dat er een Tiroler film kwam. Ik verstond het wel niet maar de beelden spraken voor zich. De titel was zoiets van: ‘met jouw hoorn tussen mijn alpen’. Ik draaide de TV zo dat ik vanuit bad precies de film kon volgen en dacht nog, zou Rien ook kijken? Eigenlijk twijfelde ik daar niet aan. Als hij op de kamer kwam was het eerste wat hij deed, de TV aan zetten en alle kanalen nazappen. Na een verfrissend bad zat ik op de rand van het bed het journaal te kijken. Er was een ontploffing geweest op de Noordzee, een olieplatform stond in brand en er waren veel doden. We hadden daar ‘s middags al wat van vernomen en ik wilde hier van de beelden zien dus ik zorgde dat ik om acht uur een Duitse zender op had staan. Na het journaal was er nog een actualiteiten rubriek waar ik naar gekeken heb maar toen begon ik mij af te vragen waar of dat Rien bleef. Het was inmiddels negen uur geweest en we moesten voor tien uur gegeten hebben. Ik ging eens kijken waarom hij nog niet kwam opdagen. Twee keer moest ik op zijn kamerdeur bonzen voordat hij open deed. ‘Waar blijf je toch,’ vroeg ik, ‘Het is al kwart over negen.’ ‘Ja, ja,’ stamelde hij, ‘ik heb een ongelukje gehad in mijn kamer. Ik had de kraan aangezet van het bad en ben toen in slaap gevallen. Er zit geen overloop in het bad en nu staat het water in de kamer. Met een plastic bekertje ben ik het water terug aan het scheppen in het bad.’ De drempel tussen de badkamer was een tegel van tien centimeter hoog en daar was het water al overheen gestroomd. De badkamer had een vloeroppervlak van anderhalf bij twee meter zodat er zeker driehonderd liter water op de vloer stond. Ik ben maar eerst naar buiten gelopen, ik kon mijn lach niet inhouden. Ik zag het al helemaal voor me. Rien op de rand van het bed zappend totdat hij bij de Tirolerfilm kwam en dan in slaap vallen?? Met een schroevendraaier, die ik uit de auto ben wezen halen heb ik de toiletpot losgemaakt van de vloer zodat al het water met een grote kolk in het riool verdween. Probeer maar eens zo’n tweehonderd liter water, dat er nog stond, op te scheppen met een plastic bekertje. ‘Vertel nu eens eerlijk Rien,’ vroeg ik, ‘Zat je niet op de rand van het bed naar een seksfilm te kijken?’ Tot mijn verbazing beaamde hij dat onmiddellijk. ‘Ja, en vanuit mijn ooghoeken zag ik de vloerbedekking een donkere kleur krijgen, dat kwam natuurlijk van het water dat over de drempel stroomde.’
Dit was nu weer echt Rien, met rooie oortjes naar een seksfilm kijken en dan direct toegeven, ‘Nee, ik sliep niet maar ik genoot.’ Het was erg sneu voor hem, de volgende morgen belde hij naar zijn ouders om te vragen hoe de uitslag was van het onderzoek dat zijn moeder in die week had moeten ondergaan. De uitslag was negatief en direct heb ik de boel de boel gelaten en zijn we terug gegaan naar Holland. Rien heeft dat weekend bij zijn ouders doorgebracht. Het werk hebben we de andere week afgemaakt.

Nieuwbouw

We werkten nu een jaar of zes of zeven in de Blikstraat misschien waren het er wel meer. De ruimte om dempers te bouwen in de aantalen die we nu maakten was te klein geworden. Van de Bree was op zoek naar een nieuwe locatie en vond deze aan het meest westelijke einde van Sliedrecht. Hier werden plannen voor gemaakt om een loods voor Discom te bouwen. Ik woonde sinds enkele maanden ook in Sliedrecht op hetzelfde terrein als waar de loods zou komen. In die tijd kwam Joop bij Discom werken en zijn eerste werk was volgens mij een bord te ontwerpen voor bij de ingang van het terrein. Van de Bree had grootte plannen want een plattegrond moest er op dat bord komen zodat een ieder zou weten waar dat Discom zou komen.

Uren zijn er tekeningen van het terrein en de loods gemaakt en steeds werden er wijzigingen op aangebracht. Maar uiteindelijk waren de plannen gereed. De prijs die opgegeven had bleek te hoog: ‘dat lijk mij niks,’ zei Bree, ‘Als jij, Joop, nu voor uitvoerder speelt dan kunnen we het in eigen beheer veel goedkoper zelf bouwen.’ Ik werd met enkele jonge collega’s al aan het werk gezet in een loods op het terrein. We bouwden daar rechthoekige dempers voor een klant in Schotland. Series van tachtig stuks was geen uitzondering, eerder regelmaat. Op een dag liep ik ‘s avonds Bree tegen het lijf op het terrein. Hij liep met grootte passen langs de oude loods van Buitendijk. ‘Hier moet een stuk van de loods af dan kunnen we een weg aanleggen die rond loopt zodat vrachtauto’s niet behoeven te keren.

Ik heb een speelgoedje voor je besteld dat komen ze morgen afleveren’. Ik probeerde er achter te komen wat hij daarmee bedoelde maar dat zou ik wel zien. De volgende middag werd er door een bedrijf uit Groningen op een dieplader een shovel gebracht. ‘Is dit hier het terrein van Volker Beton’ vroeg de chauffeur, ‘Ik moet hier dit ding afleveren en een zekere Leen instructie geven.’ Na een paar keer heen en weer gereden te hebben met de shovel vond de man dat ik voldoende instructie had gekregen en verdween met zijn dieplader naar Groningen
Daar stond ik dan met een shovel waar met grote letters Werklust opstond. Dagen heb ik met die Werklust gereden, terrein glad maken, bomen rooien, beton storten in de nieuwe loods en zelfs kranen zijn er mee opgebouwd. De plaats waar nu de loods staat was voor die tijd een moerassig stuk weiland waar grootte hopen met beton en steen waren gestort. In de winter was het dan ook een grootte modderpoel. Regelmatig moest uitvoerder Joop naar achter om tekst en uitleg te geven aan de mensen die er bezig waren. Diepe geulen van de shovel en betonmixers waren er in het pad gereden. Voorzichtig lopend ging Joop naar de man toe die om raad gevraagd had en juist bij de diepste plas ging het mis. Hij gleed weg met zijn ene voet en lag languit in een van de diepste geulen. Hij woonde in die tijd nog op in Zwartewaal dus even schone kleren halen was ook al wat. Die dag liep hij rond in een spijkerbroek tot aan zijn oksels, mijn maat is nu eenmaal wat groter dan die van Joop.
Tijdens de bouw van de loods gebruikte we de loods en kantoor waar nu Kooiman Apparatenbouw is gevestigd. Op kantoor was ook een tekenaar aan het werk, een echte dierenvriend. Er was een poes de loods ingelopen en die wilde er niet meer uit toen we ‘s avonds naar huis wilden gaan. Wat we ook probeerde de kat liet zich niet vangen. Leo, zoals de tekenaar heette, probeerde de kat te vangen door hem te lokken met kattenbrokjes maar de poes was zo bang dat hij wegvluchtte in een gat in de muur tussen de loods en kantoor. Dit bleek een luchtkanaal te zijn die boven het plafond uit kwam. Nu wist de kat niet meer hoe hij terug moest naar de loods. Dagen lang zat de kat te janken op het plafond. Om zes uur zaten we een pilsje te drinken met een van de directeuren van Aggreko toe de kat weer van zich liet horen, recht boven het hoofd van de man. Wij waren er al een beetje aan gewend maar de man was met een sprong bij de deur, hij wist niet wat er gebeurde. We hebben op een avond toch het beestje gevangen door een schaaltje met melk en een bakje brokken op een kast te zetten. We haalden een plafond tegel eruit zodoende kon de kat bij de melk komen maar hij kon niet meer omhoog springen. Toen we op zaterdagavond de poes beneden langs het raam zagen lopen hebben we de tekenaar opgebeld: ‘kom je poes maar halen, hij loopt nu beneden.’ Hij wilde het beestje hebben had hij gezegd. Binnen een half uur was hij er. En nu het vangen van de kat. Alle deuren en ramen van het kantoor waren dicht, Leo achter de kat aan. Een uur is hij bezig geweest, toen had hij het beest te pakken. Het klauwde, beet en vocht voor zijn leven, het bloed stroomde Leo over zijn polsen: ‘deur open,’ riep hij, ‘Ik smijt het kreng naar buiten en wil het nooit meer zien.’ Het bleek een verwilderde boerenkat te wezen. Het beest was uitgehongerd en bijna verdroogd. Leo heeft later een ander poesje genomen.

Op het terrein lag een betonnen brug die ooit door Volker Beton in de crisisjaren rond de jaren ‘30 tijdens de werkverschaffing gebouwd was. Vijftig jaar had deze brug dienst gedaan in de Alblasserwaard. Tijdens de reconstructie van de Provincialeweg tussen Schelluinen en Schoonhoven werd de brug vervangen. De vorige eigenaar van het nieuwe terrein vond het wel een goed idee deze oude brug in delen terug te krijgen om er het terrein mee op te hogen.
Bree zat met de stukken beton van tussen de twintig en veertig ton per stuk in een lastig pakket. De milieuregels waren in die jaren zo veranderd dat ophogen met beton uit de boze was. Afvoeren naar een steenbreker ging in de tienduizenden guldens lopen en dan hadden we niet eens over het transport gehad. Toch kwam hij opeens met het idee om de betonplaten te gebruiken als fundatie voor een terreinkraan. Met de shovel zijn er gaten gegraven en een plateau gemaakt voor een kraan die vanaf dit plateau precies de platen moest kunnen pakken zonder dat de kraan iedere keer moest verplaatst worden. Nu was er een opzichter van het kraanverhuurbedrijf ter plekke de situatie wezen bekijken en had de plaats van het plateau opgegeven.
‘s Morgens om zeven uur kwam de tweehonderd ton‘s kraan het pad oprijden. We hoorden achter op het terrein de radio van de chauffeur al, het ding produceerde vanuit de bedieningscabine een muziek waarvan je opslag wakker van werd. ‘Muziekje is het niet?’ zei de chauffeur en hij sprong uit de cabine, ‘Ik heb hem gisteravond ingebouwd. We kunnen straks de voetbalwedstijd volgen want Holland moet tegen Spanje’. Ik denk dat het was tijdens het Europese kampioenschap van ‘88. ‘Laten we maar eerst beginnen, het begint pas om vier uur,’ zei ik en de man kroop terug in de kraan. Met enig gemanoeuvreer werd de kraan het plateau opgedraaid. De steunen kwamen op de daarvoor neergelegde stelconplaten en na een uur werd de eerste betonplaat met behulp van dikke kettingen vast gemaakt aan de kraan.
Langzaam kwam de plaat omhoog, brokken beton werden van de delen gerukt door de ketting die strak getrokken werd. De kraan draaide naar de plaats waar de eerste plaat moest komen te liggen. De opzichter had alles nauwkeurig uit gerekend, het moet precies kunnen. Ja, volgens zijn theorie misschien wel maar de praktijk was anders. De kraan liet de giek zakken om maar zover als mogelijk de plaat weg te leggen. Opeens een klap, stukken beton vlogen in het rond en de plaat sloeg neer op de grond. De voorkant van de kraan stond ander halve meter vrij van de grond, de steun van de kraan had zich een meter de grond in geboord dwars door de stelconplaat heen. De machinist kwam uit zijn cabine met een lijkwit gezicht en een bult op zijn voorhoofd zo groot als een kippenei. Hij was door de klap door de cabine gesmeten en had zijn hoofd gestoten tegen de radio die hij de avond daarvoor had ingebouwd.


Ik heb al verteld dat ik met een aantal mensen op de Baanhoek werkte, we maakte daar vierkante dempers in series. Op een zaterdagmorgen waren we aan het werk want er moesten tachtig dempers maandag op transport en we moesten er nog enkele in de verf rollen. Van de Bree liep er ook, hij was bezig om wat koperen dakgoten te maken. ‘Leen weet jij waar die platen koper gebleven zijn?’ vroeg hij. ‘s Maandags ruimde we de rommel op die hij in het weekend liet liggen dus ik zei: ‘op die motor, daar in de andere loods liggen ze, zal ik even helpen?’ Platen van twee bij een meter pak je niet zomaar van een motor af. ‘Als ik hulp nodig heb roep ik wel’ was zijn antwoord. ‘Bekijk het dan’ dacht ik en zag hem, door de schuifdeur die een klein eindje open stond, op een trapje de plaat pakken. Dat een plaat van 0,8 mm scherp is kwam hij achter, toen hij de plaat van de kast af tilde schoot deze uit zijn handen.
De punt van de plaat sneed door zijn vingers. Hij zei niets. Werd rood en stond te buigen als een knipmes, hield zijn hand boven zijn hoofd, bukte en knelde dan zijn hand tussen zijn knieën. Het leek op een afstand wel een Hindoestaan aan de Ganges, zo stond hij te buigen. Hij wikkelde er zijn zakdoek omheen en verdween in het kantoor. ‘Nee, in roep wel als ik hulp nodig heb’. Ik ben er niet achteraan gegaan, hij verbindt het zelf maar of hij roept wel. Diezelfde middag moest ik naar een feest van een gezamenlijke kennis. Handen schudden, gefeliciteerd met.. . Wie staat daar in de rij? Juist, heel zijn hand in het verband, de dokter was er nog aan te pas gekomen. ‘Wat heeft hij’? vroeg ik aan Wil die naast hem stond. ‘Hij heeft zich bezeerd vanmorgen toen hij op Baanhoek wat wilde pakken geloof ik’ zei ze. Vriendelijk vroeg ik aan hem ‘En er was natuurlijk niemand die je kon helpen met die plaat op dat wankele trapje bij die kast?’ Verbaasd keek hij mij aan ‘Ik dacht dat je het niet gezien had of gehoord, jij ziet teveel denk ik’.
Dat kwam de andere maand nog eens voor. We hadden op een zondagmiddag wat zitten praten en een pilsje gedronken op kantoor. Samen liepen we de deur uit en met een ‘tot ziens’ liep ik achter het tennisveld langs naar huis. Bree stapte in zijn auto en met slippende wielen draaide hij achteruit onder de kastanjebomen vandaan. Een klap en gerinkel van glas. ‘Doorlopen’ dacht ik, ‘Als hij over de dijk rijdt kijk ik wel’. Ik hoorde het portier open gaan, wat gebrom, met een klap het portier sluiten, en daar reed de auto van het pad af. Ondertussen was ik thuis en liep vlug door de kamer en zag Bree nog juist langs komen. Zijn achterlicht ontbrak en de volgende morgen lag er bij de vlaggenmast nog enkele stukken rood glas. Een paar dagen later liep hij de loods in. ‘Heb je niet even een schroevendraaier, Leen?’ Met een nieuw achterlicht stond hij bij de werkbank. ‘Achterlicht stuk Bree’ vroeg ik. ‘Ja dat heb je als je iedereen maar met je auto laat rijden’. Hij leende inderdaad zijn auto nogal eens uit. ‘Of zou het soms liggen aan de vlaggenmast, hebben ze die misschien verzet?’

Tijdens de nieuwbouw was het kantoor van de loods in gebruik door Discom. Joop had een kopieermachine nodig en Bree vertelde hem dat hij er nog wel een had staan. Op een avond ging de deur van het kantoor open en kwam Bree de machine brengen. Nu was dat een apparaat dat nog werkte met een natte, vloeibare toner. Hij hield het apparaat iets te schuin en de toner liep over zijn jas en broek z’n schoenen in. ‘ Heb je niet even een doekje?’ vroeg hij ‘Ik heb een beetje gemorst geloof ik.’ Adrie die daar aan het werk was deed de deur open naar buiten en zei, ‘Zet dat vieze ding eerst maar buiten en met een doekje krijg je die kleren niet meer schoon denk ik.’ Hij veegde met een stuk keukenrol het ergste zwart van zijn kleren en verdween weer, de kopieermachine achterlatend op de stoep.
De volgende dag kwam de tuinman langs en zag de kopieermachine in de tuin staan ‘Laat ik die maar even in de loods zetten’ dacht hij en pakte het apparaat op. Ook weer niet helemaal recht want weer stond er iemand met een zwarte broek. Hij sjouwde het apparaat de loods in en zei’ Ik ga me eerst verkleden zo kan ik niet werken.’
Toch was de tuinman niet de laatste. Iemand die het ding zag staan dacht dat het van hem was en wilde hem even meenemen, ook hij kwam bedrogen uit het laatste restje toner is bij hem zijn schoenen in gelopen.

Als je Discom beziet door een toneelkijker dan zou je kunnen zeggen dat dit het einde is van het tweede bedrijf
.
De Blikstraat

Hadden we de eerste jaren veel gewerkt voor een en dezelfde klant nu brak er een tijd aan dat we voor steeds wisselende klanten gingen werken. De loods in de Blikstraat was een echte scheepsbouw loods en stond aan het water. Het was steeds de wens van een van de directie leden om zich maritiem bezig te gaan houden zodat klanten in die richting werden gezocht. We hadden daar een perfecte kade van damwand in een rustige haven zodat de schippers daar als vanzelf naar toe kwamen. De vorige eigenaar van het terrein woonde nog in een bungalow naast de loods. Deze oud directeur van Damen was wat blij dat er weer wat leven in de brouwerij kwam. De loods had een 1/2 jaar leeg gestaan en er waren niet veel activiteiten geweest. Wat is er nu mooier voor een oud scheepsbouwer dan vanuit je stoel te kijken en te luisteren naar activiteit op een werf. Natuurlijk weet ik wel leukere dingen maar deze man genoot er van. Zo had hij vroeger een lamp laten aanleggen bij de kade, als er ‘s avonds eens een schip voor de wal zou komen dan kon de schipper tenminste zien waar hij aan kon meren.
Nu moest die lamp iedere avond aan en ‘s morgens uit gedaan worden Het was een van de eerste keren dat ik daar op het terrein kwam, het was op een zaterdagmorgen, dat de heer Damen mij riep: ‘hè jochie, kom eens even’. Ik dacht dat hij mijn zoontje bedoelde die er ook bij was, maar nee, hij moest mij hebben. ‘