Onze Facebook pagina
Over de dijk tussen de kerk van Slydrecht en het Matenase veer rijdt Berent op de vos van Dries in de richting Dordrecht. Hij heeft met Dries afgesproken dat hij net als Dries in Gorkum, zich onopvallend tussen het volk wil bewegen om zodoende inlichtingen te verkrijgen over de marskramer. Hij heeft het plan opgevat om een herberg te zoeken in de buurt van de rechtsplaats. Hij verwacht dat daar de kramer wel in de omgeving is opgesloten. Berent vermoedde dat hij wel tijd nodig zou hebben om uit te zoeken waar de kramer zou zijn opgesloten. Na een uur of twee komt hij via het Matenase pad bij de Voorstraat van Dordrecht aan. Hol klinken de hoefslagen van het paard tussen de gevels van deze smalle straat die soms voorzien is van kasseien. Hier bij het stadhuis is de weg goed begaanbaar maar even verderop is de weg nog bezaaid met afval van de wekelijkse markt die daar is gehouden Na een kwartiertje stopt Berent voor een kleine herberg die gelegen is langs het riviertje de Thure, vlakbij de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk. Hij bindt het paard vast aan de ring die in de muur zit gemetseld. Bij zijn binnenkomst wordt hij begroet door een waard die zijn handen schoonmaakt aan zijn voorschoot. Helemaal helder is deze niet meer. Berent vermoed dat hij deze niet dagelijks verschoond.
In de verste hoek van de gelagkamer ziet Berent enkele mannen zitten. Er lijkt een druk gesprek gevoerd te worden maar met de binnenkomst van Berent stokt dit zo plotseling dat de stilte zwaar blijft hangen. In die plotselinge stilte klinkt Berent zijn welgemeende groet, ‘goeiemiddag samen, waard, heb je nog voor een paar nachten een plaatsje vrij, voor een vermoeide reiziger die buiten zijn paard heeft staan. Kan dit beest verzorgd worden en geef het een extra schep haver, dat heeft hij wel verdiend.’
‘Een plaatsje voor jou heb ik wel en de stalhouder hier tegenover zal vast wel je paard kunnen stallen voor een paar dagen. Wil je nog wat gebruiken? We hebben nog voldoende brood en ham in huis.’
In de hoek van de gelagkamer kwam het gesprek weer op gang. Het werd nu wel op een meer fluisterende toon voortgezet.
Berent bestelde wat hij nodig had en verklaarde desgevraagd zijn komst in Dordrecht.
’Ik ben door mijn baas er op uitgestuurd om inlichtingen te krijgen over een nieuw soort mestkar. We hebben bij ons in de waard veel gehoord over dit nieuwe werktuig dat je ook zou kunnen gebruiken als het bouwland wat drassig is. Mijn baas is de laatste jaren nogal bedlegerig en kon dus niet zelf op inlichtingen uitgaan. Hij heeft vernomen dat een boer in de Alblasserwaard zich zulk een kar heeft aangeschaft en er prima over te spreken is. Ik heb dus aangeboden omdat ik toch naar mijn oudjes wilde in Giessendam om even daar mijn licht op te steken. In Giessendam wisten ze me alleen te vertellen dat de wagenmaker van het eiland van Dordt zou komen, dus besloot ik door te rijden naar hier waar ze misschien meer weten. Deze kar zou extra brede wielen hebben, heb jij een idee waar ik het best zou kunnen beginnen met mijn zoektocht naar de wagenmaker?’
‘Weet je wel hoeveel wagenmakers het hele eiland van Dordt telt,’ vroeg de waard nadat hij het bestelde eten van Berent op tafel had gezet en zelf ook plaats nam aan de tafel.
’Ik vermoed dat het er al gauw zo’n 15 zullen zijn dus je mag er zeker wel een paar dagen voor uit trekken.’ Berent vertelde dat dit geen probleem was, hij had zijn baas verteld zeker wel een paar weken weg te blijven.
‘Je hebt het maar getroffen met je baas. Ik kan mij in Dordt geen baas indenken die zijn knecht er op uitstuurt om inlichtingen in te winnen en zijn familie te bezoeken. Wil je ook nog vertellen dat hij je volle jaarloon betaalt zonder aftrek van deze twee weken?’
Berent schoot in de lach en fantaseerde er lustig verder op los.
’Ik vertelde je toch al dat mijn baas bijna niet meer van bed af komt. Hij is ongetrouwd, heeft een heks van een eerste meid die hem alleen maar commandeert en waarnaar hij nog luistert ook. Hij is blij dat hij het met mij zo heeft getroffen. Al jaren bestuurt hij vanuit de kamer en de laatste maanden vanuit de bedstee zijn zaken via mij. Ik klop niet zoals zijn meid het geld uit zijn geldkist, nee, ik wacht geduldig mijn tijd af. Hij heeft geen kip of kraai op de wereld. Ik geef hem op mijn tijd nog wel de juiste raad om alle zaken op mijn naam te zetten.’
Nu schoot ook de waard in de lach, ‘zo zie je maar weer wie het laatst lacht, kan wel eens het beste lachen. Als je te zijner tijd je zaakjes voor elkaar hebt gekregen kom je hier maar je feest vieren. Of kom je ver hier uit de buurt?’
Berent had zijn antwoord al klaar. Gisteren, zondag, hadden Anna, Krelis en hij tevergeefs zitten wachten op de komst van Dries. Gedrieën hadden ze plannen gemaakt, mogelijkheden bekeken en gewikt en gewogen. Je kunt niet voor de vuist weg een verhaaltje ophoesten als men in de stad vragen aan je stelt. Een van de meest in het gehoor springende eigenschap van Berent was zijn dialect. Je kon na een zin van hem al horen dat hij niet vanuit de Alblasserwaard kwam of van een van de westelijke of noordelijke waarden. Nee, het lag er duidelijk op dat hij van tussen de rivieren kwam mogelijk zelfs van de overzijde van de Groote Waard. Even hadden ze nog met de gedachte gespeeld dat zijn ouders vanuit het Brabantse zouden zijn gekomen na de St. Elisabethsvloed. Besloten werd dat Berent in de Betuwe zou zijn opgegroeid en nu ergens achter Gorkum zou wonen. Het moest een aannemelijk verhaal worden waarom Berent in Dordt zou zijn. Nu had Berent enkele weken geleden van de heer van Savenhent gehoord dat een van zijn boeren een kar had gekocht in Dordrecht met speciale brede wielen. Daar waren ook heel brede stalen banden overheen gemaakt en dit zou voorkomen dat de wagen diep in de zachte grond wegzakte.
Zo vertelde Berent het verhaal dat ze dus deels verzonnen hadden aan de waard en die nam er genoegen mee. Hij noemde een lijstje met namen op van wagenmakers en waar deze woonden. Berent had deze kunnen opschrijven maar liet niet merken dat hij de schrijfkunst machtig was. Dit had weer vragen kunnen oproepen hoe het toch mogelijk was dat een gewone boerenknecht kon lezen en schrijven.
Na een paar glazen voortreffelijke wijn te hebben genuttigd trok Berent er die zelfde middag nog op uit naar de eerste wagenmaker. Hij wist waar ongeveer de juiste wagenmaker moest wonen en liet die buurt dus ongemoeid. Het bleek dat de andere wagenmakers niets van deze nieuwigheid hadden gehoord en zo kon Berent ongemoeid door de stad wandelen en zijn oren te luisteren leggen rondom het raadhuis. Ook liep hij regelmatig een herberg of taveerne in voor een kroes licht bier en een praatje waarbij hij steeds weer de naam van Giessendam noemde. Daar hadden ze in Dordt wel van gehoord. Men vroeg hem dikwijls of hij iets gehoord had over die moord op een boer die katholiek zou zijn en door een ketterse marskramer zou zijn vermoord. Het verhaal hier ging dat de kramer de boer bestolen zou hebben van meer dan duizend gouden munten. De marskramer zou de kist met munten verstopt hebben tussen Giessendam en de kerk in Wingerden waar deze was opgepakt door de schout.
Deze onverwachtse wending in het verhaal kwam Berent goed van pas. Nu kon hij zich voordoen als een gelukzoeker. Hij kon nu vrijer informeren waar de marskramer was opgesloten om zodoende informatie te krijgen over het verstopte goud. Ook vergat hij niet om zich te laten ontvallen dat hij sliep in herberg ‘Nabij de Thure’. Die avond toen hij een glas wijn dronk bij het haardvuur werd hij aangesproken door een man die duidelijk van Spaanse afkomst was.
‘Ik heb vanmiddag vernomen dat jij erg veel belangstelling hebt in de verblijfplaats van de marskramer die hier bij de schout op zijn berechting wacht,’ begon de man zijn gesprek.

Vervolg                                         Hoofdstukken