


Sinds die tijd hebben we regelmatig contact met elkaar zo als jij je zult herinneren.. Niet alleen over het verleden maar ook over de toekomst. Tijdens die gesprekken op het kasteel heb ik ook jou leven gevolgd nu je bij je vader op de stee woont en ben ik veel te weten gekomen over de kerkelijke perikelen in Giessendam. En ook over jou. Ik heb begrepen dat je wel eens het plan hebt opgevat om naar Brussel te gaan. Ik voelde dat ik een kleur kreeg, ik schaamde me nu voor de uitspraak die ik tegen over oom Willem wel eens had gedaan. Wat moest de heer van Brederode niet denken. Ik een boerenzoon naar Brussel waar het hof was van Karel V.’
Hier stokte het verhaal van Dries even.
’Schenk ons wat te drinken in, Anna,’ vroeg hij. ’Wil je ook de lampen aansteken, het wordt al vroeg donker.’
Anna stak met een spaander de olielampen aan. Het bracht direct een andere sfeer in de keuken. Een vrouw in de keuken is iets wat Dries op de stee aan de Hogendijk niet vaak had mee gemaakt.
‘Zo wandelden we samen verder in de richting van Goudriaan,‘ vertelde Dries verder. ’Hendrik vertelde over zijn voorvaderen hoe deze de streek hadden ontgonnen. Mooie verhalen uit het verleden. Hij gaf ook zijn visie over de toekomst en sprak zijn vrees uit over wat mogelijk stond te gebeuren. Filips II, de zoon van Karel V, was op rondreis geweest door de Nederlanden. Hij vertelde, dat wanneer nu deze zijn vader was opgevolgd, de Nederlanden een zware en moeilijke tijd tegemoet zouden gaan. Immers deze Filips was zo antiprotestants dat de mensen die niet katholiek waren vervolgd zouden worden door hem. We waren aangekomen in Nieuwpoort en hier zouden onze wegen zich scheiden. Hendrik moest naar Ameide en ik moest met het veer naar Schoonhoven.
’Kom morgen in de namiddag naar Vianen, ik zorg dat je ontvangen wordt dan kunnen we dit gesprek voortzetten’, zei Hendrik. ’Ik merk dat je geïnteresseerd bent in de historie maar ook in de toekomst.’
Weer voelde ik een kleur op mijn wangen komen, nu niet van schaamte maar van blijdschap, ik een eenvoudige boerenzoon, opnieuw uitgenodigd op het kasteel in Vianen. Nu nodigde hij mij duidelijk op een andere manier uit dan toen we samen met oom Willem werden uitgenodigd en ik was ook vast van plan om er gevolg aan te geven. In Schoonhoven, in de gezellige woonkamer van oom Willem, vertelde ik hem van mijn ontmoeting met Hendrik van Brederode. Ik kon die avond moeilijk in slaap komen, de gedachten tolden door mijn hoofd. We hebben dan wel een van de grootste hofsteden van Giessendam, de grootste, de vetste en beste kazen komen van de Hogendijk in Giessendam, wordt er verteld. Betere boter is er niet in de gehele Alblasserwaard te vinden, misschien was vader wel de rijkste boer van de Alblasserwaard, maar ik blijf een boerenzoon.’
Krelis onderbrak Dries zijn verhaal en zei: ‘Misschien was je vader wel de rijkste boer maar, als ik mijn gedachten uit mag spreken, was je vader nooit tevreden met wat hij bezat.’
‘Ben je nog op het kasteel van die man geweest, Dries? ’vroeg Anna ongeduldig naar het vervolg van het verhaal. Ze wilde zo haar vader afbrengen van zijn iedeen over Dries zijn vader. ‘Wat is er gebeurd daar in Vianen? Ik krijg het idee dat het iets te maken heeft met wat de laatste tijd hier gebeurd is.’
‘Dat heb je goed geraden Anna, het heeft iets te maken met wat er de afgelopen weken hier in Giessendam is gebeurd. Om terug te komen op de heer van Brederode, we hebben hele dagen op zijn kasteel gesproken over geloof en over het bestuur van de gewesten. Hendrik heeft ook veel contact met Willem van Oranje. Ze zijn beide page aan het Hof van Karel V geweest. Hij verblijft daardoor veel in Brussel. Ik heb hem ook verteld over de moeilijkheden die ik had met mijn vader en hij moedigde mij aan om te vertellen waarom ik zo graag naar Brussel wilde. ’Wil je dat om je vader te ontlopen, of om meer te weten te komen over de protestanten’, vroeg Hendrik mij op een dag. Ik moest hem eerlijk bekennen dat het was om beide.
’Keizer Karel moest al niets weten van de reformatie, zijn zoon Filips II nog minder dus daarvoor kun je beter niet naar Brussel gaan,’ zei Hendrik tegen me. Ik voelde wel dat hij gelijk had. Van verschillende mensen had ik dit al eens gehoord. Teleurgesteld bekende ik dit aan Hendrik maar tot mijn grote verrassing zei hij: ‘Ik heb in de loop van onze gesprekken begrepen dat het niet alleen de reformatie is die je naar Brussel trekt maar ook je nieuwsgierigheid naar het hof. Ik ga de volgende week op reis naar de Zuidelijke Nederlanden, misschien kan ik je gebruiken in mijn gevolg’.
‘Dus je gaat toch naar Brussel?’ onderbrak Krelis het verhaal van Dries. ’Durf je dat aan? En hoe moet het nu verder met de hoeve van je vader? Komt er een andere boer op de stee?’
Dries schoot in de lach en zei: ‘Dat waren veel vragen in een keer, Krelis, luister dan zal ik verder vertellen, ik moet je nog vertellen over wat mij is overkomen bij het Pinkeveer.’
’Nadat Hendrik en ik hadden afgesproken dat ik mee zou gaan wilde ik afscheid komen nemen, van mijn vader, hier op de Hogendijk. Ik wilde niet naar Brussel gaan zonder dat ik in Giessendam zou zijn geweest om het hem te vertellen. Ik denk niet dat hij het zou hebben begrepen waarom ik weg wilde. Twee dagen later ging ik op reis naar Giessendam, er stond een stevige wind, die aanwakkerde tot een ware storm. Bij het Pinkeveer, het veer over de Giessen, haalde een groep ruiters en enkele koetsen mij in. Ik zag aan het wapperende vaandel dat het de heer van Brederode was met zijn gevolg. Ik was verbaasd, hij had mij gezegd dat hij mij over zeven dagen zou ontmoeten, ik zou wachten bij het veer naar Woudrichem. Hij had niets verteld over een eerdere reis. Een van de ruiters, die vooruit gereden was, hield mij tegen en vroeg: ‘Ben jij Dries Romeijn? Je moet bij heer van Brederode komen’. Intussen waren de koetsen genaderd, Hendrik stapte uit de koets en verzocht mij mee te gaan naar de herberg die daar staat bij het veer.
’Dries’, zo begon hij ‘de plannen zijn gewijzigd. Ik had al een ruiter naar Schoonhoven gestuurd maar je was daar al weg. Zodoende ben ik je achterna gereden. Gisteravond heb ik bericht ontvangen van Willem van Oranje, die vroeg of ik met de grootst mogelijke spoed naar Brussel wilde komen. Hij berichtte mij dat hij een complot heeft ontdekt in de kringen van het hof. Een Spanjaard zou in de Nederlanden de bevolking proberen op te stoken tegen het gezag van hun heren en edelen. Maar niet alleen dat, nee, aan het hof van de Landvoogdes zijn plannen gemaakt door volgelingen van de overleden Keizer Karel en Koning Filip om een tweespalt teweeg te brengen in de Nederlanden tussen de katholieken en de protestanten.’
‘Er is toch al verdeeldheid onder de bevolking en kerkleiders in de Nederlanden?’ vroeg ik aan Hendrik, vertelde Dries verder aan Anna en Krelis die in spanning zijn verhaal volgden.
’Daarop antwoordde Hendrik mij dat er groepen Spanjaarden door het land trokken om te proberen die verdeeldheid verder uit te breiden. ’Ik zou jou willen vragen Dries, of je wilt proberen er achter te komen waar de leider van deze groepen zich bevindt. Het laatste wat ik weet is dat hij in Gorkum is geweest en door vrienden van ons is er op aangedrongen dat de leider opgepakt moet worden.
Volgende hoofdstuk Hoofdstukken